In tijden van oorlog is de waarheid het eerste slachtoffer, zo luidt het cliché. Dat mag zo zijn, volgens de schrijvers van het boek War stories: the causes and consequences of public views of war, is de waarheid niet per se ook het laatste slachtoffer. Of toch?

Oorlogsverslaggeving is een vak apart. De crux is om onafhankelijkheid te bewaren en het zicht op de feiten door de oorlogsmist niet teveel te laten vertroebelen. Frontverslaggevers, zowel onafhankelijk als embedded, opereren vaak onder extreme fysieke dreiging en psychologische druk (ze drinken daardoor meer en zijn vaker depressief dan de gemiddelde burger en ze lijden bijna even vaak aan posttraumatische stress-stoornissen als soldaten). In zulke omstandigheden is het moeilijk te ontdekken wat er werkelijk aan de hand is. Maar ook voor journalisten ‘thuis’ die verslag doen van de oorlog en van het debat in de politiek en samenleving is het moeilijk onafhankelijk en objectief te blijven, zo blijkt ook uit onderzoek.

Elke grote oorlog levert weer een hausse aan onderzoek naar de verslaggeving op. De Irak-oorlog slaat wat onderzoek betreft waarschijnlijk alle records. Vanwege het wereldwijd omstreden karakter ervan zijn wetenschappers vooral geïnteresseerd in hoe de media er al dan niet toe hebben bijgedragen dat in sommige landen wel en in andere nauwelijks discussie was over deelname aan die oorlog. De journalistiek komt er in dat onderzoek doorgaans niet al te best vanaf.

In landen die zelf deelnemen aan de oorlog is de verslaggeving partijdig en vertekend. Doorgaans krijgen voorstanders van de oorlog een veel grotere stem dan tegenstanders, en wordt de oorlog vooral uit het perspectief van onze jongens beschreven (‘de vijand viel ons aan’). Voor nuances, nadelige gevolgen als burgerslachtoffers, laat staan voor de stem van de tegenstander is veel minder aandacht.

Oorlogsnieuws en de publieke opinie

De commissie-Davids heeft ons geleerd dat je, wanneer je de feiten negeert (er zijn geen massavernietigingswapens!), je soms verkeerde beslissingen neemt. Het patroon van vertekende berichtgeving in tijden van oorlog is inmiddels genoegzaam bekend. Veel minder duidelijk was tot nu toe wat de gevolgen zijn van die berichtgeving op de publieke opinie. Kunnen politici en journalisten (soms met behulp van elkaar, soms elkaar danig in de weg zittend) het publiek beïnvloeden zonder dat de werkelijke feiten er nog toe doen? Die vraag beantwoorden de politicologen Matthew A. Baum en Tim J. Groeling van respectievelijk Harvard en UCLA in hun prachtig onderbouwde, maar niet erg toegankelijk geschreven boek.

Baum en Groeling concluderen dat de manier waarop media verslag doen van een oorlog niet alleen op korte maar ook op langere termijn een belangrijke invloed heeft op de publieke opinie. En dat die invloed gedurende lange tijd zo groot is dat de werkelijke feiten rond de oorlog er niet toe doen.

Analyse van de Irak-oorlog

Ook zij onderzochten de Irak-oorlog. En ze gingen daarbij niet over een nacht ijs. Ze deden analyseerden berichten in verschillende mediatypen (oude en nieuwe), een hele reeks aan opiniepeilingen en namen een complex aan factoren mee waaronder nieuwswaardigheid, bias, het effect van verschillende politieke partijen, de feitelijke ontwikkelingen in de oorlog en naast publieke opinie ook een hele rits aan publiekskarakteristieken. Ze gebruikten daarbij een flink aantal onderzoeksmethoden en, het mooiste van alles, ze deden dat in een lange-termijnopzet: niet een momentopname maar een trend over meerdere jaren.

Het gaat in de analyses vooral over de invloed van hoe het politieke debat geschetst wordt door de media. Journalisten zijn niet de passieve doorgeefluiken die ze vaak claimen te zijn. Integendeel, zo blijkt uit dit onderzoek: journalisten geven vaak geen accuraat beeld van de politieke consensus over de oorlog of het gebrek daaraan. Dat is niet vanwege bewuste, ideologisch gestuurde vervorming. Het heeft eerder te maken met professionele journalistieke standaarden.

Zo scoort kritiek op de regeringsleider uit diens eigen partij veel hoger op de nieuwswaardeschaal dan kritiek van de oppositie. Dat kan soms leiden tot overmatig veel kritische geluiden. Zie ook de klimaatdiscussie waarin een kleine minderheid van criticasters onevenredig veel aandacht krijgt. Omgekeerd leidt het soms ook juist tot te weinig kritische berichtgeving, wanneer bijvoorbeeld objectiviteit gelijkstaat aan het volgen van officiële bronnen. In een oorlog zijn dat al gauw de eigen regering en het leger.

Toch zit in deze analyse niet het nieuwe van dit onderzoek. Wat Baum en Groeling laten zien, is dat de politieke of oorlogswerkelijkheid er minder toedoen dan de mediaversie ervan.

