telefoonHieronder de tekst die Paul Brill (de Volkskrant) dinsdag uitsprak bij de uitreiking van de Dick Scherpenzeel Prijs 2008. De prijs werd gewonnen door Tjitske Lingsma met het boek ‘Het verdriet van Ambon – Een geschiedenis van de Molukken’.

Toen ik de jaren tachtig van de vorige eeuw bij de Volkskrant kwam werken, bestond daar nog het gilde der dictafonisten. Journalisten uit het pre-computer tijdperk – of exacter gezegd: uit het pre-modem tijdperk – kunnen het zich waarschijnlijk nauwelijks voorstellen, maar een niet gering deel van de kopij van met name de dagbladen werd doorgebeld. De verslaggever was ergens ter plekke en was vanwege tijdgebrek of een te grote afstand niet in staat om naar de redactie te komen en zijn stukje op te tikken, dus hij belde het door. Dit gold in het bijzonder voor buitenlandse correspondenten en sportverslaggevers.

Om hen te dienen was er dus het gilde der dictafonisten. Het waren er bij de Volkskrant een stuk of vijf, die in wisseldiensten werkten, want het was voornamelijk avondwerk. Ze bedienden de dictafoon, een soort veredelde bandrecorder met voetaandrijving die in mijn herinnering reusachtige afmetingen had.

Het was een procedé voor kopijbewerking dat de oorzaak was van vreselijke fouten. Er kon precies op het verkeerde moment een hapering optreden in de telefoonverbinding, zodat bijvoorbeeld het cruciale woordje niet onhoorbaar was, waardoor de krant feitelijk het tegenovergestelde berichtte van wat de verslaggever had opgeschreven. En het menselijk oor was natuurlijk niet onfeilbaar, zodat de Rode Zee gemakkelijk de Dode Zee werd. Of je spelde een naam en zei: let op, dat is met een trema, hetgeen ertoe leidde dat je de volgende dag in de krant las: hij lette op het thema.

‘We maken er wel weer wat van’
Sommige dictafonisten waren degelijk opgeleide, bekwame mensen, maar er waren er ook een paar bij die als ware behoorden tot het huisraad dat de Volkskrant had overgehouden uit de tijd dat de krant nog het orgaan was van de Katholieke Arbeidersbeweging. Wanneer ik zelf op buitenlandse reportagereis was en ik werd met zo iemand doorverbonden, dan veinsde ik wel eens dat de lijn zo slecht was dat ik hem of haar niet kon verstaan, en dan belde ik opnieuw in de hoop dat de telefoniste me ditmaal zoo doorschakelen naar een betere dictafonist. Een van de dictafonisten, berucht om zijn slordigheid en gebrekkige kennis, dreef correspondent Peter Brusse geregeld tot wanhoop door, als deze zijn stukje had doorgebeld uit Londen, het gesprek te beëindigen met de mededeling: ‘Nou, we maken er wel weer wat van.’

Waarom vertel ik dit? In de eerste plaats omdat het bij de uitreiking van een journalistieke prijs geen kwaad kan om nog eens aan te geven dat de journalistiek in zekere zin altijd een strijd met de elementen is geweest. Zeker als het gaat om een prijs die is genoemd naar een man die zijn sporen heeft verdiend in de jaren zestig en zeventig.

De strijd tegen de elementen wordt gelukkig meermaals gewonnen, maar toch ook vaak, te vaak verloren. Dat was zo in de zogenaamde goede oude tijd toen de journalistiek nog omgeven was met romantische noties en waarheidsvinding een ongecompliceerde doelstelling leek. En dat is nog steeds zo.

De opstand der burgers
Met mijn dictafoonverhaal had ik het alleen nog maar over de verwerkings- en productiekant. Niet over de problemen die journalisten te velde ontmoeten bij het vergaren, checken en wegen van de feiten. De druk waaraan ze bloot staan om tijdig met hun verhaal af te komen. Het kluitjesvoetbal waartoe de journalistiek zich geregeld laat verleiden. De manipulatie waaraan de journalist blootstaat: zelfs hier in dit brave land, en in dus tienvoudige mate in landen waar censuur heerst, onscrupuleuze regimes aan de macht zijn en de rechtsorde zwak is.

