Serie: Toekomst voor de journalistiek (5)

Afgelopen vrijdag hield Jo Bardoel, hoogleraar Journalistiek en Media aan de Radboud Universiteit Nijmegen, zijn oratie over de toekomst van de journalistiek. Vandaag reageert Jaap Stronks, online-strateeg voor maatschappelijke organisaties, momenteel bezig met de oprichting van Johnny Wonder | Bureau voor Publieke Interactie.

Er is iets vreemds aan de hand met het debat over de toekomst van de journalistiek. Het gaat namelijk letterlijk helemaal nergens over. Dat is het best uit te leggen aan de hand van de gestelde diagnose en het voorgeschreven medicijn in de oratie van Jo Bardoel, hoogleraar Journalistiek en Media aan de Radboud Universiteit. De diagnose is degelijk en veelomvattend, want beschrijft niet één, geen twéé, maar liefst dríe transformaties die de journalistiek ondergaat. Het medicijn steekt daar echter wat magertjes bij af.

Dat luidt namelijk: de journalistiek moet zich beter profileren en verkopen. In zijn oratie omschrijft Bardoel het zo: “Om toekomst te hebben moet de journalistiek twee dingen doen: zich intern verder professionaliseren en zich extern sterker profileren. (…) De eigen opdracht en werkwijze moeten beter worden geëxpliciteerd en wellicht ook meer gesanctioneerd worden”. Dat is toch gek. Want hoe is in vredesnaam mogelijk dat de journalistiek van alle kanten tegelijk wordt bedreigd in zijn voortbestaan, maar vervolgens slechts wordt geadviseerd ietsje beter ‘zijn best te doen’, zich wat beter te ‘verkopen’ en te ‘profileren’? Dat klinkt toch een beetje alsof je een terminaal patiënt naar huis stuurt met het advies rust te houden en wat extra vitamine C te slikken.

Waar hebben we het over?

Bardoel raakt dan ook verstrikt in zijn tegenstrijdige aanbeveling om de journalistiek beter te profileren maar tegelijkertijd open te houden – zoals ook Mark Deuze en Henk Blanken opmerken. Met de journalistiek als beroepsgroep en de media-organisaties is van alles mis, maar met de journalisten zelf niet, zegt Deuze. Blanken is het met hem eens: probeer niet het vak of de klassieke mediamerken te ‘pluggen’, maar in plaats daarvan ‘het product, de auteur en zijn verhalen’, zegt hij.

Het kan aan mij liggen, maar het wordt er vooralsnog niet duidelijker op. Waar hebben we het over? Ook dat bedoel ik heel letterlijk. Wat is het onderwerp? Volgens mij proberen we iets te redden, daar een toekomst voor te vinden (let alvast op de vooringenomenheid, het ingebouwde conservatisme van de hele exercitie), maar wat precies? Het redden van de bedrijfsmodellen was al een gepasseerd station, distributie- en verschijningsvormen hebben geen eeuwigheidswaarde. Het genoemde ‘journalistieke product’ kan het niet zijn: het commerciële product ‘krant’ bijvoorbeeld hoeft dus niet per se te worden gered. Het journalistieke ‘product’ iets abstracter opgevat, als eindresultaat van een professioneel productietraject, verdient echter evenmin bescherming: journalistiek is immers een proces, nooit af, wordt beter dankzij de inbreng van derden, crowdsourcing, gaat u maar door – dus vallen ook die ‘verhalen’ af. ‘Betere verhalen vertellen’ is overigens de mantra van Blanken, terwijl dat, met alle respect, toch net zo’n vitamine C-argument is als de aanbeveling van Bardoel om die verhalen wat beter in de etalage te zetten.

De focus op ‘journalisten’ als onderscheidbare onafhankelijke objectieve professionele beroepsgroep is echter al helemaal onzalig. Praktijkvoorbeeldje: gisteren las ik via een retweet door een GroenLinks-lid van een Twitter-bericht van Jack de Vries dat de laatste ontkende in de race te zijn voor het fractievoorzitterschap van het CDA, een gerucht dat ik gisteravond laat al via een Facebook-link van een vriend had gelezen op de website van treinkrant De Pers, waarna ik een internetjournalist/blogger er ’s nachts op Radio 1 (via internet beluisterd) over hoorde vertellen. Dit hadden we een paar jaar geleden niet eens kunnen verzinnen, kun je nagaan wat ons nog te wachten staat. Duidelijk is dat nieuws en opinie openbare feestjes zijn, conversaties tussen allerlei personen en partijen die op vergelijkbare wijze werken, waarbij het onderscheid tussen bloggers, journalisten en andere typen steeds onduidelijker wordt.

Geen touw aan vast te knopen

De vraag is ook of dat erg is. Waarom zouden journalisten eigenlijk per se zo duidelijk onderscheidbaar moeten zijn? Wat maakt hen zo speciaal dat ze kwaliteitskeurmerken, ethische codes en journalistieke raden nodig hebben? Als we al structuren ter kwaliteitsbevordering van publieke communicatie nodig hebben, is het wel zo handig dat die ook van toepassing kunnen zijn op politici en bloggers, bijvoorbeeld. En die kwaliteitsbevordering zul je vast niet moeten zoeken in de sfeer van formele regulering of andere vormen van institutionalisering.