You can fool some people sometime…

Het publiek past namelijk zijn oordeel over de oorlog aan op basis van berichtgeving. Als de media een eensgezind pro-oorlogsstandpunt laten zien, zal de publieke opinie zich achter dit standpunt scharen, los van hoe de werkelijke verhoudingen liggen. Dus het maakt niet uit hoewel slachtoffers we incasseren en of we winnen of verliezen, we voegen ons naar de media. Als die zeggen dat we voor moeten zijn, zijn we voor. Dit mechanisme is vooral sterk in begin van oorlog. Naarmate de oorlog vordert en zowel media als ook publiek steeds beter geïnformeerd raken en informeren, neemt het effect van de media steeds meer af en dat van feiten steeds meer toe. Tot het moment dat de feiten zwaarder wegen dan berichtgeving.

Op het eerste gezicht lijkt dat een prettig idee. You can fool some people sometime, but you can’t fool all the people all the time. Maar tegen de tijd dat het publiek zijn mening vormt op basis van de feiten in plaats van politieke retoriek, zit een land met een beetje pech al tot aan zijn nek in de oorlog.

Helaas ook is het effect dat ‘de feiten’, zoals het aantal slachtoffers in de oorlog, op de publieke opinie hebben relatief snel uitgewerkt. Hoe langer een gewapend conflict duurt, des te dieper raken de meningen geworteld. Totdat noch de feiten, noch de berichtgeving nog merkbare invloed hebben. Of ‘we’ nu winnen of verliezen, we veranderen niet meer van mening. Dat merkte bijvoorbeeld George W. Bush toen zijn fel bekritiseerde surge succesvol bleek, maar het publiek dat maar niet wilde slikken. Terwijl hij in het begin van de oorlog de opinie nog zo makkelijk bespeelde.

Tenslotte signaleren Baum en Groeling dat nieuwsconsumenten zich steeds meer opsluiten in hun eigen ideologisch gelijkgestemde niche. Met behulp van de nieuwe, ideologisch sterk gekleurde media zoekt men alleen die informatie die overeenstemt met wat men toch al wilde geloven.

Elastische werkelijkheid

De werkelijkheid is dus rekbaar, of zoals de onderzoekers het noemen, elastisch. In het begin van een oorlog heeft berichtgeving in de media verreweg de overhand boven de werkelijke situatie. Het publiek reageert navenant nauwelijks op de feiten en des te sterker op de (scheve) representatie ervan in de pers.

Naar gelang de strijd langer duurt, verdwijnt die grote rek steeds meer uit de werkelijkheid. Anders gezegd, in het begin, vlak voor en vlak na het nemen van de beslissing ‘trekken we ten strijde of blijven we thuis’, hebben Bush, Barack en Balkenende potentieel de grootste macht als het gaat om de natie via de media te beïnvloeden. Vanwege de informatieachterstand bij het publiek hebben ze veel speelruimte om naar eigen goeddunken de gebeurtenissen te duiden. Na verloop van tijd echter hebben ze vrijwel niets meer in te brengen. Maar ook de werkelijke situatie ‘op de grond’ doet er niet meer toe. “Mired in stalemate”, noemde Walter Cronkite dat.

Grote effecten, maar ook een genuanceerd beeld. Een rally-effect (met het hele volk achter onze jongens) vindt vooral plaats in de eerste fase van de oorlog, en dan nog alleen als het publiek politieke eensgezindheid in de media ziet. Als politici ruziën (volgens de media) betrekt ook het publiek de eigen ideologische stellingen en is het dus niet per se gezegd dat de president zijn zin krijgt. Bovendien zijn de effecten voor en deel afhankelijk van de door het publiek gepercipieerde betrouwbaarheid van de bronnen: wie zegt wat over wie in welke context?

Amerikaanse situatie

Natuurlijk zijn veel van de bevindingen uit War stories nogal specifiek van toepassing op de situatie in de Verenigde Staten. Zowel het politieke tweepartijensysteem als het langs ideologische lijnen verdeelde medialandschap en publiek zijn onvergelijkbaar met de situatie in Nederland. Aan de andere kant geeft het wellicht een beeld van wat ons voorland zou kunnen zijn. Zover zijn we hier niet meer verwijderd van een gepolariseerd nieuwspubliek.

War stories brengt excellent wetenschappelijk werk, waarin op overtuigende wijze de rol van de journalistiek in tijden van oorlog wordt uiteengezet. Dat maakt het nog niet tot een fijn leesboek. Vijftien hypothesen plus deelhypothesen die elk hoofdstuk opnieuw in een moorddadige cadans een voor een afgewerkt worden, enorme tabellen en complexe grafieken: het resulteert in wat taai leesvoer. Alleen voor de volhouder dus. Gelukkig is een aantal van de hoofdconclusies in een korter artikel [pdf] opgenomen.

Matthew A. Baum & Tim J. Groeling: War stories: The causes and consequences of public views of war. 2010, Princeton University Press, 329 pagina’s, ISBN: 978-1-4008-3218-7.

Al één reactie — discussieer mee!