krantenarchiefHet is inmiddels een bekend fenomeen: het ijzeren geheugen van het internet. Iemand googelt jouw naam en bij de eerste hits vindt hij een bericht over iets wat je pakweg tien jaar geleden gedaan, gezegd of geschreven hebt. Daar ben je niet blij mee. Omdat de informatie nu niet meer relevant is of – in het slechtste geval – schadelijk is voor je reputatie. Jeugdzondes kunnen je op het internet een levenlang blijven achtervolgen.

In de afgelopen jaren hebben verschillende personen geprobeerd om de door hun schadelijk geachte informatie of tenminste hun naam uit de online-archieven van diverse media verwijderd te krijgen. Zij gingen naar respectievelijk de Raad voor de Journalistiek (2006), de burgerlijke rechter (2010) en de Raad van State (2010). Tot drie keer blijkt de integriteit van het archief het zwaarst te wegen. Maar het is de vraag of dat altijd zo zal zijn. Een analyse van de drie uitspraken.

1. Raad voor de Journalistiek
In 2006 wendt meneer X zich tot de Raad voor de Journalistiek. In november 1999 en juli 2001 zijn artikelen geplaatst in het Ublad, het (inmiddels niet meer bestaande) magazine van de Universiteit Utrecht. In die artikelen wordt X – destijds student aan die universiteit – geïnterviewd. Zijn volledige naam wordt in de artikelen vermeld. De artikelen zijn op de website van het Ublad geplaatst en daar nog steeds te raadplegen.

In 2006 vraagt X aan de hoofdredacteur van het Ublad om de artikelen te verwijderen van de site of in ieder geval te anonimiseren. De hoofdredacteur van het Ublad weigert dat. “Alle artikelen uit het papieren Ublad worden al sinds jaar en dag in de week van de verschijning integraal op onze website geplaatst, niet alleen als service voor potentiële lezers die niet over het papieren blad kunnen beschikken, maar ook als archief. Zoals te doen gebruikelijk worden uit archieven geen stukken verwijderd of gewijzigd, en zijn weekblad-archieven publiek toegankelijk”.

Alvorens tot zijn uitspraak te komen raadpleegt de Raad voor de Journalistiek Henk Blanken als deskundige. De adjunct-hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden (thans zelf lid van de Raad) schrijft een advies onder de titel Moeten de media kunnen vergeten? Daarin stelt Blanken dat in deze casus drie belangen om voorrang strijden:

1. Het particuliere belang van X om niet langer hinder te ondervinden van de publicaties.
2. Het publieke belang van de integriteit van archieven.
3. Het commerciële belang van de uitgever om een intact archief te kunnen exploiteren.

De Raad laat in zijn uitspraak het publieke belang het zwaarst wegen. “De samenleving is gebaat bij goed functionerende, zo volledig mogelijke en dus betrouwbare archieven, waarvan de inhoud niet kan worden gewijzigd. Slechts in bijzondere gevallen acht de raad het denkbaar dat op dit maatschappelijk belangrijke principe – na uiterst zorgvuldige belangenafweging – een uitzondering wordt gemaakt”. In de onderhavige situatie is volgens de Raad geen sprake van een “bijzonder geval”.

2. Burgerlijke rechter
In maart 2009 ontstaat er een arbeidsconflict tussen de opleidingsdirecteur (mevrouw Y) van de faculteit Werktuigbouwkunde van de Technische Universiteit in Eindhoven en haar werkgever. Onder meer het Eindhovens Dagblad bericht daarover met vermelding van de volledige naam van mevrouw Y en met een portretfoto van haar ter illustratie van het bericht.

Wat mevrouw Y ernstig dwars zit, is dat in het bericht melding wordt gemaakt van “op non-actief stellen”, terwijl daar slechts gedurende zeer korte tijd sprake van was geweest. Zij maakte namelijk met succes bezwaar tegen deze maatregel en kreeg vervolgens “bijzonder verlof”. In haar ogen is “op non-actief gesteld worden” veel schadelijker voor haar reputatie dan “bijzonder verlof krijgen”, gezien de verschillende juridische grondslagen voor beide maatregelen. Haar arbeidsrelatie met de universiteit eindigde uiteindelijk per 1 januari 2010 met eervol ontslag.

