fortune tellerSerie: Toekomst voor de journalistiek (2)
Gister hield Jo Bardoel, hoogleraar Journalistiek en Media aan de Radboud Universiteit Nijmegen, zijn oratie over de toekomst van de journalistiek. Vandaag reageert zijn collega Mark Deuze, hoogleraar Journalisitek en Nieuwe Media aan de Universiteit Leiden.

Elke wetenschapper, commentator, en anderszins gesalarieerde koffiedikkijker moet, om serieus genomen te worden, praten in termen van kantelpunten, transformaties en veranderingen. Daar kom ik niet onderuit, en ook Jo Bardoel hanteert in zijn oratie gedwee de stijlfiguur van wende, chute en volta.

Journalistiek zonder journalisten

In zijn oratie is de ommezwaai er een van institutionele journalistiek naar netwerkjournalistiek. Aan de ene kant van het keerpunt staat de nieuwsindustrie: het zootje geregeld dat zich uitgever, omroepbedrijf of online nieuwsdienst noemt. Aan de andere kant bevinden zich journalisten. Het gaat hier vooral om jonge of nieuwe journalisten voor wie geen banen beschikbaar zijn en die moeten concurreren met ‘burgerjournalisten’ voor een plekje op de pagina’s of in de programma’s van de institutionelen. Zij moeten het zelf maar uitzoeken hoe journalistiek te bedrijven voor een ‘gedecollectiviseerde’ samenleving.

Wat bij dit alles erg belangrijk is, stelt Bardoel, is kwaliteit. Als journalisten van hun werk een sterk merk maken, is er nog een toekomst voor de journalistiek. Die kwaliteit moet op de een of andere manier voortkomen uit een situatie waarin er sprake is van een journalistiek zonder journalisten. Met Bardoel zet ik daar vraagtekens bij.

Aannames dekken de lading niet

Aangezien ik Jo Bardoel als een goede vriend beschouw en hij regelmatig veel te vriendelijk is over mijn werk als wetenschapper, wil ik niet teveel stilstaan bij de details van zijn oratie. Het is een uitstekende staalkaart van de stand van zaken in de journalistiek. Verplichte kost voor studenten journalistiek en media studies.

Toch vraag ik me af of we met dit soort status quo-overzichten veel verder komen in de praktijk en onderzoek van de journalistiek. Want eigenlijk weten we het allemaal al. En we weten het al heel lang: het meeste van zijn overzicht leunt op Bardoels publicaties uit de jaren negentig van de vorige eeuw, waarin hij zowel in Nederland als daarbuiten nagenoeg alleen stond in het attent signaleren van de veranderingen in het vak onder invloed van nieuwe media. Daarom wil ik niet tornen aan zijn analyse van de stand van zaken in de journalistiek – ik vermoed alleen dat sommige van zijn aannames de lading van die toekomst niet helemaal dekken.

Hoogstpersoonlijke media

Bardoel spreekt in zijn oratie bijvoorbeeld van een hedendaagse mediale ontwikkeling van ‘we media’ naar ‘i-media’, hetgeen concreet wil zeggen dat we vroeger min of meer gedwongen samen naar dezelfde zender zaten te kijken (en vader de afstandsbediening hanteerde), terwijl nu eenieder misschien nog wel in dezelfde kamer zit, maar zich daarbij omgeven weet door hoogstpersoonlijke media: laptop, iPad, mobiele telefoon.

Daarbij heeft Bardoel het over een parallelle decollectivisering en individualisering van de maatschappij. We komen eigenlijk alleen nog maar voor onszelf, onze eigen belangen op – en zijn steeds minder geïnteresseerd in anderen. Dat moet hij toch eens uitleggen aan PVV-stemmers in Nederland of de deelnemers aan Tea Party-bijeenkomsten in de Verenigde Staten. Er is heus nog wel sprake van min of meer massale collectieve verbanden – het zijn alleen vormen van sociale cohesie die zich weinig aantrekken van tijd of plaats.

Knooppunten in netwerken

Met andere woorden: we kunnen tegenwoordig ergens echt bij horen zonder dat we er bij zijn. De PVV en de Tea Party-beweging zijn mooie voorbeelden van de inconsistentie van eigentijdse betrokkenheid: wetenschappers en journalisten komen er maar niet uit hoe het mogelijk is, dat deze organisatieloze verbanden mensen aantrekken, die het eigenlijk niet of nauwelijks met elkaar eens zijn.

Ik vermoed dat daar juist de verklaring voor het (onvermijdelijk tijdelijke) success te vinden is: we kunnen blijkbaar een knooppunt zijn van een netwerk, waarbij we de andere knooppunten niet (willen of kunnen) kennen. Oftewel: we bepalen zelf wat de definitie is van de gemeenschap waarbij we willen horen.

De analyse, dat onze hedendaagse media solisme en narcisme in de hand werken is bedriegelijk acceptabel en daarme waarschijnlijk onjuist. De sociale netwerken en gemeenschappen die we vormen via die media zijn echter wel permanent impermanent, structureel instabiel, stevig neergezet op brakke grond. Onze alleszins betekenisvolle relaties in media zijn daarmee per definitie brakke betrekkingen.

