Vandaag buigen de regeringsleiders van de eurolanden zich over een pakket aan maatregelen dat de Europese Unie weer een stukje dichter bij een politieke unie brengt. Tegelijkertijd was de journalistieke controle nog nooit zo mager, concluderen Lise Witteman en Irene de Pous in hun scripties.

De regeringsleiders van de Eurolanden zijn voorzichtig aan tot de conclusie gekomen dat een gezamenlijke Europese munt onhoudbaar is zonder tevens een verregaand economisch, financieel, sociaal en fiscaal beleid. Vrijdag bekonkelen ze hoe diep Brussel voortaan zal ingrijpen in onze portemonnee.

Maar naarmate de Europese Unie steeds meer zeggenschap krijgt over het wel en wee van burgers, beweegt de journalistiek zich al jaren in tegenovergestelde richting: het aantal journalisten in Brussel daalde tussen 2005 en 2010 van 1300 naar 800. Sommige Oost-Europese landen heb geen enkele permanente correspondent in Brussel, El Pais heeft er nog maar twee, NRC Handelsblad en De Volkskrant gingen respectievelijk van drie naar twee en van twee naar één en de totale Vlaamse pers, toch om de hoek gevestigd, telt slechts twee Brusselse mannen.

Met deze teloorgang verwordt Europa steeds meer tot een journalistiek onderbezet en onbewaakt gebied. Dit is natuurlijk geen nieuwsflash, maar de problematiek wordt wel urgenter naarmate Europa een dikkere vinger in de pap krijgt. Ook moet toch wel de ietwat pijnlijke vraag worden gesteld hoe serieus journalistiek Nederland zichzelf mag nemen als ze ervan afziet een van de belangrijkste bestuurslagen adequaat te verslaan.

Om meer zicht te krijgen op deze problematiek onderzochten wij voor onze afstudeerscripties voor de master Journalistiek en Media van de Universiteit van Amsterdam verschillende aspecten van de berichtgeving rondom de Europese Unie. Niet om met een beschuldigend vingertje te wijzen naar de (afwezige) journalisten, maar om, hopelijk, weer een stapje dichterbij een oplossing te komen.

Don’t blame the messenger
Het is iets te makkelijk om de schuld direct bij de journalistiek te leggen. Natuurlijk horen de media gewoon hun taak te vervullen van het controleren van de macht en het agenderen van prangende vraagstukken. Maar vooralsnog krijgt de Brusselse correspondent meer de rol van de voorlichter opgedrongen: de gemiddelde lezer ziet de Europese Commissies, Europarlementen en Europese Raden immers al snel duizelen voor de ogen, nog afgezien van al die andere instituutjes en belangengroepjes die iets in de melk te brokkelen hebben.

Maar ook de politieke cultuur op zowel nationaal als Europees niveau zit tegen. Nederlandse parlementariërs hebben amper benul hoe de hazen lopen in Brussel en zullen zich daar dus niet snel over uitlaten. Bovendien: ze zullen wel uitkijken. Het is totaal niet in hun eigenbelang om aan de grote klok te hangen dat ze er steeds minder toe doen in vergelijking tot hun collega’s in Europa.

Daarentegen zijn de collega’s in Europa er ook niet bij gebaat eens lekker nieuwswaardig te gaan rellen met elkaar. Iedere Europese diplomaat weet dat op gedempte toon polderen in achterkamertjes de enige manier om het één en ander voor elkaar te krijgen in Brussel.

Dat de lezers niet warm lopen voor de lauwe politieke cultuur en de abstracte wetsvoorstellen, die vaak pas jaren later hun impact op Nederland hebben, is het publiek dan ook bijna niet te verwijten. Overigens spannen Nederlanders met hun gebrek aan belangstelling wel de Europese kroon: slechts een kwart voelt zich betrokken bij Europa. De wisselwerking tussen deze factoren maakte dat belangrijke Nederlandse media hun correspondenten uit Brussel terugtrokken toen ze geconfronteerd werden met een teruglopend aantal abonnees en weghollende adverteerders. De paar journalisten die nog ter plekke overbleven, kregen daardoor dikwijls een portefeuille waar voor het gemak naast de Europese Unie ook België, de NAVO en de Verenigde Naties in samengepakt werden.

Het directe gevolg is dat de meeste correspondenten ervoor kiezen om, in plaats van een veelvoud aan middelmatige nieuwtjes te verspreiden, de hoofdlijnen te pakken op politiek en economisch gebied. Voor NRC en De Volkskrant resulteert dat er bijvoorbeeld in dat de verslaggeving op die gebieden goed voor elkaar is, terwijl deelgebieden zoals justitie, milieu en zorg het moeten ontgelden. Gebieden waarvoor in Den Haag vaak afzonderlijke journalisten zijn aangewezen. Dat de verslaggeving het op de deelgebieden moet ontgelden is zorgelijk. Juist ook daar wordt veel beleid ontwikkeld waar de Nederlandse burger uiteindelijk mee te maken krijgt.

