Je als multimediale journalist gedragen is nog niet hetzelfde als een multimediale journalist zijn. Wetenschapper Richard Feynman beschreef in 1974 een fenomeen dat hij ‘cargo cult science’ noemde: een activiteit die uiterlijk op wetenschap lijkt, maar het niet is. Online journalistiek lijdt vaak aan hetzelfde fenomeen.

Het moet een boeiend gezicht zijn geweest. Op veel eilanden in de Stille Oceaan, of zoals die vroeger zo prachtig heette: de Stille Zuidzee, bouwden de oorspronkelijke bewoners ver na afloop van de Tweede Wereldoorlog Amerikaanse namaakgeweren en simuleerden ze het kazerneleven.

Soms werden er complete landingsbanen ingericht. Dat deden deze bewoners van de eilanden uiteraard met een doel. Ze hoopten dat een nauwgezette imitatie van het Amerikaanse militaire leven ervoor zou zorgen dat er weer vrachtvliegtuigen vol westerse goederen zouden landen. Dat gebeurde immers ook toen de Amerikanen er nog rondliepen.

Religieuze bewegingen
Cargo cults, heetten deze religieuze bewegingen ook wel. En ze bestaan niet alleen (nog altijd) in de Stille Oceaan, we kennen ze ook in de wetenschap, en de journalistiek.

Een van de meest briljante wetenschappers van de 20ste eeuw, Richard Feynman, beschreef in een toespraak uit 1974 gedrag dat hij ‘cargo cult science’ noemde. Daaronder verstond Feynman activiteiten van collega’s die in vorm misschien wel wetenschappelijk waren, maar qua innerlijke motivatie niet.

Wetenschappelijk prutswerk
Dat leidde tot wetenschappelijk prutswerk. Feynman noemt collega Millikan, die probeerde te berekenen hoeveel lading een elektron bevat. Millikan zat er iets naast, maar het duurde een tijdje voordat de juiste waarde werd bepaald. Waarom? Omdat andere wetenschappers die met andere, betere resultaten kwamen, concludeerden dat ze wel iets fouts zouden hebben gedaan. Liever imiteerden ze zoveel mogelijk Millikan.

De handelingen verrichten van een wetenschapper maakt je nog niet tot een wetenschapper. Noch zorgt het simuleren van een vliegveld ervoor dat er grote C-17 Globemasters landen vol jeeps en voedsel. Waarom dan zou het imiteren van de gedragingen van een online journalist je een goede online journalist maken?

I Twitter, therefore I am
Ik kom dat misverstand niettemin vaak tegen bij redactionele trainingen die ik geef. Zodra de krant maar een Twitter-pagina heeft, dan is het goed, denken cursisten. Zodra de journalisten van het tv-station maar gaan bloggen, dan blijven de kijkcijfers op peil. Zodra het tijdschrift maar filmpjes leert maken, dan wordt alles beter.

Vervolgens zijn deze media teleurgesteld als Twitter, blogs of online video’s niet gelijk de nieuwe wereld blijken te brengen die men dacht te krijgen. Waarom niet? Ze hebben immers juist zo nauwgezet allerlei bedrijven geïmiteerd die wel succes hebben dankzij online media.

Maar natuurlijk komen er niet vanzelf bezoekers naar een blog, net zomin als er zonder reden grote legervliegtuigen zullen landen op een in de rimboe aangelegd vliegveld.

Twee categorieën
Wie succesvol is met nieuwe media, is dat niet zomaar. Succesverhalen vinden we in twee categorieën bedrijven. De ene categorie bevat de aanbieders van kale online infrastructuur: diensten waar je als consument zelf nog invulling aan moet geven, zoals YouTube, Twitter en Blogger. De tweede categorie biedt kant-en-klare diensten aan via de internetinfrastructuur. Dat kan een winkel zijn als Amazon.com maar ook een journalistieke dienst als Everyblock.com.

Wat bij veel oudmediale journalisten voor verwarring zorgt, is dat zij van oudsher bij bedrijven werkten die in beide categorieën succesvol waren. Een goede krant beschikt immers niet alleen over uitstekende schrijvers, maar ook over een prima distributiesysteem. Dit leidt tot de verwarring dat je met het hebben van een online distributiesysteem zoals een blog al een aardig eind op weg bent om online succesvol te zijn.

