tripoli3Bijna drie maanden geleden stortte een vliegtuig neer in Tripoli. Meer dan honderd passagiers, onder wie zeventig Nederlanders, kwamen om het leven. Het drama veroorzaakte niet alleen groot verdriet, maar ook hevige verontwaardiging vanwege de manier waarop een deel van de media aandacht besteedde aan het ongeluk. Het ging daarbij vooral om het publiceren van beelden van de negenjarige Ruben, de enige overlevende van de ramp, vanuit de ziekenhuiskamer en om een interview met hem op de voorpagina van De Telegraaf en op de website van die krant. Dit leidde tot een storm van protesten en oproepen om het abonnement op die krant op te zeggen.

In veel kritische commentaren (zie bijvoorbeeld hier) over de media werd de Raad voor de Journalistiek aangespoord om een uitspraak te doen over de vraag of het doen en laten van journalisten door de beugel kan. Die uitspraak is op 4 augustus 2010 gepubliceerd.

Ethisch toelaatbaar
De Raad vindt dat het publiceren van beelden van Ruben in zijn ziekenhuisbed ethisch toelaatbaar is. Er is enerzijds sprake van ‘een evidente schending van de privacy’, omdat zonder toestemming van de familie beelden van een weerloos en vermoedelijk getraumatiseerd kind werden gepubliceerd. Anderzijds ging het om beelden met een ‘uitzonderlijk grote nieuwswaarde en zeggingskracht’. Ruben (‘the miracle boy’) was enkele dagen wereldnieuws. Hij werd symbool van leven in deze enorme tragedie. In één foto wordt het verhaal in zijn volle omvang en dramatiek verteld. De Raad vindt dat het belang van deze nieuwswaarde in dit geval zwaarder weegt dan de schending van de privacy.

Sommige media, het NOS Journaal bijvoorbeeld, zonden in eerste instantie beelden uit waarop het slachtoffer duidelijk herkenbaar was. Na enkele uren schakelde men over naar beelden die met meer distantie en terughoudendheid waren gemaakt. Het is jammer dat de Raad dat onderscheid niet maakt. Het gaat hier niet alleen om de vraag: wel of geen beelden, maar ook om de mate van terughoudendheid.

Bij het oordeel speelde kennelijk ook mee, dat de beelden via internet al wereldwijd verkrijgbaar waren. Wanneer praktijken op het internet de norm worden voor de Nederlandse journalistiek is het einde zoek. Vrijwel alles is heel snel via Google en YouTube te voorschijn te halen. Daardoor moet de Raad zich niet laten leiden. Hij moet zelf bepalen wat wel en niet door de beugel kan.

Het telefonisch interview had niet mogen plaatsvinden, meent de Raad. En publicatie van een aantal uitspraken van Ruben dus al helemaal niet. Hier was zonder twijfel sprake van schending van de privacy. De jongen had met rust gelaten moeten worden, zeker nu hij zich in een zeer kwetsbare situatie bevond. Bovendien was deze extra informatie niet nodig om de aard en de ernst van de ramp weer te geven.

Zo was het evenmin nodig om zijn achternaam te vermelden. Hier had het belang van zijn privacy sterker moeten wegen dan de nieuwswaarde, vooral ook omdat hij straks weer zo gewoon mogelijk aan het dagelijks leven moet kunnen deelnemen zonder tot in lengte van dagen ‘miracle boy’ te blijven. Ton de Jong, hoofd opinie van Brabants Dagblad, wees er in een reactie in zijn krant en op Villamedia op dat dit aspect voor een regionale krant onwerkbaar is wanneer de slachtoffers en nabestaanden in het verspreidingsgebied van die krant wonen. Noem je dan de omgekomen gezinsleden voluit (zoals in beginsel bij elk dodelijk ongeval gebeurt) en de enige overlevende alleen met voornaam? Dat zou vreemd zijn. En wordt de privacy zo goed mogelijk beschermd wanneer de krant wel foto’s plaatst maar geen achternamen noemt? De Jong wijst er terecht op dat Ruben in Tilburg familieleden, vriendjes en klasgenoten heeft en dat het achterwege laten van zijn achternaam weinig tot geen extra privacybescherming biedt, al helemaal niet wanneer zijn ouders en oudere broer wél voluit worden genoemd.

De Raad vindt het verder ontoelaatbaar dat foto’s van verongelukte passagiers werden gepubliceerd die van sociale netwerksites als Hyves waren gehaald. Dat ze daar zonder veel moeite te bemachtigen zijn, geeft de media nog geen vrijbrief om ze te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor ze op zo’n site zijn gezet, namelijk om ze te tonen aan vrienden en bekenden. Bovendien gaat het hier niet om Bekende Nederlanders, “zodat de journalist terughoudendheid moet betrachten bij het ongevraagd en zonder toestemming publiceren daarvan in een ander medium en voor een ander doel”. Daar komt nog bij dat het om slachtoffers gaat en dat dus met de nabestaanden rekening moet worden gehouden. Ook hier weer zegt de Raad dat het publiceren van deze foto’s niet nodig was om de ernst van de ramp te tonen.

Foto’s van nabestaanden
Dat geldt ook voor het publiceren van foto’s van nabestaanden (voor en na een informatiebijeenkomst en in Tripoli). Wanneer hiervoor geen toestemming werd verleend is dat een onaanvaardbare inbreuk op de privacy en bovendien niet nodig om het drama in beeld te brengen. Over dat laatste zullen de media ongetwijfeld anders denken, zegt de Raad, maar strikt nodig waren die foto’s niet.

Al met al een uitspraak die duidelijk de grenzen trekt. Het is goed dat een instantie als de Raad voor de Journalistiek zich zo duidelijk uitspreekt over journalistieke praktijken die in de samenleving tot veel discussies leiden, al zijn er enkele aspecten die nader doordacht moeten worden.

Dit artikel is een bewerking van een opiniestuk dat op 6 augustus 2010 werd gepubliceerd in Dagblad van het Noorden.

Nog geen reactie — begin de discussie!