Bardoel besluit het niet onbelangrijke eerste deel van zijn oratie over de professionele status van de journalist, zich beroepend op Jane B. Singer (2003), met de vaststelling dat journalisten ‘zeer toegewijd aan het publieke belang’ zijn, ‘ter wille van het bedienen van burgers in een democratische samenleving’ – dat is zelfs de slotconclusie na een bespreking van de onduidelijke status van de journalistieke professie. Maar Singer ontmaskert juist het claimen van die maatschappelijk gewichtige rol (en alle voorstellen om de journalistiek ‘beter te profileren’ of exclusiever te maken via strengere codes, keurmerken of sanctioneringsmethoden) als pogingen van een bedreigde professionele klasse om de bevoorrechte status in de samenleving te beschermen. Voor een belangrijk deel eigenbelang, dus. Maar dat inzicht ontbreekt simpelweg in deze discussies. En dat staat nog los van het punt dat je in de netwerksamenleving status verkrijgt op basis van controleerbare verdienste, via genetwerkte, decentrale processen, niet op basis van formele, geïnstitutionaliseerde mechanismen als commissies, ethische codes, keurmerken en juridische verankeringen.

Kortom: eerlijk gezegd is aan dat hele debat over de toekomst van (of ‘voor’) de journalistiek domweg geen touw vast te knopen. Het is jammer dat ik geen vervolg heb geschreven op een van mijn eerste artikelen voor De Nieuwe Reporter, waarin ik het begrip journalistiek onbruikbaar verklaarde, omdat je door het te gebruiken allerlei onlosmakelijk ermee verbonden veronderstellingen en ideeën in je denken importeert. Zoals daar zijn: het idee van de onafhankelijke professional die verhalen produceert, met de burger als passieve afnemer. Of: het klassieke onderscheid tussen onafhankelijke journalisten enerzijds en (ik citeer Bardoel in diens oratie) “de waterdragers van de publiciteit, zoals voorlichters, woordvoerders en andere reputatiebehartigers” anderzijds. Die tegenstelling is een van de pijlers van de journalistieke ideologie, maar is in de praktijk allang achterhaald. Al is het maar omdat organisaties, bedrijven en overheden zich anders gaan opstellen: zij communiceren niet om te communiceren, maar omdat ze wat te melden hebben, een ideaal of een achterban vertegenwoordigen, draagvlak willen creëren, diensten of producten willen aanbieden.

Thinking the unthinkable

Juist omdat al die organisaties geen ‘journalistiek’ bedrijven, kom je bij het debat over de toekomst van de journalistiek niet snel uit op ontwikkelingen buiten de journalistieke sector. Maar de toekomst van de media, van journalistiek, van het publieke debat ligt voor in elk geval een groot deel buiten de media, buiten de journalistiek. Als ik een bescheiden suggestie mag doen: het verdient aanbeveling om het over onderdelen en achterliggende functies van de journalistiek te hebben, zoals de toegankelijkheid van het publieke debat, de groei van de linkeconomie, de ontwikkeling van hyperlokale online-medialandschapjes, de afrekenbaarheid en verantwoordelijkheid van deelnemers aan het publieke debat.

Kijk vooral naar alles wat niet ‘media’ of ‘journalistiek’ is. Durf ‘de media’ gewoon eens lekker helemaal weg te denken, omdat ze hun bestaansrecht ontleenden aan de voorheen unieke capaciteit om grootschalig te communiceren. Kijk in plaats daarvan naar maatschappelijke organisaties, overheden, bedrijven, netwerkgemeenschappen, branche-organisaties. We kunnen ‘de journalistiek’ weliswaar nog niet bij het grofvuil zetten, maar het begrip ‘journalistiek’ wel – als we tenminste zinvol willen nadenken over de toekomst van publieke communicatie, nieuws en het publieke debat.

Dat is echter waarschijnlijk onmogelijk, omdat het voor de gevestigde orde een onacceptabel uitgangspunt is, treffend omschreven door Clay Shirky. Een nuchtere benadering van de werkelijkheid is ondenkbaar en onacceptabel, dus blijft ‘de journalistiek’ luchtkastelen najagen (walled gardens en iPad-verdienmodellen, anyone?) terwijl de oorspronkelijke maatschappelijke functies van de journalistiek opnieuw worden uitgevonden in andere domeinen van de samenleving.

Een overzicht van de andere bijdragen in deze serie vindt u hier.

Jaap Stronks

Directeur Bolster

Jaap Stronks is directeur van Bolster, een digitaal bureau gespecialiseerd in de ontwikkeling van digitale platforms voor nonprofits en …
Profiel-pagina
Al 18 reacties — discussieer mee!