Belangengroepen zijn nieuwe journalisten
In tegenstelling tot journalisten, hebben belangengroepen wél hun weg gevonden naar Brussel. In de Europese wandelgangen loopt een geschat aantal lobbyisten van tussen de 15 en 20 duizend rond. Hun invloed is niet gering. De Europese Commissie – die het meeste beleid ontwikkelt – kent een relatief kleine bureaucratie en maakt dan ook graag gebruik van de input van lobbyisten.

Dit is niet per se negatief, maar het brengt wel het risico met zich mee dat bepaalde belangengroepen (vaak degenen die meer geld hebben om te lobbyen) meer invloed hebben dan anderen. Oplettende waakhonden zijn daarom essentieel voor een democratisch verloop van de Europese beleidsprocessen. Uit een case-study in één van de scripties blijkt dat die rol van waakhond tot nu toe het meest vervuld wordt door kritische NGO’s, die zelf ook een speler zijn in het beleidsproces. Zij monitoren nauwlettend de besluitvorming, en trekken aan de bel als het verloop ondemocratisch en niet transparant is.

Maar NGO’s alleen kunnen nooit het gat vullen dat er nu is. Ten eerste zijn zij, zoals gezegd, zelf spelers in het proces en hebben dus belang bij een bepaalde uitkomst. En belangrijker: ze bereiken slechts een heel select publiek. De media daarentegen hebben de macht om informatie buiten de Brusselse zeepbel te brengen en politici het gevoel te geven dat ze in de gaten worden gehouden. De enkele onthullende journalistieke stukken die er in de case-study waren bevestigen dit.

Is er een uitweg?
De media hebben dus een belangrijke rol te vervullen, maar doen dit slechts heel beperkt. Hoe nu dit journalistieke gat te vullen? Een kant-en-klare oplossing hebben wij niet, maar verder terugtrekken kan in ieder geval het antwoord niet zijn. Daarom enkele ideeën die volgen uit onze onderzoeken:

● Geef nationale verslaggevers een grotere rol bij het in de gaten houden van ‘Brussel’ op deelgebieden. Uit de case-study bleek dat de echte onderzoeksstukken gemaakt waren door nationale verslaggevers, die thuis waren in het deelgebied en dit ook op Europees niveau in de gaten hielden. Zij konden veel beter kritische stukken maken dan de correspondent. Het zal dus lonen als verslaggevers met een nationaal specialisme zich meer op Brussel gaan richten. Dit vraagt waarschijnlijk wel een verruimde blik en een stoomcursus ‘hoe werkt de EU’. Maar het grote voordeel: de winst is te halen binnen de bestaande structuren.

● Versterk de onderzoekscapaciteit in Brussel. Dit gaat in tegen de huidige bezuinigingen, en vraagt juist om een investering. Maar we denken dat het zal lonen: er is een goudmijn aan onderzoeksonderwerpen in Brussel, en, denken wij, ook een markt voor Europese onderwerpen die de interesse van de lezer kunnen triggeren. Het gaat er alleen om hoe de onderwerpen gebracht worden. Niet een veelheid aan berichten die nieuw beleid ‘communiceren’, maar onderzoekstukken die blootleggen wat er zich in Brussel afspeelt. Een krant die zich hierop profileert, zal zeker bij een bepaald en groeiend publiek waardering vinden.

● Werk structureler samen met collega’s uit andere Europese landen. Een van de grote problemen is dat elk medium maar een kleine afzetmarkt heeft, terwijl in feite een heel groot publiek hetzelfde belang deelt, namelijk weten wat er gaande is in Brussel. Onderzoeksprojecten kunnen dus goed samen gedaan worden: het levert meer informatie op, bereikt meer mensen, en niemand verliest erop.

● Denk buiten de structuren van bestaande nieuwsmedia. Naar Amerikaanse voorbeeld kunnen we denken aan NGO’s die journalistiek onderzoek doen, gefinancierd door particulieren die dat belangrijk vinden. Het onderzoek kan vervolgens via eigen online kanalen en via traditionele media verspreid worden.

Tijdens de Europese top zullen er genoeg journalisten aanwezig zijn, dat is het probleem niet. Maar wanneer de regeringsleiders weer naar huis zijn afgereisd en de grove overeenkomsten binnen de Brusselse gelederen naar concrete wetten worden vertaald: wie let er dan op?

Lees/download hier de scripties

Lise Witteman – Europa op papier

Irene de Pous – Are we watching?

Al 5 reacties — discussieer mee!