sjors en sjimmie als journalistenGevestigde mediaredacties krijgen met moeite een kleurtje op de vloer. Schrikt de kritische en journalistiek scherpe bedrijfscultuur allochtone talenten af? Stomen kweekvijvers hen wel voldoende klaar voor het harde Hilversum?

Lelieblanke, homogene bolwerken waar een hoofddoekje een novum is. Zo staan veel mediaredacties te boek en eerlijk is eerlijk: zo zien veel redacties in Nederland er ook uit. Ze zijn geen afspiegeling van het multiculturele Nederland en dat is jammer, want bepaalde onderwerpen en invalshoeken die zeker relevant zijn blijven on- of onderbelicht. Ik heb als een van die roomblanke journalisten op veel van die redacties gewerkt en keek er een paar maanden terug daarom naar uit werk te gaan doen voor MTNL, een televisieproductiehuis waar redacteuren met hoofddoekjes heel normaal zijn. Een bedrijf waar ik ineens een minderheid was.

Liever harmonisch en gezellig
Binnen een maand bleek samenwerking onmogelijk vanwege mijn vermeende ‘interculturele incompetentie’. Op momenten dat ik meende mij van een journalistiek scherpe kant te laten zien, bleken collega-redacteuren dit persoonlijk te hebben opgevat. Communiceerde of werkte ik anders dan ik gewend was bij de NOS, het AD of Trouw? Nee. Maar daar was een kritische debatcultuur gangbaar. Bij mijn nieuwe multiculturele collega’s bleek directheid en journalistieke kritiek gevoelig en hield men de sfeer liever harmonisch en gezellig. Wat betekent dit als alle nu nog blanke en homogeen samengestelde redacties over een paar jaar totaal multicultureel zijn? Verliezen we journalistieke scherpte ten gunste van de harmonie?

Wat houdt dat eigenlijk in, ‘interculturele competentie’? Wasif Shadid is hoogleraar interculturele communicatie aan de Universiteit van Tilburg en begint met zeggen dat hij niet gelooft in het generaliseren van volksaarden en culturen. Turken communiceren bijvoorbeeld niet anders dan Nederlanders, stelt hij. Wel zijn er ‘groepsgebonden communicatiestijlen’. “De directe versus de indirecte stijl”, illustreert hij. “Of de uitgebreide versus de beperkte stijl. De persoonlijke versus de contextuele en de instrumentele tegenover de affectieve stijl. Deze stijlen kun je niet aan landen toeschrijven. Nederlanders mogen bijvoorbeeld bekend staan om hun directheid, je hebt ook Nederlanders die niet assertief zijn. Hetzelfde geldt voor Turken, Marokkanen en Indonesiërs.”

Wanneer is communicatie dan ‘intercultureel’? Shadid: “Een gesprek wordt intercultureel wanneer een van de communicatiepartners zich op iets beroept waarvan hij meent dat het aan een groep toebehoort. Als u met uw vrouw praat en zij begint ineens over ‘wij vrouwen…’, dan wordt het gesprek intercultureel. Twee blanke mensen kunnen elkaar dus ook culturaliseren. Maxima heeft volgens de buitenwereld een zonde begaan door te zeggen ‘De Nederlander bestaat niet’. Maar kun je bijvoorbeeld zeggen dat de Nederlander van zijn privacy houdt? Aan de ene kant moet je hier in de rij voor een treinkaartje achter een streep wachten, maar diezelfde persoon die dat op prijs stelt trekt op de televisie zijn kleren uit en zet zijn hele seksleven uiteen. Je vindt eigenlijk alles in een samenleving. Het gevaar is dat je gaat generaliseren.”

En juist als een van de partijen gaat generaliseren, wordt communicatie intercultureel. “Zo bestaat de kans dat jouw MTNL-collega’s over jou hebben gedacht: daar heb je weer zo’n blanke wijsneus”, zegt Shadid. “Niet zozeer kennis van culturen en achtergronden maar juist de beeldvorming is bij communicatie cruciaal.”

Diplomatiek geleuter
Volgens Carmelita Serkei van MiraMedia,een organisatie die zich inzet voor culturele diversiteit in de media, hebben bevolkingsgroepen wel degelijk verschillende communicatiestijlen. “Fransen, Turken en Spanjaarden bouwen een verhaal bijvoorbeeld anders op dan Nederlanders: ze nemen een lange aanloop. Wij ervaren dat als diplomatiek geleuter dat niet over de zaak gaat, terwijl de Nederlandse vorm wereldwijd als offensief wordt ervaren. Wij kunnen een persoonlijke klik goed scheiden van de zaak. Andere culturen hebben dat minder, vermijden conflicten en hanteren een harmoniemodel.”

