italy-600In het plaatje dat het Freedom House Report 2009 (FHR) van de persvrijheid in de wereld geeft zijn Turkije en Italië geel gekleurd. Geel staat voor ‘gedeeltelijke persvrijheid’. De enige twee Europese landen staan in dezelfde categorie als het eiland Tonga.

“’Gedeeltelijke persvrijheid’ is net zoiets als zeggen dat een vrouw ‘een beetje’ zwanger is,” chagrijnt een Italiaanse journalist. De term is inderdaad een eufemisme voor het grote aantal verhalen waaruit ter illustratie van de slechte Italiaanse mediastatus kan worden geput.

Het FHR stelt dat Italiaanse journalisten in toenemende mate worden geïntimideerd met rechtszaken en lasterwetten en signaleert een stijging van het aantal fysieke bedreigingen aan het adres van journalisten door criminele organisaties en extreem-rechtse groeperingen. Over de bizarre eigendomsverhoudingen in de Italiaanse media meldt het rapport: “De terugkeer van mediamagnaat Berlusconi als premier heeft opnieuw angsten aangewakkerd over de concentratie van staatsmedia en commerciële media onder een enkele leider”.

Journalisten in Italië hebben te maken met stevige machten die grote invloed uitoefenen op de inhoud van journalistieke producten en de inhoud van journalistieke personeelsbestanden. Onderling betichten ze elkaar van slaafse volgzaamheid en gebrek aan solidariteit, terwijl degenen die wel hun nek uitsteken en die ook werkelijk riskeren zoals Roberto Saviano, soms moedeloze artikelen schrijven die spreken over dapperheid als vergeten eigenschap.

Ossigeno, observatorium voor bedreigde journalisten
De van oorsprong Siciliaanse Alberto Spampinato werkt voor de Nationale Italiaanse Pers Federatie (FNSI). Spampinato lanceerde onlangs op het International Journalism Festival in Perugia het ‘Observatorium voor Bedreigde Journalisten’. Zijn betrokkenheid bij het observatorium is evident. Spampinato’s broer Giovanni werkte vanuit Ragusa voor de destijds beroemde krant L’Ora op Palermo ,waarvoor hij tussen 1967 en 1972 onderzoeksjournalistieke artikelen schreef over subversieve, extreem-rechtse groeperingen. Daarna schreef hij niet meer over onverkwikkelijke zaken, want hij was doodgeschoten.

Italië staat nog steeds bol van dergelijke verhalen en er zijn veel bedreigde Italiaanse journalisten. Spampinato: “Het is een heel ernstig probleem en het gaat om veel meer dan de bekende gevallen. De meeste journalisten hebben niet de moed om te vertellen dat ze worden bedreigd. Er zijn verhalen die gevaarlijk zijn om te vertellen, maar vooral omdat weinig journalisten over dergelijke kwesties schrijven. Journalisten zijn onderling niet solidair genoeg om gezamenlijk de plicht van informatieoverdracht te onderschrijven, ook als het gaat om gevaarlijke informatie of berichten waar de uitgever geen prijs op stelt.”

Het Observatorium telt 52 bedreigde journalisten. Spampinato: “Daarnaast bestaan de gevallen van collectieve bedreiging. Dat hebben onder andere de krant La Repubblica en het weekblad Famiglia Cristiana mogen ervaren. En dat zijn de grote titels. De directeur van IlSole24 ontving een kogelbrief na een publicatie over ondernemers in het Siciliaanse Gela die weigerden nog langer ‘pizzo’ – het Siciliaanse woord voor afpersingsgeld – te betalen en die hun afpersers hadden aangeklaagd. De meeste gevallen van bedreiging zijn ook onbekend, omdat die op lokaal nivo blijven hangen. En wij kijken alleen naar de meest ernstige gevallen.”

