609-witDerde reactie op de debatbijdrage “Wordt kunstkritiek een zorg van de overheid?”

Nut en noodzaak van recensies en kritieken waren zo vanzelfsprekend als water dat uit de kraan stroomt, maar volgens Hans Beerekamp is daar ‘sinds enige tijd’ de klad in gekomen. Hij vindt dat jammer, want een recensie van een onafhankelijke criticus zou in tijden van ‘marketingproza van onbekende herkomst’ een prachtige tegenhanger bieden.

Maar die onafhankelijkheid, normaal gesproken de sterkste troef van de criticus, is aan verval onderhevig. Het gezag van de criticus ligt zelfs onder vuur. Ik denk dat Beerekamp daar gelijk in heeft, maar deel niet de redenen die hij voor die ontwikkeling aangeeft. De cultuurconsument heeft geleerd dat ‘zijn eigen oordeel het enige is wat telt’, de mening van de deskundige wordt gereduceerd tot een van vele.

Zou het? De consument, of de burger, laat zich niet zomaar meer de les lezen, maar dat biedt meer voordelen dan Beerekamp vermoedt. In Limburg en Brabant heeft ‘meneer pastoor’ al decennia niet meer het laatste woord en in Iran heeft de digitale revolutie de ayatollahs voor een verrassing geplaatst.

In tranen
De cultuurconsument houdt niet meer van paternalistische praatjes, maar vertrouwt nog wel degelijk op het oordeel van de criticus. Mits de criticus een zekere mate van onbevangenheid en zelfrelativering weet te behouden, anders is het gedaan met zijn gezag, en terecht. In het meest extreme geval besluit de criticus zelf zijn taak neer te leggen. Muziekrecensent Bas van Putten vertelde me eens dat hij precies wist waarom hij ooit met recenseren was opgehouden en waarom. ‘Met mijn vrouw woonde ik een concert bij in Het Concertgebouw in Amsterdam: de achtste van Brückner, onder leiding van Sergiu Celibidache, een van mijn favoriete dirigenten. Ik heb anderhalf uur in tranen gezeten en wist niet wat ik mijn lezers anders kon vertellen dan dat het ontzettend jammer voor ze was dat ze hier niet bij waren geweest. De dag erop besloot ik bij Het Parool te vertrekken.’

Van Putten beschouwt recenseren inmiddels als een ‘immorele bezigheid.’ Zijn argumentatie: ‘Een orkest of een solist heeft maandenlang aan een uitvoering gewerkt en staat vervolgens met een symfonie van Beethoven of een Sonate van Mozart op het podium voor het blok. Intussen zit er op rij vijftien iemand die er een stukje van driehonderdvijftig woorden over schrijft. Er is een te grote discrepantie tussen de inspanning die de musicus pleegt en die van de recensent. Ook moest ik vaak vaststellen, als ik zo’n uitvoering op plaat terughoorde, dat ik mijn mening van destijds bij moest stellen.’

‘Geinige stukkies’
Het betoog van Beerekamp gaat van de kunstrecensies naar de televisiekritiek. Voor recensenten die zich willen inspannen, die doorwrocht werk en een historisch perspectief willen bieden en een diepte-analyse willen maken is geen plaats meer. Specialisten zijn te duur geworden, het beoordelen van (nieuw) talent wordt aan andere, minder onafhankelijke, partijen overgelaten. Dat is een groot gemis. As ik naar de televisierecensies in (kwaliteits) kranten en opiniebladen kijk zie ik de laaste jaren vooral ‘geinige stukkies’, geschreven door journalisten die de recensie gebruiken als een persoonlijke column en niet uitblinken in kennis van het medium. Begrijpelijk, vooral de goed geschreven stukjes zijn een weerkerend plezier, maar het is schadelijk voor het debat en de volwassen discussie die je over televisie wil voeren. Talkshows in internationaal- en in historisch perspectief plaatsen gebeurt niet meer, analyses over entertainment en documentaires lijden aan hetzelfde euvel. Een stuk waarin met redenen omkleed wordt aangegeven waarom het camerawerk subliem of afzichtelijk was, lees ik nergens. Of dat je aan een reportage af kunt lezen dat er maar vier draaidagen voor gepland waren. Zelfs een uitgebreide ontleding van succesvolle Amerikaanse comedy’s, als er al ruimte voor is, blijft steken in gemeenplaatsen.

‘Krantenprofessor’ Piet Bakker vroeg zich af waarom DAF, Roda JC en ABN/Amro wel staatssteun kregen en kranten niet. Een overheid die het televisie-aanbod serieus neemt, een sector waarin honderden miljoenen omgaan, zou ook kritiek op dat belangrijke medium serieus moeten nemen. Enig probleem: wie is bereid als recensent in overheidsdienst te treden? Zouden dat de onafhankelijkste types zijn?

Nog geen reactie — begin de discussie!