609-zwart
In het artikel Museum 2.0 beschreef Stefan Kuiper hoe musea zich begeven op wat traditioneel het terrein van de televisie-omroepen is: het produceren van programma’s met bewegend beeld. Bart Rutten – conservator bij het Stedelijk Museum Amsterdam – onderkent deze ontwikkeling, maar ziet ook de nadelen: omroepen hebben veel meer ervaring met het produceren van programma’s en bereiken ook nog altijd een veel groter publiek. Musea daarentegen beschikken over inhoudelijke expertise en weten weer een groep liefhebbers gedurende veel langere periodes aan zich te binden. Samenwerken op dit gebied heeft dus voor beide partijen belangrijke voordelen.

Er ligt een grote uitdaging voor musea om hun online dienstverlening te optimaliseren. De missie gaat daarbij verder dan men gewend was. Men wordt geacht om op de website meer te doen dan enkel berichten over de zaken die terug verwijzen naar het museum zelf: de openingstijden, het menu in het restaurant, de kunstwerken en tentoonstellingen die er te zien zijn. Internet heeft een nadrukkelijke rol gekregen in het aanbieden van extra inhoud en profileert zich sterk als eigen podium. De Tate in Londen gaat daarbij zo ver dat ze het hebben over een nieuwe venue en heeft daar dan ook de nodige middelen voor gereserveerd. Het gebruik van en daarmee de verantwoordelijkheid over de website verschuift dan ook van enkel een marketing tool naar een platform waar ook conservatoren, documentalisten en educatoren nauw bij betrokken moeten worden. Snel internet biedt allerlei nieuwe mogelijkheden voor media, maar ook met de nodige valkuilen die we zullen moeten omzeilen. Hier een aantal zaken die nu spelen in de praktijk.

Uit onderzoek blijkt dat men vooral moet inzetten op bewegend beeld om publiek langer op een website te houden. De bezoeker houdt van beweging en als die wordt aangeboden hoeft de muis niet in actie te komen om steeds weer nieuwe beelden en nieuwe informatie op te vragen. Steeds meer musea richten zich daarbij op het produceren van bewegend beeld. Of het nu gaat om de opnames van de opbouw van een tentoonstelling of een interview met de kunstenaar, musea plaatsen veelvuldig webvideo’s om hun site aantrekkelijker te maken en op een laagdrempelige manier de bezoeker van de site -en hopelijk van het museum zelf – te informeren. De grootste aanjagers van deze videobijdrages zijn doorgaans de communicatieafdelingen.
Opvallend is dat musea deze video’s vaak zelf geproduceerd hebben. Door stringente copyrightregels is het vaak onmogelijk om bestaande items of documentaires online op de museumwebsite beschikbaar te maken. Voor die duizenden uren materiaal die het Stedelijk museum in zijn bibliotheek beschikbaar heeft, dient men nog steeds daar naar toe af te reizen. Dus als men bewegend beeld op een website wil laten zien, zal zelf men aan de slag moeten met het maken van deze items. Dit blijkt een zeer tijdrovende en dure bezigheid te zijn met een resultaat dat zich maar moeilijk laat vergelijken met ‘ professionelere’ televisieproducties.

Kwaliteit moet beter
Ik vraag me af of we genoegen nemen met de kwaliteit zoals die nu online wordt aangeboden omdat er nog steeds vanuit deze voor televisiebegrippen kleine, maar voor museumbegrippen grote groep geïnteresseerden een honger is naar items over beeldende kunst. Daarnaast is het zo dat de grootte waarop we de webitems bekijken in vergelijking met televisie klein is, vaak een youtube window van zo’n acht bij twaalf centimeter die, als het op fullscreen is gezet blury wordt met een te grove pixelverdeling. In deze gecomprimeerde uitzendingen nemen we genoegen met een matige uitlichting van de geïnterviewden en een wat slepende montage omdat het kennelijk in een behoefte voorziet. We doen het omdat we het kunnen. De hegemonie van uitzendgemachtigden, in Nederland de omroepen, is met internet doorbroken en alles en iedereen maakt daar nu (pas enkele jaren!) gebruik van.
Maar deze kwaliteits-status quo, en dat weten we allemaal, is slechts een tijdelijke die we nu op internet accepteren. Met de toename van verbindingsnelheid zullen we ook onze eisen aan de internetfilms bijstellen en kijken we wellicht terug op deze eerste experimenten met de vertedering zoals we nu het polygoon journaals van weleer terug bekijken. Ze hebben vanuit de actualiteit toen hun informerende functie vervuld en blijven waardevol door de schaarste aan bewegend beeld van het desbetreffende, behandelde onderwerp . De productie van online video items door musea staat nog in zijn kinderschoenen.

Momenteel werk ik mee aan de serie van de AVRO’s kunstuur 4 ART, waarbij in acht minuten tijd aandacht wordt geschonken aan een tentoonstelling in Nederland van (en vaak met) een Nederlandse kunstenaar. Deze items worden gemaakt door een ploeg van minimaal vier man (regisseur, presentator en goed onderlegde camera- en geluidsman) met hoge standaard apparatuur en professionele verlichting. Op een dag wordt tussen de twee en vier uur materiaal geschoten dat in de studio in Hilversum wordt terug gemonteerd tot die acht minuten. Kosten per uitzending zijn onvergelijkbaar met wat een museum zich kan permitteren voor webproducties. Iets dat vereist is als de kijker niet is uitgerust met een muis om weg te clicken naar een andere site met matig bewegend beeld, maar met een afstandsbediening die aan minimaal dertig kanalen hoge (beeld)kwaliteit bewegend beeld. Het aantal televisiekijkers is eveneens veel hoger dan een gemiddelde online productie van een museum en heeft een sterk mobiliserende effect. Een geïnteresseerde kijker kan worden geprikkeld om daadwerkelijk te gaan kijken in het museum, al is het maar online.

Terugkijkgedrag
Maar deze items zijn veel meer onderhevig aan verval in ‘terugkijkgedrag’ dan de items op een museumsite. Deze bezoeker is gericht op zoek naar kunstinformatie en weet dat hij of zij dat gemakkelijk vind op een museumsite dan op een website van een omroep. Een sterk argument voor musea om items te produceren ligt in het hergebruik van de film. Zij is een belangrijke informatiebron die aansluit bij de archieffunctie van een museum en ook om die reden mede gedragen zou moeten worden door de wetenschappelijke staf.

De uitdaging ligt erin om beide werelden, die van de televisie en van de musea nog beter op elkaar te laten afstemmen. Een museum zou nadrukkelijker de samenwerking moeten opzoeken met de omroepen, landelijk en regionaal, om voor de musea de producties verder te professionaliseren en voor de omroepen nadrukkelijker te sturen in een duurzaam gebruik van het item; dat wil zeggen het volledig vrijgeven van het item dat het ook in (online)archief gebruik tot zijn recht kan komen. Naar mijn idee zou dit open gebruik kunnen worden afgedwongen vanuit de cultuur fondsen die, zoals nu al vaak gebeurd, mee betalen.

Al één reactie — discussieer mee!