Monddodende pasta van de massamedia

Een andere opmerkelijke verhaallijn in Bardoel’s rede gaat over de vermeende functie van de journalistiek in deze decollectiviserende dan wel recollectiviserende samenleving (en ik citeer): “het scheppen van een gemeenschappelijke werkelijkheid en een openbaarheid.” De werkelijkheid zoals de journalistiek die schept is er eentje, waarin verreweg de meeste (zo niet alle) burgers zich niet herkennen.

De werkelijkheid van de media is er niet een die voldoet aan de maatstaf der gemeenschappelijkheid, maar juist aan de criteria van de massamedia: is het interessant, heeft het nieuwswaarde, en wordt het gezegd dan wel bevestigt door Iemand Die Macht Heeft of Er Voor Doorgeleerd Heeft?

Deze ‘medialogica’ is inherent aan de wederzijdse oriÎntatie van politiek, het zakenleven, grote delen van het hoger onderwijs, en de institutionele journalistiek. Wat daarbij voor burgers overblijft is een rol als onbenullige buitenstaander, deel uitmakend van een toeschouwersdemocratie, waarin we zo nu en dan mogen opdraven om wat te roepen (demonstraties), een formuliertje in te vullen (verkiezingen), of iets te kopen (een krant, een omroeplidmaatschap, een product waarvoor tijdens of rondom de redactionele inhoud geadverteerd word). Onze deelname aan de samenleving is ingesmeerd met de monddodende pasta van de partijpolitiek en massamedia.

Journalistiek moet irriteren

De functie van de journalistiek is er dus een die de gewone mensen uitsluit, net zo goed als dat de functie van de politiek is. Uiteindelijk – en dit inzicht dank ik aan Alexander Pleijter – vervalt Bardoel in zijn pleidooi tot het terugfluiten van het vak naar verdere versteviging van dit soort exclusiviteit. Onder het mom van ‘kwaliteit’ wordt de schoorvoetende deelname van de burger aan haar nieuws in de kiem gesmoord.

Als we ons dan toch druk willen maken over kwaliteit, bijvoorbeeld in termen van een soort beroepsmatige eer in het werk van de journalist, dan is het misschien beter om te stellen dat echt goede journalistiek er eentje is die mateloos irriteert, die schopt, duwt en trekt, die zweet en bloedt, die door iedereen die ook maar enigszins een positie van macht en verantwoordelijkheid bekleedt gehaat wordt.

Echt goede journalistiek is roddeljournalistiek. Voor mijn proefschrift (gepubliceerd in 2002) interviewden we onder anderen een twintigtal journalisten werkzaam bij bladen als Privé, Weekend, en Party. Een van de hoofdredacteuren merkte destijds op, dat hij uitsluitend mensen aannam “waarvan ze op Nederlandse feestjes zeggen van ‘daar heb je die hufter weer’.” Aan welke journalisten hebben machtshebbers tegenwoordig nog de pest?

Kritiek gaat niet ver genoeg

Ik vermoed dat je ook meer nieuws verkoopt met het aggressief aanpakken van Wilders en Rutte en Cohen, dan netjes op te schrijven wat voor gesaneerde prietpraat ze tijdens de laatste persconferentie (inclusief koffie en een koekje voor het verzamelde journaille) uitgeblaat hebben.
De manier waarop wetenschappers met journalistiek om gaan, is vaak kritisch maar deze kritiek gaat niet altijd ver genoeg.

De journalisten zijn (meestal) niet het probleem. De journalistiek als beroep is, naar mijn overtuiging, overduidelijk het probleem. Het lijkt erop dat Jo Bardoel er voor kiest in zijn hoogleraarschap niet op de zere tenen van de nieuwsindustrie te gaan staan. Dat is op zich een verstandige keuze: tenslotte moet zijn universiteit studenten opleiden die straks een baantje in die industrie willen verdienen. Maar misschien is het tijd om simpelweg aan de journalistiek voorbij te gaan.

Meer geweldadige reflectie

De journalstiek is, zoals ik al eens eerder heb gesteld, een zombie-instelling. Journalisten zijn echter geen zombies – het zijn vaak uiterst gedreven en talentvolle mensen die burgers echt veel beter zouden kunnen informeren (al dan niet in samenwerking met die samenleving zelf) als ze maar een industrie hadden die het hen mogelijk maakte fatsoenlijk hun werk te kunnen doen.

Nederland heeft de laatste tien jaar een hele reeks hoogleraren journalistiek (erbij) gekregen. Velen daarvan, mijzelf incluis, revancheren zich met die positie (zoals Bardoel het stelt) voor hun gebrek aan status en aanzien toen ze nog journalist waren. Ik denk dat deze positie vraagt om meer gewelddadige reflectie en minder respectvol betoog. De wetenschap moet niet beschrijven hoe de dingen zijn, maar hoe ze kunnen veranderen.

En ja, dat laatste staat op de grafsteen van Karl Marx.

Een overzicht van de andere bijdragen in deze serie vindt u hier.

Al 8 reacties — discussieer mee!