deathDe Amerikaanse journalistiek mag er bar slecht aan toe zijn, dat biedt juist de kans om de sector drastisch te hervormen, schrijven Robert McChesney en John Nichols in hun nieuwe boek The Death and Life of American Journalism. Nu het commerciële model zijn einde nadert, moet de journalistiek herrijzen als een non-profitsector die overeind wordt gehouden met overheidssubsidies.

Onmogelijk in een land als Amerika? Helemaal niet, volgens deze veteranen. Het meest opmerkelijke van hun voorstel is dat het voortborduurt op de Amerikaanse geschiedenis. De laatste dertig jaar, waarin media-ondernemingen het nieuws beschouwen als een product waarop winst moet worden gemaakt, is juist een uitzondering die de huidige crisis heeft ingeluid, zeggen ze.

“Commercie gaat niet samen met journalistiek”, zegt McChesney, hoogleraar communicatie aan de Universiteit van Illinois. “We laten het bedrijfsleven ook niet het leger en het openbaar onderwijs runnen. Mensen moeten weer gaan zien dat journalistiek het algemeen belang -de democratie- dient. Die notie is verdwenen sinds advertenties het nieuws financieren.”

McChesney en Nichols, correspondent in Washington DC van het blad The Nation, hebben grondig onderzoek verricht voor hun boek. Ze leggen uit dat de presidenten Thomas Jefferson en James Madison, grondleggers van de VS, begin negentiende eeuw groot voorstanders waren van een gesubsidieerde pers, zonder overheidscensuur, om een sterke democratie te vestigen. Alleen al van 1840 tot 1844 stak de Amerikaanse overheid (omgerekend naar 2008) 30 miljard dollar in een vrije pers, met name aan post- en druksubsidies.

Hoewel er nog steeds media-subsidies bestaan, zijn die geslonken tot een fractie van dat bedrag. De VS geven nu bijvoorbeeld slechts één dollar per hoofd van de bevolking aan de publieke omroep (in de Europese landen varieert dat bedrag van 25 tot 100 dollar).

Overheidsbemoeienis
Dat heeft gevolgen voor de democratie, voeren McChesney en Nichols aan. De Economist Democracy Index 2008 rekent Nederland, Canada en de Scandinavische landen, die de media zwaar subsidiëren, tot de sterkste democratieën ter wereld, terwijl Amerika op de achttiende plaats staat. In vrijwel al deze democratieën hadden de media het minst last van overheidsbemoeienis, veel minder dan in de VS, rapporteert de Amerikaanse denktank Freedom House.

McChesney en Nichols stellen voor om kranten tot gesubsidieerde non-profits, low-profits of coöperaties te maken, die al hun content gratis publiceren. Ook willen ze de publieke omroep fors uitbreiden. Verder zou iedere volwassene 200 dollar moeten krijgen om aan een journalistieke non-profit(s) naar keuze, bijvoorbeeld op internet, te doneren.

De kritiek van sommige commerciële media in Nederland op de valse concurrentie van de publieke omroep vindt McChesney misplaatst. “Ik begrijp het argument dat de publieke omroep geen reclame-inkomsten zou mogen genereren. Maar tegen subsidiëring van de publieke omroep zijn is absurd en belachelijk. Alsof iemand die is uitgehongerd vindt dat anderen ook maar moeten sterven van de honger. Ik zou zeggen: kom eens in Amerika kijken waar dat toe leidt.”

Meer tijd voor weer dan voor nieuws
Tijdens een lezing die de journalisten 18 januari in Seattle gaven, somden ze de stuitende feiten op voor een afgeladen zaal. Veel lokaal radionieuws is er niet meer op de commerciële stations omdat ze sinds 1996 massaal worden geconsolideerd. Lokale TV-zenders besteden vaak meer tijd aan het weer dan aan de meeste nieuwsonderwerpen. Vorig jaar werden 140 Amerikaanse kranten opgeheven. De laatste twee jaar verloren 30.000 journalisten hun baan. Naar schatting zijn er nog slechts 46.000 aan het werk. Elke week sluit een correspondentenbureau in Washington DC, dat over de federale overheid bericht, zijn deuren. Er zijn nog maar zo weinig Amerikaanse buitenlandcorrespondenten (ongeveer honderd) dat er tijdens de aardbeving in Haïti slechts één, van de AP, aanwezig was. “Complete delen van ons burgerlijk leven worden niet belicht”, waarschuwde Nichols.

