vuilniszakDe ethiek van de journalistiek staat de laatste tijd volop in de belangstelling op opiniepagina’s en in actualiteitenrubrieken. Daar is alle aanleiding toe: de manier waarop sommige media berichtten over de vliegramp in Tripoli, het Ruben-interview van De Telegraaf, de ‘vuilnisbakkenjournalistiek’ van het nieuwe blad Binnenhof en de journalistieke aandacht voor de nieuwe relaties van Jack de Vries en Eva Jinek leidden allemaal tot discussies over het schenden van de persoonlijke levenssfeer door sommige media. Verontwaardiging was er eerder al toen sommige journalisten over de schreef gingen in hun berichtgeving over het vermoorde meisje Milly Boele in Dordrecht.

Het probleem is niet dat er te weinig discussie is in en over de journalistiek, maar dat er met de resultaten van die discussies, voor zo ver aanwezig, te weinig gebeurt, althans in het publieke domein. Op afzonderlijke redacties zal dat hier en daar anders zijn, al is mijn stellige indruk dat het trekken van lessen voor de toekomst in ethische aangelegenheden niet het sterkst ontwikkelde element is in het beleid van veel redacties.

Wat zou er dan moeten gebeuren? In elk geval niet dat de overheid zich meer met de journalistieke vrijheid gaat bemoeien. Wanneer politici als Pechtold of Rouvoet zich op eigen titel mengen in het debat en een appèl doen op de journalistiek om zich meer verantwoordelijk op te stellen, is dat alleen maar toe te juichen, zo lang regulering maar aan de beroepsgroep zelf wordt overgelaten. Maar daar zit nou net het probleem, want die beroepsgroep is sterk verdeeld over de vraag waar de ethische grenzen liggen. Het gezag van de Raad voor de Journalistiek wordt niet overal erkend en nut en noodzaak van verantwoording wordt niet overal gevoeld. Dat maakt het niet eenvoudig voorstellen te ontwikkelen, want wat de een voorstelt (een richtlijn van de Raad) wordt door de ander van tafel geveegd als weinig zinvol.

Vakethiek
Toch zal er iets moeten gebeuren, juist om de vakethiek en de toetsing daarvan een zaak van de beroepsgroep zelf te laten blijven en de overheid op afstand te houden.

De beroepsvereniging NVJ functioneert nu te sterk als een vakbond en te weinig als een beroepsorganisatie. Zodra de NVJ op ethiek wordt aangesproken, wordt beleefd doorverwezen naar de Raad voor de Journalistiek en de opleidingen. Een beroepsorganisatie moet ook zelf bezig blijven met de ontwikkeling van de vakethiek, niet alleen door van tijd tot tijd een debat te organiseren, maar ook door onderzoek te (laten) doen naar nieuwe ontwikkelingen en repercussies daarvan op de vakethiek.

De journalistieke opleidingen aan hogescholen en universiteiten kunnen hun krachten meer bundelen, ook op dit terrein. Nu bestaat blijkbaar de indruk dat er aan de scholen voor journalistiek niet veel gebeurt op het gebied van ethiek. Die indruk is niet terecht. Het zou goed zijn om alle instellingen die toekomstige journalisten opleiden te bevragen op hun aandacht voor vakethiek in het curriculum.

De Raad voor de Journalistiek moet de gewenste richtlijn opstellen en op de site publiceren. Waarom niet, zoals de Vlaamse Raad dat bijvoorbeeld doet, een aantal belangrijke documenten uit binnen- en buitenland toegankelijk maken voor journalisten en het publiek via de website? Journalisten weten vaak niet welke ethische regels er zijn, bijvoorbeeld waar het gaat om het interviewen van kinderen of het herkenbaar in beeld brengen van nabestaanden die nog in onzekerheid verkeren over wat er gebeurd is.

Boycot
De afzonderlijke redacties moeten duidelijker en meer zichtbaar laten weten waar ze staan op ethisch gebied. Ethische richtlijnen en protocollen dienen toegankelijk te zijn voor het publiek, zodat redacties daarop aangesproken kunnen worden. In columns en blogs van ombudsman of hoofdredacteur wordt het handelen van de eigen redactie getoetst aan de opgestelde nomen. Daarom staat het stilletjes verdwijnen van de functie van ombudsman en lezersredacteur op gespannen voet met nut en noodzaak van meer transparantie en verantwoording.

Het element publieke opinie en publieke verontwaardiging zal nadrukkelijker een rol gaan spelen in toekomstige affaires en debatten. Websites, blogs en twitter maken het eenvoudig om de publieke opinie te mobiliseren en om op te roepen tot een boycot, zoals gebeurde na het prominent publiceren van het Ruben-interview door de Telegraaf.

Waar een terechtwijzing door de Raad voor de Journalistiek bij sommige media weinig indruk maakt, doet een boycotactie van de eigen achterban dat overduidelijk wél. Wanneer een redactie weinig vaart maakt met verantwoording, zou het publiek wel eens een dwingende invloed kunnen hebben. De journalistiek kan niet doorgaan met anderen de maat te nemen en zelf buiten schot blijven. Na de discussies moeten de acties volgen, opdat de geloofwaardigheid van de pers niet nog verder wordt aangetast.

Al 7 reacties — discussieer mee!