609-zwartDemocratisering van de kunsten maakt dat nut en noodzaak van recensies en kritieken niet meer vanzelf spreken. Kranten hebben het bovendien zwaar. Moeten de expertise en het oordeel van critici beschermd gaan worden?

Het duurt altijd even voordat een nieuwe, vaak voor licht en soms voor gevaarlijk versleten vorm van cultuur zich een plek weet te bevechten in het bastion der kunsten. Popmuziek en cabaret zijn net binnen, film al wat langer, maar het protestants-christelijke dagblad Trouw publiceerde pas in de jaren zestig voor het eerst reguliere filmkritieken. Zelfs toneel en opera hebben zich ooit moeten emanciperen van volksvermaak tot pijler van de canonieke cultuur. Voor de jongste vormen van cultuur, internet-uitingen en videogames, moet het gevecht nog vrijwel beginnen; er moet eerst nog bewezen worden dat ze tere zielen niet per definitie beschadigen.

Wat betreft televisie valt de naderende voltooiing van de emancipatie net samen met de culminatie van een tegengestelde beweging, die alle kunsten gelijkelijk lijkt te treffen: de democratisering van de smaak, die elke gezaghebbende beoordeling bij voorbaat verdacht maakt. Nut en noodzaak van recensies en kritieken (ik gebruik beide termen voor het gemak als synoniemen) spreken sinds enige tijd niet meer vanzelf, maar vereisen kennelijk expliciete rechtvaardiging.

Oordeel en context
Eerst dan maar een definitie. Een recensie is een beschouwing over een culturele uiting, geschreven door een auteur die zowel bij zijn lezers als in het forum van de tak van cultuur die hij overziet, over gezag beschikt. Dat gezag heeft hij langzaam weten te verwerven door wat hij eerder schreef, maar ook door de waarde die de lezer hecht aan het medium waarin hij publiceert. De recensie onderscheidt zich van andere beschouwingen door de aanwezigheid van een beargumenteerd oordeel en het plaatsen van de uiting in een bredere culturele en maatschappelijke context.

Grofweg dient een recensie twee doelen. Het eerste is een vorm van consumentenvoorlichting. Welk boek moet ik lezen, welke voorstelling bezoeken en welk televisieprogramma alsnog zien in te halen? De smaak van de recensent hoeft niet samen te vallen met die van zijn lezer, als de laatste maar wel weet hoe hij zich tot de vooroordelen en eigenaardigheden, elke recensent eigen, verhoudt. Daarom is het van belang dat de criticus zich kenbaar maakt als meneer of mevrouw met een bepaalde oriëntatie, ook in al zijn subjectiviteit. Objectieve kritieken bestaan niet, en zouden ook vrij zinloos zijn.

De tweede functie is lastiger te realiseren, en past ook meer bij het woord criticus dan recensent, om voor één keer die nuance wel aan te brengen. Die functie is het duiden van het besproken werk in het licht van de historische traditie, de ideologische lading, de ontwikkeling van de betreffende cultuurvorm, de maatschappelijke betekenis en al het andere dat er niet alleen komend weekeinde toe doet. Die aspecten van de kritiek moeten ervoor zorgen dat ook over vijftig jaar iemand nog wat kan hebben aan het oordeel en de duiding in die recensie. Uiteraard hangt het mede van de aard van het medium af welk van beide as-pecten de meeste aandacht zal krijgen. Een gespecialiseerd tijdschrift zal aan het ene uiteinde van het spectrum staan, een huis-aan-huisblad aan het andere. In alle gevallen is de strikte onafhankelijkheid van de recensent iets waar de lezer blind op moet kunnen vertrouwen.

Die onafhankelijkheid van de criticus zou juist in een tijd waarin marketingproza van onbekende herkomst steeds lastiger als zodanig te herkennen valt, zijn sterkste troef moeten zijn. Het omgekeerde doet zich voor. Het is juist het gezag van de criticus dat onder vuur staat.

Deskundigheid is luxe
Voor die ontwikkeling zijn vele redenen aan te voeren. De eerste is de emancipatie van de cultuurconsument. Omdat die heeft geleerd dat zijn eigen oordeel het enige is wat telt, verliest hij belangstelling in het gezag van een deskundige. Dat is immers ook maar een mening. Een verwant fenomeen is het wantrouwen jegens de culturele elite, de grachtengordel, de oude media of wat voor andere scheldwoorden er ook zijn bedacht voor de behoeders van de tot voor kort dominante cultuur. De derde, eveneens verwante oorzaak is het heilige geloof in kwantitatief succes als maat van kwaliteit: aantallen verkochte exemplaren, stemmen op internet of kijk- en bezoekcijfers. Omdat de dominante cultuur onzeker is geworden over zijn bestaansrecht, wordt ook daar het marktsucces als doorslaggevend argument gehanteerd, omdat niemand cijfers betwisten kan.

Tot voor kort speelden recensies een belangrijke rol in het forum. Of een filmer subsidie kreeg voor een volgend project of een uitgever voor de vertaling van een boek, was mede afhankelijk van de vraag of het vorige werk ‘een goede pers’ had gekregen. Dat aspect verliest snel terrein naarmate de markt meer invloed heeft op wat wel of niet de moeite waard was.