Gedetailleerd boek
Een van die ernstige gevallen is Lirio Abbate in Palermo, van het landelijke persburo ANSA. Abbate schreef I Complici. De titel vertaalt zich als ‘De Handlangers’. Het uiterst gedetailleerde boek gaat expliciet over de verregaande politieke verweving met de Siciliaanse georganiseerde misdaad. “Tegen Abbate was een aanslag in de maak, de explosieven waren al in zijn auto aangebracht,” zegt Spampinato. Abbate heeft tijdens processen tegen mafiosi bedreigingen tegen zich horen uiten, zoals ook Gomorra schrijver Roberto Saviano en de Napolitaanse misdaadjournaliste Rosaria Capacchione overkwam in het grote Spartacus-proces tegen de camorra-clan van de Casalesi. Ook Capacchione heeft sindsdien bescherming.

Sinds 2002 bestaat de organisatie Articolo 21 ter verdediging van het gelijknamige artikel in de Italiaanse Constitutie dat het pluralisme en de persvrijheid beschermt. De organisatie van journalisten, auteurs, regisseurs en acteurs is opgericht om het artikel uit de Grondwet te verdedigen dat in gevaar is door de mediaconcentratie in de handen van Berlusconi. Articolo 21 richt zich ook ook op verborgen thema’s zoals de echte redenen achter de oorlog in Irak, of de interventie van de Navo in Bosnië.

Intussen groeit de informatie in Italiaanse media steeds tot een soort geünificeerde berichtgeving. De weinige journalistieke onderzoeksbladen zijn het kind van de rekening, en staan steeds zwakker. Want ook het bedrijf Publitalia, de grootste Italiaanse adverteerder, is in handen van Berlusconi. Dus wordt in Italië ook via de advertentiemarkt druk uitgeoefend op journalistieke inhoud.

Carlo Vulpio werkt sinds 20 jaar als verslaggever voor het dagblad Corriere della Sera, maar werd onlangs door de voormalige directeur van zijn ingewikkelde journalistieke onderzoeken afgehaald. Vulpio: “Ik schreef artikelen over gevoelige kwesties. Dat is nooit een rustig karwei geweest, maar de verhouding tussen pers en vrijheid staat de laatste jaren op het spel. Zonder enige motivering ben ik van mijn onderwerp afgehaald. Als in een totalitair land mag ik me niet meer met mijn eigen onderzoek bemoeien! Mijn laatste artikel waarin ik een serie namen uit mijn onderzoeken noem, stond op 3 december 2008 in de krant. Wij journalisten worden zo gedwongen om boeken te publiceren, omdat de kranten niet publiceren wat evident is.”

Vulpio schreef het boek Roba Nostra over zijn journalistieke onderzoeken, maar het boek is in de pers praktisch doodgezwegen, alhoewel hij er de belangrijke Italiaanse prijs Premio Livatino voor ontving.

Een dergelijke persstilte overkwam ook de bekende Italiaanse journalist Marco Travaglio die nota bene pas in Duitsland een prestigieuze prijs voor de persvrijheid kreeg van het Deutscher Journalisten Verband. Nergens in de Italiaanse officiële media is er iets over te vinden. Travaglio kreeg de prijs omdat hij “op zeer vasthoudende wijze beschrijft en onthult hoe de Italiaanse politiek, en niet in de laatste plaats Berlusconi, de media beinvloedt. Zijn kritiek heeft ook ten doel zijn Italiaanse collega’s aan te moedigen geen zelfcensuur te plegen.”

Cementbedrijven
In Italië bestaan geen ‘pure’ uitgevers, die het uitgeven als hun core-business zien. Daardoor is het onwaarschijnlijk dat de Romeinse krant Il Messaggero (eigendom van bouwondernemer Caltagirone) onderzoeken publiceert over te dure huizen, of speculatie in de bouw. Dagblad La Stampa (eigendom van Fiat) zal geen negatieve verhalen schrijven over de automarkt. In het kleine Umbrië (800.000 inwoners) zijn de twee belangrijkste kranten in handen van twee cementbedrijven. Dus wordt er weinig afgedrukt over de afgravingen en de milieurampen die die werkzaamheden veroorzaken.