Wat betekent dit voor de praktijk? Moeten we rekening houden met al die gevoeligheden? Een beetje kan geen kwaad, vindt Serkei, maar we moeten niet doorslaan. “Slikken en niet boos worden, hoort bij je professionele bagage”, zegt ze. “Het helpt als je mensen van te voren duidelijk maakt dat je kritiek niet persoonlijk is.”

In sommige landen is het vermijden van gezichtsverlies ook erg belangrijk, weten Shadid en Serkei. Mensen in het openbaar met het negatieve te confronteren kan erg gevoelig liggen. “Zo meende jij bij MTNL misschien een professionele opmerking te hebben gemaakt, terwijl je collega dacht: als hij mij respecteerde, zou hij mij dat persoonlijk hebben gezegd”, denkt Carmelita Serkei. “Immigranten zijn gevoeliger voor disrespect, ook al is het niet zo bedoeld.”

Iedere organisatie doet er goed aan te reflecteren op de heersende bedrijfscultuur, stelt Serkei. Doet de cultuur iedereen recht? Komen we daarmee tot het beste programma of de beste krant? Ze schetst het dilemma: “In een gesloten, assertieve en uiterst kritische redactiecultuur kan een verlegen allochtone jonge journaliste totaal niet uit de verf komen. Ondertussen komen ervaren journalisten de Vogelaar-wijken niet meer in.”

Niet te dominant
Frans Jennekens is diversiteitsmanager bij de NPS. Op zijn redactie werken allochtone vrouwen die zich vrij hebben moeten vechten uit hun gezinssituatie. Jennekens: “Bij hen doe je er goed aan te zorgen dat je niet te dominant overkomt. Een autoritaire houding werkt niet, dat hebben ze net twintig jaar meegemaakt.” Een confronterende en assertieve redactiecultuur kan tegen je werken, stelt ook hij. “Kun je je wel ontwikkelen als jonge talentvolle journalist binnen een kritische afreken-cultuur, vaak heersend op krantenredacties, waar oude rotten meestal wel weten hoe het in elkaar steekt? Ik ken allochtone en autochtone journalisten die daar niet tegen konden. Het goede aan MTNL is dat jonge mensen in een minder journalistieke omgeving een kans krijgen zich te ontplooien.”

Toch kan ook zo’n redactie een in zichzelf gekeerd, gesloten bolwerk worden, nuanceert Carmelita Serkei. “MTNL is de laatste jaren bezig journalistieke professionaliteit op te bouwen maar is er nog niet”, zegt ze. “Als jij als nieuweling daar meer verstand hebt van journalistiek dan de eindredacteur, wordt dat waarschijnlijk niet als prettig ervaren. Ze vinden misschien dat je met kritiek de gezelligheid komt verstoren. Iets soortgelijks maken etnische professionals mee op redacties in Hilversum, die ook vaak bestaan uit gezelligheidsclubjes waar ze buitenbeetjes met een andere achtergrond lastig vinden. Het heeft meer met bedrijfs- en redactieculturen dan met etnische verschillen te maken.”

Hoe het ook zij: het is niet goed voor de kwaliteit van programma’s, stelt ze kritisch. “MTNL zou veel spraakmakender kunnen zijn.” Elkaar niet kritisch en scherp bevragen, werkt niet bij een mediabedrijf. Op de redacties van Frans Jennekens zijn vaak heftige discussies. “In het begin mag het botsen”, zegt hij. “Uiteindelijk staat de deadline en moet er worden geleverd. Het gaat om het programma. Als mensen steken laten vallen, ongeacht hun achtergrond, worden ze daar op aangesproken.”

Hij betwijfelt of redacteuren van MTNL voldoende worden klaargestoomd voor Hilversum. Jennekens: “MTNL is vooral een kweekvijver en een opleidingsinstituut om talent te ontwikkelen. Qua werkklimaat is het gat nog te groot met het harde werkklimaat van Hilversum. Het harmoniemodel is leuk aan het begin van het creatieve proces. Op een gegeven moment moeten er keuzes worden gemaakt en dat is nooit een harmonisch proces. Verschillen van mening zijn oké, maar uiteindelijk moet er één programma komen en is er maar één de baas.”

Al 6 reacties — discussieer mee!