Ook voor mevrouw Y geldt dat Google haar naam direct in verband brengt met het bericht over het arbeidsconflict in het online archief van het Eindhovens Dagblad (ED). Omdat daarin nog steeds sprake is van “op non actief stellen” vindt zij de berichtgeving van het ED een schending van haar eer, goede naam en reputatie. Het feit dat de hoofdredactie van het ED weigert het artikel te verwijderen, acht zij daarom onrechtmatig.

Ook de burgerlijke rechter – in dit geval de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam – gaat belangen afwegen. Op basis van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) weegt hij het “recht op vrijheid van nieuwsgaring” van het ED af tegen het belang van mevrouw Y om “niet in de pers te worden blootgesteld aan ongerechtvaardigde verdachtmakingen”.

De rechter acht het aannemelijk dat mevrouw Y schade ondervindt van de prominente plaats die het door haar gewraakte artikel uit het ED krijgt bij Google. Maar dat is niet voldoende om van het ED te verlangen het artikel uit het online archief te verwijderen. “Het Eindhovens Dagblad heeft terecht gesteld daar niet aan te kunnen beginnen, nu dit ertoe zou leiden dat telkens als iemand schade stelt te ondervinden van een publicatie zij haar archief zou moeten aanpassen. Het archief zou daardoor niet meer compleet zijn”.

Ook hier weegt het publieke belang van de integriteit van het krantenarchief dus zwaarder dan het belang van mevrouw Y. Overigens merkt de rechter nog wel op dat mevrouw Y zijns inziens wel had mogen vragen om aanvulling of rectificatie van het artikel.

3. Raad van State
Na de Raad voor de Journalistiek en de burgerlijke rechter heeft nu ook de Raad van State uitgesproken dat de integriteit van een online krantenarchief gerespecteerd behoort te worden. Het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen hoeft volgens de Raad van State geen gehoor te geven aan iemands verzoek om zijn achternaam uit een bericht in het online archief van de Universiteitskrant Groningen te verwijderen.

Meneer Z verleende in 2003 medewerking aan een publicatie van het Hoger Onderwijs Persbureau over een conflict dat hij destijds had met de Informatie Beheer Groep. Het artikel is in augustus 2003 gepubliceerd in een aantal hogeschool-en universiteitskranten en onder meer geplaatst in het online archief van de Universiteitskrant Groningen. In het artikel wordt meneer Z met zijn voor- en achternaam genoemd. Hij wil nu dat zijn achternaam uit het het gearchiveerde artikel wordt verwijderd. Meneer gaat voor drie ankers liggen: de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp), de Privacyrichtlijn en artikel 8 van het EVRM.

Volgens artikel 3 van de Wbp is deze wet grotendeels niet van toepassing op “de verwerking van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke, artistieke of literaire doeleinden”. Naar de mening van de Raad van State is “de plaatsing van het krantenbericht in het online archief op de site van de Universiteitskrant aan te merken als een verwerking van persoonsgegevens voor journalistieke doeleinden”.

Maar dat ontslaat de verantwoordelijke voor de verwerking van de persoonsgegevens – in dit geval het College van Bestuur van de universiteit – niet van een aantal verplichtingen uit de Wbp. De persoonsgegevens moeten “op behoorlijke en zorgvuldige wijze” worden verwerkt (artikel 6). De gegevens mogen slechts worden verwerkt indien “de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke (…), tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert” (artikel 8).

De persoonsgegevens “worden niet langer bewaard in een vorm die het mogelijk maakt betrokkene te identificeren, dan noodzakelijk is voor de verwerkelijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt” (artikel 10). En de persoonsgegevensworden slechts verwerkt “voor zo ver zij ter zake dienend en niet bovenmatig zijn” (artikel 11).

