oogkaartAls het gaat om voorspellingen die met technologie te maken hebben, lijden we vaak aan een collectieve bijziendheid: we hebben de neiging om te overschatten wat er op korte termijn zal gebeuren, terwijl we onderschatten wat er op de lange termijn allemaal verandert. Vijf jaar geleden kende niemand YouTube of Hyves, nu kunnen velen niet meer zonder. Het gesprek over de toekomst van de krant is daarmee volstrekt nutteloos. In het kort: over vijf of tien jaar zal er heus nog wel hier en daar een dagblad verschijnen: wat sterk geconcentreerde regionale titels, een enkele dure landelijke kwaliteitskrant, een tweetal gratis bladen op tabloidformaat. Over dertig tot veertig jaar zijn deze allemaal verdwenen.

Niets van dit alles heeft te maken met de kwaliteit van het nieuws, de dwang van de markt, of de alsmaar voortrazende technologie. Als dit wel zo zou zijn, is de toekomst van de krant belachelijk simpel: investeer in nieuwe genres en goede beroepsopleidingen, werk samen met commerciële partners en marktonderzoekers om een aantrekkelijk product aan te bieden, investeer in digitale toepassingen en internet. Oeps. Laat dat nou precies zijn wat uitgevers de laatste tien tot twintig jaar gedaan hebben.

Zonder enig gevolg.

Wat achter de geleidelijke teloorgang van de krant schuilt is een veranderende manier van samen leven. Het is inmiddels bijna een cliché: we leven een digitaal leven, ondergedompeld in media, zijn altijd en overal bereikbaar. Ons mediagebruik – en vooral dat van jongeren – schuift langzaam maar zeker op naar apparaten en functies, die met elkaar gemeen hebben dat ze draagbaar, draadloos, convergent en genetwerkt zijn: het beste voorbeeld daarvan is wel de eigentijdse mobiele telefoon, waarbij activiteiten als bellen, mailen, chatten, websurfen, fotograferen, televisiekijken en (alleen of samen met anderen) spelletjes spelen volledig door elkaar heen lopen. Het leven is vergeven van al dan niet nieuwe media, welke media steeds dieper doordringen in ons bestaan, variërend van de apparaten die we elke dag gebruiken, via de wijze waarop we communiceren en alledaagse beslissingen nemen, tot aan de manier waarop we de wereld om ons heen zien en begrijpen. We leven met andere woorden niet meer met media, maar in media.

Gedeelde indentiteit
Aan de ene kant draagt ons leven in media bij aan een gevoel van diepe verbondenheid met anderen. Deze gedeelde identiteit is er echter wel een zonder wortels, dat wil zeggen: zonder noodzakelijke band met een specifieke plaats of tijd. Je kunt je uiterst verbonden voelen met mensen en opvattingen waar dan ook – en die verbondenheid intiem beleven via virtuele gemeenschappen en sociale netwerken. Voorheen was dit een min of meer exclusieve functie van massamedia zoals de krant en het NOS Journaal. Niet voor niets werd de journalistiek wel omschreven als het ‘sociale cement’ van de samenleving. Nu is iedereen in staat om zijn of haar wereldbeeld te delen en vergelijken met een in potentie wereldpubliek.

Aan de andere kant bestaat een leven in media in feite uit een eindeloze reeks hoogstpersoonlijke en gefragmenteerde ervaringen. Al onze technologische apparaten en handelingen zijn er op ingesteld om aangepast te (kunnen) worden aan onze individuele wensen en voorkeuren. Hiermee wordt de ervaring van een leven in media een vorm van ‘samen alleen‘ zijn, waarbij iedereen communiceert en het nog maar de vraag is wie er nog luistert.

Nieuwe organisatie
De krant verdwijnt, omdat het als medium niet past bij een samenleving van samen alleen zijn. Dat wil echter niet zeggen dat de journalistiek als beroep geen aansluiting bij de burger kan vinden. Dat moet alleen gebeuren in een andere vorm, met een nieuwe organisatie, buiten het bereik en de agenda’s van de bestaande instituten die het vak bewaken – en daarmee doel ik met alle respect op de bestaande omroepbedrijven en uitgeverijen.

Wat opvalt bij de studie van nieuwsbedrijven, is dat de meeste journalisten geen zeggenschap hebben of voelen wat betreft de broodnodige creativiteit en innovatie in het vak – terwijl ze tegelijkertijd hun banen (en publiek) zien verdwijnen. Als je met dit vak een salaris wilt verdienen, wacht dan niet (meer) op de enkele teerling, welke je vanuit de gebouwen van Wegener of de Persgroep toegeworpen krijgt. De toekomst ligt bij het zelf organiseren van nieuwe werkvormen en netwerken van journalisten in binnen- en buitenland die alleen of samen werken aan mooie verhalen voor verschillende media. Die toekomst is, met andere woorden, niet noodzakelijkerwijs aan de krant.

Bovenstaande opniebijdrage werd geschreven voor dagblad Trouw en verscheen eerder op de weblog van de auteur.

Al 13 reacties — discussieer mee!