Het is een problematiek die in het volle licht van de schijnwerpers is gezet door het succes van Het zijn net mensen, het boek van Joris Luyendijk, de winnaar van de Dick Scherpenzeelprijs in 2007. Bij alle waardering voor dat boek, heeft de enorme weerklank ervan me toch verbaasd. Ik houd het erop dat die veel te maken heeft met de opstand der burgers tegen de instituties. De overheid, de rechterlijke macht, de kerk, de politiek waren al aan de beurt geweest. De media nog niet. Voor journalisten kwam de kritische analyse van Luyendijk niet als een grote schok. Columnist Stephan Sanders schreef: ‘Hier zien wij een kloof tussen de beroepsgroep en het publiek dat bediend moet worden. Die kloof blijkt ongeveer even groot te zijn als de afstand tussen de gewone burgers en Den Haag. Alle journalistieke dilemma’s die Luyendijk beschrijft zijn voor verslaggevers herkenbaar genoeg, maar voor het publiek is het kennelijk allemaal nieuw en shockerend. Zijn wij van de pers in het verleden te zuinig geweest met onze aarzelingen en onzekerheden?’

Het antwoord op die vraag moet waarschijnlijk bevestigend luiden, hoewel het bepaald niet ontbreekt aan oudere boeken en artikelen waarin de tekortkomingen van het journalistieke bedrijf ruimschoots worden geetaleerd. In de bundel boek Het maakbare nieuws, die deels een aanvulling en deels een repliek op het boek van Luyendijk is, heb ik zelf verwezen naar een boek dat inmiddels al ruim dertig jaar oud is en dat luistert naar de hilarische titel Anyone here been raped & speaks English? Het is geschreven door Edward Behr, een Britse journalist die voor een groot aantal prominente media heeft gewerkt, print zowel als televisie, en die bijna alle grote crises van de jaren vijftig en zestig heeft verslagen. De titel slaat trouwens op een tv-reporter van de BBC die in 1960 in het pas onafhankelijk geworden en door ernstige onlusten geteisterde Congo arriveerde en op het vliegveld door een menigte van Belgische repatrianten waadde, onder wie een groep nonnen, en almaar vroeg: Anyone here been raped and speaks English? Want dat was de opdracht waarmee hij op pad was gestuurd: zo snel mogelijk een reportage over verkrachte Europese vrouwen leveren.

In zijn boek schetst Behr een zeer openhartig beeld van alle valkuilen die zich met name in de buitenlandverslaggeving voordoen en waarin journalisten inderdaad meer dan eens wegglijden. Weliswaar waren in zijn tijd de verbindingen primitiever, stond de tv-journalistiek nog goeddeels in de kinderschoenen en hadden overheden nog niet zo’n geavanceerd voorlichtingsnetwerk, maar de dilemma’s en tegenslagen waren voor Behr niet minder groot dan later voor Luyendijk, met dien verstande dat deze het na vijf jaar voor gezien hield en dat de Brit zich meer dan dertig jaar door alle moeilijkheden heenbeet en ook daarna van mening bleef dat de enige juiste houding is om niet bij de pakken neer te zitten, maar met nog meer toewijding, nog meer energie en nog meer kritische oplettendheid de waarheid te achterhalen.

Fanatieke geestelijken
Het boek van Behr stond bepaald niet op zichzelf. Ook in Nederland werd al vele jaren geleden zelfkritisch geschreven over journalistiek en onafhankelijke verslaggeving, zeker ook waar het ging om het werken in buitenlandse brandhaarden. In het boek Luizen in de pels uit 1984 (uitgegeven onder redactie van Martin van Amerongen, Jan Blokker en Herman van Run) schreef Wout Woltz een fraaie terugblik op zijn reportagereis naar het Iran van 1979, het jaar waarin de islamitische revolutie een einde maakte aan het bewind van de sjah. Zijn conclusie vijf jaar later luidde: in de opwinding van het moment zag ik volstrekt onvoldoende dat de miljoenen demonstranten werden geleid door fanatieke geestelijken dat er hoogstens een gradueel verschil was tussen de wereldse dictatuur van de sjah en de religieuze van Khomeiny.