Naamgeving
Het verwarren van doel en medium zie je ook terug in de naam die journalisten zich geven. Tuurlijk, sommige journalisten afficheren zich met hun onderwerp, zoals ‘politiek verslaggevers’ of ‘sportjournalisten’. Maar journalisten zijn ook vaak in sterke mate verknocht aan het distributienetwerk waarvan ze gebruik maken. Er is geen gebrek aan vakgenoten dat tv/radio/krant/tijdschrift (doorhalen wat niet van toepassing is) het ‘mooiste medium’ ter wereld vindt.

De realiteit van crossmediale journalistiek is echter dat, paradoxaal genoeg, medium er niet meer toe doet. Via internet zijn immers alle mediamodaliteiten inzetbaar. Dat is even wennen, voor wie gewend was dat medium, en gebruik van dat medium, onontwarbaar met elkaar verknoopt waren.

DAG
Als deze cargo cult-journalisten voor het eerst op internet aan de slag gaan, zijn ze geneigd hun verwarring om te zetten in imitatie. Een goed Nederlands voorbeeld van cargo cult journalism is nog altijd DAG, de gratis krant-en-site. De site zat vol technische toeters en bellen. Waarom? Nou, dat was modern en crossmediaal. Maar vorm volgt functie, niet omgekeerd.

Ook bij Skoeps.nl, de fotografiesite van dezelfde, inmiddels overgenomen en opgesplitste, uitgever als DAG, probeerde men aan te haken door imitatie. User-generated content werkte heel goed bij website Flickr.com, en dus zou het bij Skoeps.nl ook wel slagen. Nee dus.

Meerwaarde
Waarom niet? Zowel bij DAG als bij Skoeps.nl was onvoldoende nagedacht over het doel van al die moderniteiten. Internetgebruikers zijn dol op technische snufjes, maar alleen als ze meerwaarde bieden voor specifiek de beoogde en bereikte doelgroep. Skoeps.nl had een succes kunnen worden als PCM had nagedacht over de reden waarom mensen bij Skoeps zouden willen horen.

Bijvoorbeeld om deel uit te maken van een online gemeenschap waar je waardevolle feedback krijgt van mensen wiens fotografiekennis er toe doe. Me dunkt dat met alle fotografen die PCM in dienst had, dit te doen moet zijn geweest. In de tussentijd groeide de fotosite van Zoom.nl, waar je dergelijke feedback wél krijgt, namelijk flink. Dat wist men bij Skoeps trouwens ook, maar blijkbaar ging er zelfs toen geen lichtje branden.

Doel en middel
Doel (journalistiek bedrijven) en middel worden op internet dus stelselmatig verward, vermoedelijk omdat ze vroeger zo vaak met elkaar waren verknoopt.

Ook in het onderwijs zie je dat terug. Internetjournalistiek wordt weliswaar op veel opleidingen gedoceerd, maar daar nogal eens gezien als een facilitair vak dat studenten technische vaardigheden moet leren. Waar het uitgangspunt natuurlijk zou moeten zijn dat je leert wat journalistiek is, en vervolgens hoe je dat het beste kunt toepassen met de via het web beschikbare mediavormen.

Definiëren
Het zij de opleidingen vergeven. Want net zoals de wetenschap die Feynman bekritiseerde, houdt de journalistiek zich in de dagelijkse praktijk maar weinig bezig met het definiëren van wat de beroepsgroep nu eigenlijk wil bereiken.

Anders gezegd: als in de dagelijkse praktijk doel en middel door elkaar lopen omdat iedereen te druk is met het halen van de eerstvolgende deadline, kun je nauwelijks verwachten dat er goed omlijnde ideeën bestaan waartoe de journalistiek eigenlijk dient. En lopen dus ook online implementaties van die onvoldoende (of in het geheel niet) benoemde doelstellingen bij voorbaat in de soep.

Daar gaan we het over twee weken dus over hebben.

Arjan Dasselaar

Al 4 reacties — discussieer mee!