Alsof dit nog niet genoeg ellende was voor die cultuurdragers die weigeren zich op de grootste gemene deler te richten, diende zich ook nog eens een crisis aan in de dag- en weekbladpers die van oudsher het belangrijkste podium vormde voor recensenten. Omdat er meer economische druk staat op de redacties, verdwijnen de specialisten langzaam, om plaats te maken voor algemene verslaggevers, die flexibel inzetbaar zijn. Nu elke dagbladredacteur meerdere platforms moet bedienen, is de aanwezigheid van gespecialiseerde, grotendeels recenserende redacteuren, die ook buiten hun eigen krant gezag en deskundigheid uitstraalden, een luxe geworden. Bovendien: waarom zou je als krant je die luxe willen permitteren, als de nieuwe generatie lezers toch meer geïnteresseerd is in interviews, reportages en human interest dan in doorwrochte recensies van een nieuw meesterwerk uit Tadzjikistan of een experimentele dichtbundel?

Bescherming
De markt heeft gesproken, de markt heeft altijd gelijk. Maar er blijft wel een probleem over voor instanties die een cultureel beleid moeten voeren. Waar dienen ze nieuw talent op te selecteren, op welke gronden subsidies toe te kennen, als alleen het koffiedik van een marketingexpert de maatstaf wordt? De enige Nederlandse kunsten die er dan internationaal nog toe zullen doen zijn de toegepaste, voorzover die zich weten te onderscheiden van wat elders ook gebeurt. Poëzie en conceptuele kunst, eigentijdse muziek en vernieuwende dans kunnen het vergeten. Daar is meestal weinig vraag naar. De expertise en het oordeel van critici moeten door de overheid beschermd gaan worden, in nationale sectorinstituten voor bijvoorbeeld theater, architectuur en film. Die moeten de recensenten in leven gaan houden en zorgen dat hun oordelen gepubliceerd worden, gevraagd of ongevraagd, en tegelijkertijd hun onafhankelijkheid waarborgen. Zover is het nog niet, maar heel lang kan er niet meer gewacht worden voordat de overheid deze transformatie energiek ter hand zal moeten nemen.

Terug naar de televisiekritiek. Moet die ook georganiseerd gaan worden door het Instituut voor Beeld en Geluid of het Mediafonds? Heel misschien, maar de situatie is ingewikkelder, omdat televisierecensies in een andere traditie staan dan die van de meeste kunsten. Publieke omroep was en is in Nederland een verzuilde aangelegenheid. Tot diep in de jaren zeventig waren de televisierecensies dat ook, in veel sterkere mate dan bij de traditionele kunsten. Nagenoeg iedereen zag dezelfde programma’s. Een lezer van een katholiek dagblad wilde de volgende dag weten of hij wel had mogen lachen om een VARA-programma, en welke kanttekeningen daarbij geplaatst dienden te worden. Er waren uitzonderingen, maar de meeste recensenten waren vooral gatekeepers van de eigen zuil.

Grazen uit vele ruiven
Met de toename van het aantal zenders en de maatschappelijke ontzuiling, verdween in de jaren tachtig ook de televisierecensent grotendeels uit de dagbladen. Pas in de jaren negentig keerde die terug en begon meer te lijken op de onafhankelijke, individualistische kunstcriticus. Maar ook hij begon steeds meer te twijfelen aan zijn gezag, toen de publieke omroep zich nadrukkelijk op kijkcijfers ging richten. Had het nog wel zin om te schrijven over een na middernacht uitgezonden belangwekkend experiment waar slechts 20.000 mensen naar keken? Moest niet bij elk programma per definitie het kijkcijfer worden vermeld? En waarom zou je televisie meer aandacht geven dan internet, om over de radio nog maar te zwijgen? Sinds 1 januari 2009 schrijf ik in NRC Handelsblad dagelijks de rubriek Zapkliklees, die zich een mediacolumn noemt en die de plaats heeft ingenomen van de televisierecensie. Het idee is om niet meer systematisch het televisieaanbod te volgen, maar te grazen uit vele ruiven, flierefluitend door het multimediale landschap. Ik merk dat minimaal drie van de vijf stukken per week toch weer voornamelijk over traditionele televisiezenders gaan. Dat blijft namelijk ook voor de ontzuilde kijker meer het gesprek van de dag dan wat hij de vorige avond op GeenStijl heeft gelezen of online bij The New York Times heeft gezien. Nog steeds spiegelt deze ‘mediacolumn’ de inhoud van televisie aan de tijdgeest, hopelijk vanuit een niet-verzuild of niet politiek gekleurd gezichtspunt. Maar voor televisierecensies, die dramaseries tot op het bot analyseren, die een vergelijking trekken tussen de vormgeving van Bob Rooijens en die van de huidige grote shows, die documentaire auteurs in binnen- en buitenland met elkaar vergelijken, daar is meer voor nodig dan die dagelijkse 425 woorden. Zie dat maar als een uitnodiging aan politici en beleidsambtenaren, die niet menen dat met het marktleiderschap van Nederland 1 de Publieke Omroep zijn vervolmaking heeft bereikt.

Dit artikel verschijnt eveneens in het kwartaalblad 609 van het Mediafonds

Al één reactie — discussieer mee!