waakhondJournalistiek is een publiek goed, stelt Henk Blanken op 19 mei op deze plek. Er is een hechte relatie tussen journalistiek en democratie, dat vindt Blanken en met hem vond Joseph Pulitzer dat ook al. De veronderstelling dat de meeste journalisten en de meeste politici ook van die relatie uitgaan lijkt me een juiste. Op het grote publiek dat eveneens vindt, dat waag ik te betwijfelen.

Om te beginnen is er steeds minder sprake van een ‘groot publiek’. De medialisering van de samenleving op de golven van de trend van de vijf i’s: individualisering, informatisering, intensivering, informalisering en internationalisering hebben geleid tot fragmentering van de traditionele grote publieken, waarvoor massamediale uitingen efficiënt en effectief zijn. Dat geldt misschien in wat mindere mate voor entertainment, maar zeker voor nieuws en achtergronden, cultuur en educatie.

De opkomst van digitale sociale netwerken lijkt de opkomst te zijn van nieuwe massamediale mogelijkheden, maar voor die netwerken geldt dat veel leden van die netwerken aanwezig zijn in meerdere netwerken en lang niet overal even actief zijn. Shoppen, af en toe wat meepikken, snel reageren, soms in debat zijn, vrienden en/of geestverwanten zoeken, dat lijken de kenmerken van de activiteiten te zijn. Dat sluit overigens niet uit dat er via sociale netwerken belangwekkende en de democratie dienende informatie kan worden opgedaan, maar daarmee is nog niet de traditionele waakhondfunctie van de oude media volledig overgenomen.

Bestaansvoorwaarde: democratie
Democratie heeft zin als er wat te kiezen is. Daarom is democratie niet vanzelfsprekend. Er zijn landen waar niets te kiezen is, omdat ze arm zijn, Mali bijvoorbeeld. Er zijn landen waar niets te kiezen is, omdat iemand zichzelf als baas en alles-beslisser heeft aangesteld. Ik wil Italië nog net niet noemen. En er zijn landen waar niets meer te kiezen is, omdat alles er al is en eigenlijk ook voor iedereen. Singapore lijkt een beetje op zo’n laatste land. In het eerste geval is democratie een luxe die voorlopig niet wordt bereikt, in het tweede geval is democratie afgeschaft in het derde geval is democratie overbodige rompslomp. In alle gevallen is er niet of nauwelijks onafhankelijke, kritische, onthullende journalistiek. Blijkbaar is democratie een bestaansvoorwaarde voor deze vorm van journalistiek.

De politieke situatie in Nederland van net voor de banken- en landencrisis kan worden beschouwd als één waar ogenschijnlijk niet zo veel meer te kiezen was. De politieke issues hoopten zich op in het duistere hoekje van de persoonlijke onvrede en de vermeende onveiligheid op straat. Daar waar je mocht verwachten dat op basis van kwaliteitskeuzes zorg, onderwijs en in mindere mate cultuur echte thema’s werden, bleef dat uit. Als het gaat om het maken van keuzes in het politieke midden, is er kennelijk een financiële en sociaaleconomische urgentie nodig. De crisis verschafte dat gevoel van urgentie en de politieke strijd in het midden is weer losgebarsten. Het feest van de democratie lijkt herbegonnen.

De vraag is, voor we toekomen aan de vraag of de journalistiek een publiek goed is, of democratie nog wel een echt publiek goed is. Publiek in die zin dat er groepen, stromingen in de bevolking zijn die op basis van ideële uitgangspunten en in zekere zin met voorbijgaan aan hele persoonlijke belangen, staan voor de publieke zaak. Met ideeën over lange termijn doelen en vanuit een zeker gevoel van collectiviteit. Het is niet voor niets dat er zoveel zwevende kiezers zijn, misschien moeten we het wel shoppende kiezers noemen. De eerder genoemde vijf i’s laten hier hun invloed behoorlijk gelden, met name die van de informalisering en de individualisering.

Samenhang is zoek
De wijze waarop de media (bijvoorbeeld de Volkskrant) in overzichten de standpunten van politieke partijen presenteren in thema’s als inkomensbeleid, uitkeringen, woningmarktbeleid, integratiebeleid, zorg, onderwijs, en zo verder, waarbij per partij de plussen en minnen worden aangegeven, heeft iets heel aantrekkelijks. De aantrekkelijkheid zit hem erin dat het lijkt of je per thema je partij kunt kiezen en zo een voor jezelf zo mooi mogelijk pallet aan beleidskeuzes kunt maken, op het individuele niveau. Dat er een samenhang zou zijn, waarbij door de samenhang te zien de ideologische koers van een partij duidelijk wordt, blijft daarmee onderbelicht. Het lijkt dus niet meer te gaan over keuzes die over het individuele niveau heen naar het collectieve niveau worden getild. De vraag is dan of er nog sprake kan zijn van een werkelijk gevoelde en beleefde democratie, die van burgers betrokkenheid en inzicht vraagt, in plaats van kortzichtigheid en egoïsme. Met andere woorden: democratie is niet meer een vanzelfsprekend publiek goed.

Van bovenaf bedacht
Voor grote delen van de journalistiek geldt een soortgelijke redenering. Immers, was journalistiek een ‘merit good’, een vanuit het collectief gevoelde noodzakelijke behoefte aan hoogwaardige, actuele, contextuele en ter zake doende informatie, dan zag de inhoud van menige krant er anders uit en was de programmering van menige radio- en televisiezender een andere. Bovendien moet worden bedacht dat een kenmerk van een ‘merit good’ is, dat het om een van bovenaf bedachte wenselijkheid gaat: een (politieke of maatschappelijke of culturele) elite die vindt dat iets er moet zijn voor iedereen.

De journalistiek als publiek goed, zoals bedoeld door Henk Blanken is een andere dan veel van de journalistiek die ik waarneem. Mogelijk zelfs is het ook een andere dan die door het publiek nog wordt geapprecieerd, voor zover er nog sprake is van een publiek of publieken. Journalisten meenden te weten welke informatie nodig was voor hun publiek. Dat menen ze in oprechtheid vaak nog steeds, alleen wordt het niet meer van de daken geroepen.

Directies, omroepbesturen en zendercoördinatoren hebben de afgelopen jaren ingezien dat marketeers en reclamemensen ook een waarheid spreken, namelijk die van de commerciële attractiewaarde van de media. Daarin is onafhankelijke en verantwoorde journalistiek niet meer de dragende inhoudelijke waarde, maar de door het publiek gewenste ‘content’. Dat betekent beleving: emotie, sensatie en show. De i’s van intensivering en individualisering zijn hier leidend. Deze journalistiek kan toch niet de journalistiek zijn waarvoor Henk Blanken onvermijdelijke staatssteun bepleit.

Iedere bevolking krijgt de democratie die ze verdient. Iedere democratie krijgt vervolgens de journalistiek die ze verdient. Dat is, sinds Pulitzer deze begrippen in 1903 koppelde, niet veranderd.

Nog geen reactie — begin de discussie!