Over die hele riedel zegt de Raad van State: “Het belang van een betrouwbaar en representatief archief rechtvaardigt de verwerking van [de] persoonsgegevens [van meneer Z] in het licht van de artikelen 6,8,10 en 11 Wbp)”.

Ook het beroep van meneer Z op artikel 8 van het EVRM en op artikel 9 van de Privacyrichtlijn faalt. De Raad van State: “Gezien de beperkte aard van de mededelingen die over ‘meneer Z’ met zijn instemming in het betreffende artikel in de Universiteitskrant zijn gedaan, weegt zijn belang niet zodanig zwaar dat het zou moeten prevaleren boven de belangen van de vrijheid van meningsuiting en de betrouwbaarheid en representativiteit van het archief”.

De uitspraken op een rij
Wat leren ons deze uitspraken?

1. Het inrichten en beheren van een krantenarchief is een journalistieke activiteit. Dit valt af te leiden uit het feit dat de Raad voor de Journalistiek zich bevoegd achtte om te oordelen over de klacht van meneer X. De Raad voor de Journalistiek kan zich immers uitsluitend uitlaten over “journalistieke gedragingen”. En uit de uitspraak van de Raad van State, die dat met zoveel woorden in zijn uitspraak zegt: “De plaatsing van het krantenbericht in het online archief op de site van de Universiteitskrant is aan te merken als een verwerking van persoonsgegevens voor journalistieke doeleinden”.

2. Het zichtbaar worden van een artikel uit een krantenarchief is geen nieuwe publicatie. Dat stelt de Rechtbank Amsterdam in de zaak tegen het Eindhovens Dagblad. Dat is daar van belang, omdat het artikel later onjuist geworden informatie bevat. Indien het zichtbaar worden van dit artikel uit het archief gezien zou worden als een nieuwe publicatie, zou die nieuwe publicatie mogelijk onrechtmatig zijn, terwijl dezelfde eerste publicatie dat niet was.

3. Drie verschillende instanties laten de integriteit van een krantenarchief prevaleren boven de belangen van privacy. Zie bovenstaande uitspraken van Raad voor de Journalistiek, Rechtbank Amsterdam en de Raad van State.

4. Maar het belang van een betrouwbaar en representatief archief is niet “absoluut”. In alle drie bovengenoemde casussen wordt een belangenafweging gemaakt tussen het belang van de integriteit van een krantenarchief enerzijds, en anderzijds de privacybelangen van mensen wier namen in die archieven voorkomen. In alle drie de gevallen valt die afweging nu uit in het voordeel van de betrouwbaarheid en de representativiteit van het archief. Maar dat hoeft niet altijd zo te zijn.

Voor de Raad voor de Journalistiek is het denkbaar dat in uitzonderlijke gevallen de privacybelangen zwaarder kunnen wegen. De Rechtbank Amsterdam spreekt uit dat “onder deze omstandigheden” het Eindhovens Dagblad niet onrechtmatig handelt jegens mevrouw Y door te weigeren het artikel uit zijn archieven te verwijderen en de gevorderde aanpassingen aan zijn website aan te brengen. De Rechtbank weegt dus alle relevante omstandigheden van dit geval. Waren die anders geweest, dan had de uitspraak anders kunnen zijn.

De Raad van State noemt uitdrukkelijk de omstandigheden die ten nadele van de privacy van meneer Z hebben gewerkt: “De beperkte aard van de mededelingen die over ‘meneer Z’ met zijn instemming in de Universiteitskrant zijn gedaan.”

Het belang van een betrouwbaar en representatief krantenarchief is dus niet “absoluut”. Voorlopig is het antwoord op een verzoek tot aanpassing van een artikel in een krantenarchief: “Nee, tenzij … ” Dat “tenzij” wordt ingevuld door de omstandigheden van het concrete geval. En het lijkt er op dat er dan echt wel wat aan de hand moet zijn.

De besproken uitspraken:
X tegen het Ublad:
RvdJ 2007/67
Y tegen het Eindhovens Dablad: LJN BL5458

Z tegen Universiteitskrant Groningen: LJN
BN6172

Al 11 reacties — discussieer mee!