609-witReactie op het artikel Feest voor het oor – Renaissance voor de radio, van Hans Maarten van den Brink, directeur van het Mediafonds en de artikelen van Geert Lovink en Jan Donkers.

Wat valt me op aan de bijdragen van Hans Maarten van den Brink, Geert Lovink en Jan Donkers? De auteurs. Ze zijn man, blank, en vijftig jaar of ouder. Opgegroeid toen een radio twee draaiknoppen had en een afstemschaal, waarop je al draaiend aan de knop met je oren kon reizen naar exotische oorden als Beromünster en Droitwich. Zo’n man ben ik ook en ik herken het wel: de tijd hoeft niet per se teruggedraaid, maar een bezorgd soort nostalgie sijpelt desondanks tussen de naden van de betogen door. Is daar reden voor? Welnee. Moet er desondanks wat gebeuren? Jazeker.

Radio zit tussen de oren

Broadcasting. Rundfunk. Over de grens heeft het een toch nét wat passender naam dan ons ietwat droge radio(omroep). Van oorsprong was radio immers een medium dat natuurwetenschappelijk gezien nogal grofstoffelijk, letterlijk knetterende boodschappen uitstrooide over brede massa’s. Alles was er groot aan: een zendstation had een machinekamer, de zendmast was een monumentale toren, golflengtes mat je in hectometers, zendvermogens in kilowatts, en het publiek was de massa, bestaande uit volksdelen. Ongegeneerd en zelfbewust sprak het medium die massa toe, want er moest een boodschap overgebracht worden: de emancipatie van het ene volksdeel, de ontwikkeling van een ander.

Inmiddels geëmancipeerd en ontwikkeld, zijn die volksdelen vervluchtigd. En technisch zijn we ook verder. De electromagnetische vonk van 298 meter door de aether is een minuscuul lichtflitsje door een glasvezel geworden: er is zojuist een Nobelprijs voor toegekend. The times they didn’t stop changin’.

De vluchtigheid voorbij

Die ontwikkeling heeft tot een onverwachte conclusie geleid: hoe kleiner de Funk(en), hoe broader de cast. Nog nooit in de geschiedenis heeft de radio zo’n groot potentieel bereik gehad. Alles wat je horen wilt, kún je ook horen, zoals programma’s met Appelachian polka’s, gemaakt in een studio in Utrecht.

En het gaat nog verder: radio is definitief de vluchtigheid voorbij. Niet alleen vanwege de moderne podcasts. Je kan moeiteloos terug in de tijd. Wilt u weten wat president Roosevelt zijn volk vertelde over de bankencrisis in een fireside chat in 1933? Dat kan, geen probleem.

De radio van ons babyboomers is er niet meer. Geen groen oog, geen afstemschaal. Geen Beromünster of Droitwich om van te dromen. Hoewel? Beromünster is in december 2008 gesloten, maar je kan de zender nog steeds de moord op president Kennedy horen melden.

Radio in klassieke zin is er ook nog steeds. Fiets eens over de lange golf: documentaires over de oersoep en politiek bij de Deutschlandfunk, Alain Finkelkraut die het in een fel debat opneemt voor Polanski op Europe-1. En John Humphrys en Sara Montague maken beleefd gehakt van ministers op BBC Radio 4. Op de zender Droitwich, inderdaad.

Radio is drie vingerbewegingen ver

Het is er dus allemaal nog en er komt steeds meer bij. Natuurlijk vooral op internet. Via een draadje. Maar ook dat is al geen probleem meer. Met elke I-pod is streaming radio waar ook ter wereld drie vingerbewegingen ver. Radio is terug in de jaszak, smaller, met een beter geluid, en een stuk sexier dan welke transistor ook.

Niets aan de hand, dus en tóch moet er wat gebeuren. Want één belangijk sociaal aspect van radio is vrijwel verdwenen: de gedeelde ervaring. Die lees je ook terug in de bijdragen van Donkers, Lovink en Van den Brink. Katholieke kindertjes hoorden ’s ochtends het Socialistisch Strijdlied en arbeiderskinderen om 12 uur het Angelus: over en weer nam je -noodgedwongen- kennis van wat elders leefde. Zoals de radioexperimenten uit de jaren zeventig: er was namelijk niet veel keuze (en ’s avonds kon je Veronica niet ontvangen..). Dat is ingrijpend veranderd. Hoewel er steeds meer radio is, lijkt de kans om nieuw publiek te bereiken steeds geringer. De maatschappij is gesegmenteerd, is een I-samenleving geworden. Daar kan je je wel of geen zorgen over maken en ik maak me die wél.

Traditionele radio gaat er niets meer aan verbeteren. Publieke media leunen toenemend op een ouder publiek. Zelfs veel studenten journalistiek hebben geen televisie meer, laat staan een radio. Een antwoord moet komen van een onbevangen oog voor de werkelijkheid.

Te denken valt in ieder geval aan facilitering, bijvoorbeeld in de vorm van een gedegen, goed georganiseerd en herkenbaar portal op internet waarvan de bezoeker zeker weet dat elke link de moeite waard kan zijn.

Aan de productiekant is het de vraag of daar nog een rol voor traditionele omroepen moet zijn. Met misschien een uitzondering voor nieuws en actualiteiten, is er met de nieuwe mogelijkheden geen reden meer om de aanlevering van programma’s te beperken tot dergelijke organisaties. Wie een goed plan heeft zou voor middelen terecht moeten kunnen bij een algemene pot. Met een goed financieringsmodel is gerichte stimulering mogelijk en kan het publieke bestel op een nieuwe manier zijn maatschappelijke rol versterken. Letterlijk van iedereen en voor iedereen.

Goede, gestructureerde plannen zijn hard nodig, en het moment om in te grijpen is nu. Radio in moderne zin kan een belangrijke rol spelen bij de maatschappelijke communicatie: weten wat er elders leeft, horen wat er nog meer te koop is. Het zoeken van de gepaste vorm is een uitdaging voor komende generaties radiomakers. Het gaat erom ze de mogelijkheden te bieden. Alleen als we daar een oplossing voor vinden blijft radio terecht komen waar hij hoort: tussen de oren.

Nog geen reactie — begin de discussie!