olafWillen mensen tegenwoordig nog wel betalen voor kwaliteitsjournalistiek? En voor kwaliteitsjournalistiek op internet? Zeker wel, zo ondervond buitenlandcorrespondent Olaf Koens. Hij ging met de digitale pet rond en ontving donaties van 113 sympathisanten die vonden dat hij een verhaal moest maken over de verkiezingen in Azerbeidzjan.

Vijf jaar geleden zat ik op een krakend bed in het oude Intoerist-hotel in Bakoe. Het Sovjetbehang kroop van de muren af en midden in de nacht kon de kraan in de badkamer plots gaan lopen. Er hing verandering in de lucht, de hele voormalige Sovjet-Unie stond op z’n kop nadat in Georgië en Oekraïne jeugdorganisaties de corrupte regeringen met vreedzame straatprotesten op de knieen kregen. Azerbeidjan zou de volgende halte zijn, maar de revolutie kwam niet. Sterker nog, toen de waarnemers en de internationale pers een paar dagen na de frauduleuze verkiezingen vertrokken waren, knuppelde het autoritaire regime de oppositie hard neer. Die avond besloot ik journalist te worden.

Alleen kreeg ik vijf jaar later dat verhaal nog niet verkocht. Het land ligt ver weg, heeft een ingewikkelde naam en de redactiebudgetten staan toch al onder druk. Hoewel ik de afgelopen jaren uit de meest afgelegen regio’s en uithoeken verslag heb gedaan, kon ik dit verhaal bij niemand kwijt. Twee jaar eerder verkocht ik via Twitter een reportage uit Iran, maar zou ik met behulp van sociale media ook genoeg lezers kunnen vinden die voor een achtergrondverhaal de portemonnee trekken?

Honderd tientjes nodig

Het is idee is simpel, zo simpel zelfs dat je bijna niet gelooft dat het werkt. Ik berekende dat ik voor de reis, de onkosten en de overnachtingen zo’n duizend euro nodig had. Dat is aan de lage kant, maar je hoeft als journalist niet altijd in het Ritz-Carlton te overnachten. En wanneer ik honderd lezers zou kunnen overtuigen allemaal een tientje in te leggen was ik al uit de kosten. Tien euro is een goed afgewogen bedrag, het is net te veel geld om het meteen weer te vergeten en te weinig om er echt wakker van te liggen.

Ik had zo het vermoeden dat na vijftig donateurs de teller wel zou blijven steken, en dat ik anderen pas nadat de verhalen gepubliceerd waren alsnog zou kunnen overhalen. Maar tegen alle verwachting in was mijn kleine plannetje binnen drie dagen uitverkocht. Sterker nog, zelfs ruim nadat ik liet weten dat het streefbedrdag al binnen was, bleven de donaties binnenstromen. Uiteindelijk kreeg ik van 113 lezers ruim 1400 euro. Boeken, vliegen en schrijven!

Donaties komen in golven

Vreemd genoeg bestaat het gros van de donateurs juist niet uit vrienden, familie of kennissen. Met 700 Facebook-vrienden en zo’n 3000 followers op Twitter dacht ik dat het niet heel moeilijk zou zijn om aan de eerste donateurs te komen. Dat klopt. De eerste vijftien tientjes waren binnen een uur al binnen. Sterker nog, amper een halve seconde nadat ik de blogpost online zette, registreerde PayPal de eerste betaling. Dat zijn de early adopters, de golf scherpe IT-mensen die altijd overal van op de hoogte zijn en direct op nieuwe initiatieven inspringen.

Daarna ligt de teller even stil, maar dan krijgen je vrienden en collega’s er lucht van. En dan is het na nog eens 25 donaties een dag later plots stil. Dan pas druppelt de rest binnen. Met behulp van honderden retweets, blogposts en een klein beetje oude media melden zich allerlei lezers met interesse. Ze hebben een band met het land of de regio, geloven in innovatieve journalistiek of zijn gewoon benieuwd of het lukt.

Ik kom Azerbeidzjan niet in!

En dan komt het – het lukt niet. Azerbeidzjan is een kleptocratie met een kerfstok vol tegenwerken, belemmeren en buiten de deur houden van journalisten. Vlak voor de verkiezingen voerde het opnieuw de visumplicht in, en bij de ambassades in Moskou en Tbilisi kreeg ik na dagen in de rij te verstaan dat er simpelweg geen behoefte aan pottekijkers was.