Nieuwe media vangen dat verlies aan nieuws niet op. Uit een onderzoek in Baltimore vorig jaar bleek dat de traditionele media, met name kranten, 95 procent van de originele nieuwsverhalen produceren. En zelfs hun productie is niet wat hij was. De Baltimore Sun publiceert 32 procent minder verhalen dan tien jaar geleden en 73 procent minder dan in 1991.

Vrijwilligers in pyjama
De rol van de pers in de democratie -bevestigd in uitspraken van het Hooggerechtshof- mag niet afhangen van de vraag of media-ondernemingen de journalistiek weer winstgevend kunnen maken, zegt McChesney. Of van donateurs, filantropen en “vrijwilligers in pyjama achter hun thuiscomputer. Wat dan overblijft is een fractie van de journalistiek die nodig is voor een solide democratie. We moeten redacties hebben die door de machthebbers worden gerespecteerd.”

Dat begint ook door te dringen tot de Amerikaanse bevolking, merkt McChesney tijdens de boektoer die hij momenteel met Nichols onderneemt. De journalisten trekken vaak volle zalen. “Tien jaar geleden zouden we nog zijn uitgelachen of vijandig benaderd, al was het maar omdat rechts toen hoopte dat ‘de linkse pers’ het zou afleggen. Maar mensen zien nu dat de journalistiek met 150 kilometer per uur op de afgrond afgaat en dat het nieuws in hun eigen woonplaats daar ook onder lijdt. Dit is een kwestie van democratie, niet van links of rechts.”

Met Free Press, een netwerk dat de journalisten hielpen oprichten om de Amerikaanse media te hervormen, proberen ze tevens het Congres tot actie te bewegen. Vorig jaar getuigde Nichols voor een comité van het Huis van Afgevaardigden. Ook in de Senaat en bij diverse overheidsinstanties zijn wetgevers en beleidsmakers op zoek naar een oplossing voor de noodlijdende nieuwssector.

Hervormers boksen echter op tegen bedrijven die veel invloed uitoefenen in Washington DC en daarom juist geen media-waakhond willen, zegt McChesney. En dan zijn er de kabelondernemingen die “honderden miljoenen dollars aan lobbyen” uitgeven om het internet te privatiseren (de internet neutrality-kwestie). Het prijskaartje voor de hervormingen die McChesney en Nichols voorstellen is eveneens een flink obstakel: 35 miljard dollar per jaar, het equivalent van wat Denemarken per hoofd van de bevolking aan media-subsidies uitgeeft. Dat geld kan worden ingezameld door belasting te heffen op onder meer electronica en advertenties, schrijven de journalisten.

Gouden eeuw voor propaganda
Denkt McChesney dat dat haalbaar is nu de Amerikanen alle reddingsplannen voor het bedrijfsleven zat zijn? Wel als het gaat om het versterken van de democratie: “Je moet de vraag op de juiste manier formuleren.”

Kijk naar het alternatief, zegt de journalist: in Amerika zijn op iedere journalist al vier PR-mensen. Het Baltimore-onderzoek wees uit dat in slechts veertien procent van de gevallen de journalist zelf een artikel had geinitieerd. In de overige gevallen waren dat de overheid en belangengroepen. “De PR heeft zo ongeveer een directe lijn naar het nieuwsverhaal. Als we deze situatie niet veranderen, breekt de post-journalistieke toekomst aan: een gouden eeuw voor propaganda.”

Al 6 reacties — discussieer mee!