Dit is een reactie op Drempelloos Museumland van Dick Tuinder.

Als iets symbool staat voor de verpretparkisering van het museum is het wel de museumnacht. ‘Dansen onder de Nachtwacht’: met dit credo uit de beginjaren van de museumnacht in Amsterdam, word ik als huidige organisator nog regelmatig geconfronteerd. Dick Tuinder schaart mij ongetwijfeld onder de groep culturele ‘opbouwwerkers en schnabbelaars’ die de drempel van het museum wil beslechten, door de inhoud voor iedereen begrijpelijk te maken.

Ik ben het met hem eens dat kunst begrijpen niet tot een meer waardevolle kunstbeleving hoeft te leiden. Er lijkt, in een tijd waarin alles met één klik op Youtube of Wikipedia direct te achterhalen is, een constante behoefte te zijn om dingen te snappen. En zo bewegen veel mensen zich ook in het museum: door het bordje te lezen, de audiotour te beluisteren – te begrijpen, gerustgesteld te worden, en weer verder te lopen. We zijn bang om niet te weten. Terwijl kunst vaak dat verbeeldt, wat niet in woorden gevat kan worden.

Ondertussen verkeert menig museum in een identiteitscrisis. Terwijl de conservator nog steeds volgens de canon van de kunstgeschiedenis opereert, worstelen de communicatie en educatie afdeling met het bereiken van een nieuw publiek. De afgelopen jaren woonde ik vele juichende bijeenkomsten bij over drempelverlaging in musea door te Twitteren, video’s te maken en evenementen te organiseren. Daar deed ik zelf vrolijk aan mee, maar in het debat miste ik regelmatig het waarom van deze ontwikkelingen.

Sluimerende nieuwsgierigheid
Waarom moet een museum haar best doen een nieuw publiek te bereiken? De onvoorbereide ontmoeting, gedreven door persoonlijke nieuwsgierigheid, is volgens Dick Tuinder voldoende. Hij voelt zich in een museale omgeving wellicht prima op zijn plek. Toch denk ik dat zonder inspanning van het museum een grote groep mensen niet of pas heel laat bereikt zal worden. Mensen met een sluimerende nieuwsgierigheid, voor wie het museum op verre afstand is, maar die ik dezelfde ervaring gun als Tuinder had toen hij de foto’s van Cartier-Bresson zag.

Ontroerd
Laat ik voor het gemak mezelf als voorbeeld nemen. De vinex wijk in Heerhugowaard waar ik opgroeide was geen cultureel stimulerende omgeving. Maar toen ik op mijn 18e de museumnacht in Amsterdam bezocht, was dat een toegankelijke manier om de stad en haar musea te leren kennen, de drempel over te zijn en nog eens terug te keren. En zo zijn er ook later, naast mijn persoonlijke nieuwsgierigheid, altijd andere factoren geweest waardoor ik naar kunst ben gaan kijken.

Over Anish Kapoor hoorde ik voor het eerst via Roll Deep, een groep grime MC’s (en ‘negers’ in de woorden van Tuinder) uit Oost Londen, die door Tate Modern waren uitgenodigd een werk uit de Tate collectie te kiezen en hier een nummer bij te maken. De ontwapenende Art Safari documentaires van Ben Lewis (BBC) wekten mijn interesse voor Matthew Barney en Sophie Calle. Tijdens de opening van The Last Session in de Brakke Grond, kwam ik langs voor een drankje maar eindigde ik ontroerd door de films van Bas Jan Ader.

Dorre tekst audiotour
DJ Martin Duvall die draait op een avondopenstelling, en vervolgens verzonken raakt in een schutterstafereel uit de collectie van het Amsterdams Historisch. Een vrijdagavond in het Van Gogh Museum, hip uitgaanspubliek dat komt voor de modeperformance van de Million Dollar Kids, maar later door het museum dwaalt, aandachtig, onderzoekend (en dat zonder audiotour). Ik zie het regelmatig gebeuren: de overweldigende ontmoeting met kunst, niet alleen gedreven door nieuwsgierigheid van de bezoeker, maar ook door programmering, communicatie en het bieden van context door het museum.

Kunst mag er zijn zoals het is, en hoeft wat mij betreft niet gemakkelijker of begrijpelijker te worden gemaakt dan dat het bedoeld is door de kunstenaar. Maar om de ervaring van kunst altijd maar strikt af te zonderen, te verbannen naar de stille muren van het museum, en zo te vatten in een taal die velen niet spreken, kan net zo’n belediging voor de kunst zijn als de dorre tekst van een audiotour.

Sandberg vleugel
Binnen muziek heeft het woord ‘museaal’ de connotatie met de dood. Iets dat niet meer relevant is, geweest is. In het ergste geval zou je het museum kunnen beschouwen als een begraafplaats; de plek waar veel kunst wordt opgeslagen en een klein deel wordt getoond, afgezonderd van het leven en van de maatschappij.

Ik zou niet pleiten voor een museum als experience, maar wel voor een museum dat het leven binnenlaat. Zoals wordt beschreven in ‘Binnen was Buiten’, over de roerige geschiedenis van de Sandberg vleugel. Die bescheiden, wat onhandige vleugel van het Stedelijk Museum liet de hele stad zien wat zich binnen het museum afspeelde. Zoals de utopist Willem Sandberg zei: “Wij hebben grote ramen nodig, om in contact te blijven met de buitenwereld, met de boom met de zon met het verkeer, met kunst moet je leven”. Sandberg maakte een letterlijk drempelloos museum. Zijn opvattingen vind je 50 jaar later op een andere manier terug in Rutger Wolfson’s essay ‘Het museum als plek voor ideeën’ – een pleidooi voor musea die zich verhouden tot de maatschappij en massacultuur.

Het leven binnenlaten
Te vaak wordt het levende museum verward met een versimpeld museum. Terwijl het verbinden van het museum met het leven van nu een allesbehalve simpele taak is. Maar het kan wel: de gelaagdheid en kwaliteit zoeken in zowel bestaande kunst als levende cultuur. De Twitterberichten van @JaySunsmith verbinden met het taalgebruik van Basquiat, de economische crisis met de modecollectie, of de schilderijen van Jeroen Bosch met de muziek van Dirty Projectors. Ik weet niet of je dit kunsteducatie moet noemen, maar het biedt een divers publiek een ingang tot een persoonlijke kunstbeleving.

Op deze manier hoeft het museum niet te twijfelen over haar bestaansrecht, noch over de kunst die zij een plek heeft gegeven. Vanuit dat zelfvertrouwen kan het museum het leven binnenlaten. En daarbij een museum worden dat niet bang is om te falen, of eens uit de bocht te vliegen. Dat is geen drempelloos museum, maar wel een museum dat soms een shortcut biedt, de buren uitnodigt, en met net zoveel overtuiging de kunst beschermt als haar deuren opengooit.

Het artikel van Tuinder verscheen eerder in 609, het kwartaalblad van het Mediafonds.

Nog geen reactie — begin de discussie!