Normaal gesproken had ik het de krant laten weten, zou er iemand z’n schouders ophalen en versla je dat soort gebeurtenissen met een korte analyse geschreven vanuit de standplaats of bureauredactie duizenden kilometers verderop. Maar nu had ik iets uit te leggen aan 113 lezers, die stuk voor stuk betaalden aan een reportage waar voorlopig een streep door stond.

Tientjes terugstorten?

De sleutel is openheid en betrokkenheid. Terwijl ik nadrukkelijk aanbood de tientjes terug te storten, schreef ik een verhaal over de aanloop en beloofde ik terug te zullen keren wanneer de ambassade wel wilde meewerken. Niemand wilde het overgemaakte bedrag terug en ik kreeg tientallen mailtjes en zelfs extra donaties om het te blijven proberen of desnoods voor een ander verhaal te gebruiken.

Openheid is belangrijk, niet alleen in je stukken, ook in de manier waarop je te werk gaat en de methodes die je gebruikt. Wanneer een beginnende rechter in een nachtclub na een glas whisky opbiecht hoe je in het land voor een relatief klein bedrag met moord wegkomt, heb je een interessante observatie. Geen hard of bruikbaar nieuwsfeit, maar wel een aardige quote voor Twitter. Er zit een verhaal achter je verhaal en ook dat maakt onderdeel uit van je verhaal.

Haken en ogen van crowdfunding

Waar het idee simpel is en werkt, heeft de praktische uitvoering allerlei haken en ogen. Zo is er nog altijd geen online systeem waarbij lezers gemakkelijk geld over kunnen maken. Idealiter klik je op een knop waarmee je een ‘pledge’ (belofte) doet om het bedrag over te maken, en regelt dat systeem de verdere afhandeling – of dat nu met een Mastercard, PayPal of bankoverschrijving is. Meer dan de helft van de lezers betaalde met PayPal, en dat bedrijf roomde nog eens een royale 8 procent aan kosten af. De rest schreef ouderwets over, maar bijna een derde daarvan heeft moeite met het invullen van simpele cijfers in een formulier.

Bovendien zit je met het dilemma: waar publiceer ik het? Willen de kranten stukken die al aan een groep lezers zijn verzonden? Kun je het aanpassen en er later hapklare reportages voor bladen van maken? Of moet je het gewoon allemaal online zetten en per email doorsturen? Ik koos voor het laatste, en zelfs dan is het nog niet allemaal duidelijk. Want wat doe je met weblogs die het een aardig initiatief vinden en vragen of ze je stukken integraal mogen overnemen? Je bereikt meer lezers, maar misschien stoot het je betalende lezers weer tegen het hoofd.

Bijzonder is ook dat een lezerspanel van 113 betroken mensen in het hele land kritischer is dan welke redactie dan ook. Nog nooit lazen mensen zo intensief mijn stukken en zelden kreeg ik zoveel commentaar, suggesties en verbeteringen.

Is crowdfunding de toekomst voor journalisten?

En dan de hamvraag die iedereen de afgelopen weken stelde: is dit de toekomst van de journalistiek? Kan ik zelf ook zo aan de slag? Ik betwijfel het. Het is een beetje een one trick pony, het foefje werkt eens en daarna is de nieuwigheid er vanaf. Ik zou het voor een heel goed verhaal misschien nog eens uit de kast kunnen trekken en er zullen zeker journalisten zijn die hetzelfde met succes en misschien wel op herhaling kunnen doen, maar de eeuwige oplossing is het niet.

Wel is er iets anders. Ik hoop dat ik bewezen heb dat er een markt is voor verhalen die niet in de spotlights staan. Met een beetje inzet, kennis van zaken en een hoop doorzettingsvermogen trek je 113 lezers over de streep om geld in te zamelen voor een reportage op maat uit een land waarvan de meesten nog nooit gehoord zullen hebben. Dat geeft hoop. Lezers willen best wel betalen voor kwaliteitsjournalistiek, juist op internet. Zolang ze er zelf maar in betrokken worden en je open kaart speelt. Met een beetje creativiteit zijn er allerlei mogenlijkheden in de journalistiek. Heeft u een suggestie? Ik hoor ze graag!

Olaf Koens (Châtillon-sur-Seine, 1985) werkt in Rusland en de voormalige Sovjet-Unie als correspondent voor de GPD. Op freelance-basis, want naast zijn dagbladenwerk schrijft hij voor verschillende Nederlandse, Belgische en Russische publicaties, waaronder het weekblad Knack en The Moscow Times. “In dit gedeelte van de wereld liggen prachtige verhalen zomaar op straat, die moeten wel verteld worden.”

Al 5 reacties — discussieer mee!