Spampinato: “De publieke financiering van kranten loopt steeds hoger op. Binnen een jaar hopen we voldoende documentatie bij elkaar te hebben om met een rapport te komen dat duidelijk zal maken dat veel belangrijke berichten niet worden gepubliceerd. En dat wat de bazen niet uitkomt niet wordt gedrukt.”

Argumenten voor bazen zijn ook de wetsveranderingen die met een rotvaart, op het ritme van de democratische meerderheid, worden doorgevoerd. Deze week stemt de Italiaanse Kamer over een bepaling dat journalisten niet over gerechtelijke onderzoeken mogen publiceren voordat er een publieke rechtszitting is geweest, of een proces aan zijn laatste loodjes is gekomen. Dat gaat ook over het publiceren van getapte telefoongesprekken, wat zwaar verboden wordt. Het betekent dat er dus niet geschreven kan worden dat iemand gerechtelijk wordt onderzocht, ook niet als het over burgemeesters of personen op andere hoge posities gaat. Doet een journalist dat wel, dan kan daar drie jaar gevangenisstraf op staan. De boetes voor de uitgevers kunnen, als een krant een oplage verkoop heeft van 10.000, bij overtreding neerkomen op 300.000 euro. Maar als de krant een veel hogere oplage heeft kan ook het bedrag enorm veel hoger uitvallen.

Journalist Pino Maniaci van het kleine lokale televisiestation Telejato in Partinico, iets ten zuidwesten van Palermo, werd in zijn auto, middenin een drukke verkeersopstopping, aangevallen en mishandeld. In die verkeersopstopping heeft “niemand gezien wat er gebeurde. Het woord mafia is eeuwig, maar in de feiten ontbreekt het. Wie gelooft dat de mafia is verzwakt maakt een grote fout. De politiek en de mafia zijn verbonden via een navelstreng,” vertelt Maniaci die het ook aan de stok heeft met de plaatselijke mafiosi omdat hij vertelt wat ze doen, met de plaatselijke industriëlen, omdat een fabriek “midden in het bewoonde centrum!” wordt heropend en met de Siciliaanse journalistenvakbond, die een aanklacht tegen Maniaci ondersteunde omdat hij zonder perskaart werkt. Maniaci vreest de in Italië en elders veelbesproken limitering van het internet. “Maar echt, wat me het meest kwaad maakt is dat het volk zwijgt.”

Maniaci krijgt wel steun van de landelijke Journalisten Orde, maar die hulp is niet voor iedereen vanzelfsprekend gebleken, zoals Vulpio en anderen ervaarden, en zoals blijkt uit het lage aantal gevallen dat het Observatorium voor bedreigde journalisten tot nu toe bij elkaar bracht. Daarbij is zelfs niet duidelijk in hoeverre de bonden zelf ‘schone handen’ hebben. Zo riep Abbate onlangs tijdens een ontmoeting waar juist de onderzoeksjournalistiek centraal stond: “Journalisten die zijn verbonden met de mafia moeten uit de orde worden gezet!”

Journalist Vulpio heeft zich inmiddels aangesloten bij de ‘Italië van Waarden’ partij van Di Pietro, ex-magistraat, eerst beroemd door zijn ‘Schone Handen’ processen in Milaan tegen de corruptie, en daarna nog bekender omdat hij midden in een rechtszitting met een theatraal gebaar zijn toga afwierp, ter plaatse de magistratuur verliet en de politiek in ging. Vulpio’s keuze de politiek in te gaan “is om uit de schaduwhoek te komen, en het is ook legitieme verdediging. Het is een poging om weer enige greep te krijgen op het publieke leven in dit land.”

Al 4 reacties — discussieer mee!