Nog een voorbeeld: de in 1999 gepubliceerde bundel van artikelen geschreven door winnaars van het Gouden Pennetje, de vroegere jaarlijkse prijs voor jong journalistiek talent, die inmiddels is opgegaan in de Tegel. Op zoek naar inspiratie voor deze toespraak haalde ik het een paar dagen geleden uit de kast en werd getroffen door de bijdrage van Caroline de Gruyter, winnares in 1992. ‘Een fascinatie voor geweld’, heette haar artikel, dat gaat over het Midden-Oosten en dat zich welhaast laat lezen als een voorstudie van Luyendijks boek. De uitvergroting van conflicten en geweld, de hang naar avontuur en sensatie, de mate waarin de media onbewust de agenda van de verschillende partijen beïnvloeden, alles komt er in voor.

Inschattingsfouten
Door de problemen te benoemen worden ze uiteraard nog niet opgelost. Omdat ik gedurende een half jaar inval als chef buitenland, ervaar ik zelf weer eens aan het bureau hoe groot de stuwkracht van het nieuws van de dag is, vooral als dat nieuws belangrijk en urgent is. Inschattingsfouten worden dan snel gemaakt en er worden feiten gepresenteerd die later toch iets minder feitelijk blijken te zijn geweest. Maar mijn stellige indruk is dat de correctiemechanismen beter en sneller werken dan in het verleden, niet in de laatste plaats dankzij alle documentatie die is te vinden op het internet, dat verslaggevers en eindredacties en steviger back-up verschaft. Maar verslaggeving blijft in hoge mate een momentopname, eerstelijns geschiedschrijving die altijd zal moeten worden bijgesteld.

De term eerstelijns geschiedschrijving brengt me op een tweede punt. Dat gaat over collega’s die beschouwd mogen worden als de fronttroepen in die eerstelijns geschiedschrijving, namelijk de buitenlandse correspondenten.

Daarbij maak ik geen onderscheid tussen correspondenten in ontwikkelingslanden en correspondenten in westerse hoofdsteden. Want hoewel er natuurlijk verschillen zijn in focus en werkwijze, vind ik niet dat er voor bepaalde posten andere maatstaven gelden. Correspondenten, waar ze ook zitten, horen ons permanent bij te praten over de belangrijkste nieuwsontwikkelingen en trends in hun land en regio. Een goede correspondent brengt zijn gebied in zijn volle, altijd geschakeerde rijkdom tot leven. Verslaggeving die nadrukkelijk in het teken staat van zoiets als bewustwording van de ontwikkelingsproblematiek, of journalistiek die het engagement in het hoofd van de lezer of kijker probeert te duwen, is aan mij niet besteed. Ik houd het erop dat bewustwording iets is wat de gedekoloniseerde burger anno 2009 liever zelf doet. In die zin ben ik bij de uitreiking van de Dick Scherpenzeelprijs misschien niet de meest voor de hand liggende spreker. Maar ik voeg er meteen aan toe dat mijn opportunistische alter ego graag had gezien dat de Volkskrant deze prijs had gewonnen en dat wat mij betreft duizend prijzen mogen bloeien. Dus naast de Dick Scherpzenzeel ook een Dick van Rijnprijs, een Dick Houwaartprijs, een Dick Brunaprijs en, waarom niet, een Dick Berlijnprijs. Maar dit terzijde.

Strapatsen van Berlusconi
Terug naar de fronttroepen, de correspondenten. Ik wil een kleine ode aan hen brengen, want het gaat niet goed met hen. Hun gelederen zijn de afgelopen jaren sterk uitgedund. Diverse media, vooral in de dagbladwereld, hebben hun correspondentennet sterk verkleind. Vanwege de kosten en soms ook met het argument dat er dankzij het internet voldoende informatiebronnen voorhanden zijn om vanachter het bureau een adequaat stukje te kunnen maken over de laatste strapatsen van Berlusconi of het offensief van het Pakistaanse leger in de Swatvallei. Daarnaast is er een tendens om het resterende correspondentennet vooral te vullen met journalisten die weinig kosten, die jong zijn en geen gezinsverplichtingen hebben, die als het ware slechts met hun rugzak op pad gaan, per stuk worden betaald en makkelijk te lozen zijn. Laat ik onmiddellijk zeggen: onder hen bevinden zich getalenteerde krachten die prima werk doen. Maar hier is wel sprake van een ernstige verschraling. De beste correspondenten zijn degenen die de tijd en de ruimte krijgen om werkelijk te wortelen in de samenleving waarover ze berichten.

Laat ik twee voorbeelden geven uit de Volkskrant – daarover kan ik nu eenmaal het beste oordelen. De afgelopen weken stond er in de krant een prachtige serie van Afrika-correspondent Kees Broere en fotograaf Sven Torfinn, waarin ze het traject beschrijven dat illegale migranten afleggen die proberen vanuit Accra, Ghana, naar Amsterdam te komen. In de serie worden niet alleen allerlei gevaarlijke sluipwegen blootgelegd, maar wordt ook het inzicht aangescherpt in wat de migranten beweegt en wie ze zijn: niet de armste en wanhopigste jonge mannen, maar juist de slimste, capabelste en meest ondernemende, wat de hele migratie misschien nog wel schrijnender maakt. Het is een project dat alleen tot stand kon komen doordat verslaggever en fotograaf het continent door en door kennen, weten waar ze moeten zijn en de tijd en de financiele ruimte krijgen om zo’n omvangrijk project uit te voeren.

Tweede voorbeeld: vorige week mocht Amerika-correspondent Philippe Remarque de belangrijkste krantenprijs in de categorie achtergrond in ontvangst nemen. Hij kreeg die prijs voor een reeks grote reportages over de Amerikaanse verkiezingscampagne waarin hij volgens de jury een indringend beeld had geschetst van ‘een kandidaat en een samenleving die onweerstaanbaar naar elkaar toe groeien’. Dat lukt je niet als je slechts tijdelijk komt invliegen, dat lukt je alleen als je tot in de haarvaten van de maatschappij bent doorgedrongen, doordat je niet alleen met een kandidaat meereist, maar ook geregeld je kinderen naar school brengt en een praatje maakt met de andere ouders, doordat je zelf naar de omringende maatschappij bent toegegroeid. En wat mij betreft had Philippe trouwens de prijs ook mogen krijgen voor zijn gewone, dagelijkse correspondentenwerk, want ik constateer keer op keer dat ook bij het weergeven en duiden van de politieke actualiteit een correspondent die zelf in het nieuws leeft en wordt geschraagd door het stemmingsklimaat van het land waar hij verblijft, bijna altijd een trefzekerder stuk maakt dan een bureauredacteur in Amsterdam, hoe consciëntieus die ook te werk gaat.

Cruciale waarde
Gelukkig zijn er in Nederland nog altijd een paar media met een correspondentennet van zeer behoorlijke omvang en kwaliteit. Laat ik van de gelegenheid gebruik maken om duidelijk uit te spreken dat de Volkskrant onverminderd de ambitie heeft om het correspondentenbestand, waarin de afgelopen twintig jaar zo veel is geïnvesteerd, intact te houden, al hebben we met name op de bezetting van de post Brussel tijdelijk een stapje terug moeten doen. En ik hoop vurig dat de nieuwe eigenaar van PCM onderkent dat een veelzijdige, eigenstandige buitenlandse berichtgeving van cruciale waarde is voor een kwaliteitskrant. Dat hij uit hetzelfde hout is gesneden als de uitgever van de New York Globe in de klassieke Hitchcock-film Foreign Correspondent, een uitgever die op een gegeven moment tegenover zijn hoofdredacteur verzucht dat hij eindelijk wel eens wil weten hoe het er echt voorstaat in het instabiele Europa van de jaren dertig: ‘I don’t want any more economists, sages or oracles bombinating over our cables. I want a reporter.’

Al 4 reacties — discussieer mee!