Sommige zelfstandige journalisten trekken graag een grote broek aan over hun onmisbaarheid – maar gedragen zich als Calimero wanneer een opdrachtgever het hard speelt. En daardoor maken ze het zakelijk ingestelde journalistieke zzp’ers knap lastig.

Toen ik alweer wat jaren geleden een brief kreeg van een grote landelijke ochtendkrant dat mijn tarief met ruim 60 procent verlaagd zou worden, pakte ik gelijk de telefoon. Aan de andere kant van de lijn de chef van de deelredactie waarvoor ik toen nog werkte.

‘Jij belt zeker om te onderhandelen,’ zei ze.

‘Nee, ik bel om afscheid van jullie te nemen en je te bedanken voor de prettige samenwerking. Want bijna tweederde eraf is zoveel dat we geen middeling zullen kunnen vinden waar we allebei gelukkig van worden,’ antwoordde ik.

Even stilte aan de andere kant. Toen: ‘Ik snap je wel. Daarvoor valt ook niet meer te werken. Ik ga zelf trouwens ook weg. Een andere baan heb ik al en zo profiteer ik van de oprotpremie uit het sociale plan.’

Bezuinigen
Het is een terugkerend patroon in de journalistiek: bij een medium gaat het slecht. De hoofdredacteur en/of uitgever doen wat ze moeten doen en nemen het budget onder de loep. Vervolgens gaan ze kijken waar ze kunnen ingrijpen.

Vaak zijn freelancers als een van de eersten aan de beurt. Dat is logisch. Vanwege het starre Nederlandse ontslagrecht, de aanzienlijke macht van werknemersorganisaties en de doorgaans rubberen ruggengraat van journalistieke leidinggevenden die nog nooit hebben gehoord van de uitdrukking ‘een dossier opbouwen’ is het lastig om personeel te ontslaan.

Dus probeer je te snijden daar waar dat wel eenvoudig kan. Onder je toeleveranciers: de mensen die diensten aan je verkopen maar waar je geen verplichtingen naar hebt. Net zomin als je verantwoording aan Albert Heijn hoeft af te leggen op het moment dat je besluit de boodschappen voortaan bij de Dirk te halen. En natuurlijk ben je ook vrij om als afnemer te proberen een betere prijs te bedingen voor de diensten die je afneemt. Op de Albert Cuyp geldt immers ook geen onderhandelingsverbod.

Brandweerman
Dat vind ik, voor alle duidelijkheid, part of the game. Wie niet tegen een beetje hitte kan, moet geen brandweerman worden. Er is niemand die u of mij heeft gedwongen om zelfstandige zonder personeel te worden, en al helemaal niet om onze diensten juist in de journalistieke sector aan te bieden, een business die zacht gezegd nu niet echt voortreffelijke rendementen laat zien de afgelopen jaren.

Nee, ik erger me niet zozeer aan de opdrachtgevers maar aan sommige leveranciers. Specifiek de zich collega’s noemende types die eindeloze preken afsteken over hun eigen onmisbaarheid, maar als puntje bij paaltje komt zo ontzettend weinig geloof blijken te hebben in hun eigen marktwaarde dat ze toch maar akkoord gaan met een slechter tarief. Meestal zonder zelfs maar een poging te doen tot geloofwaardig onderhandelen. (Laat staan te zeggen: ‘Voor dat bedrag werk ik niet.’)

Voorbeelden
U wilt een voorbeeld, u krijgt een voorbeeld. Toen een tijdje geleden Sanoma haar inkoopvoorwaarden ‘aanpaste’ (het juristenwoord voor ‘verslechterde’), ging de Freelancers Associatie (FLA) over tot… Juist: toch maar níet over tot actie. Reden: zoveel leden hadden al ingestemd met de nieuwe voorwaarden dat de FLA het kansloos achtte om nog te proberen er iets te tegen ondernemen. Met zulke vrienden onder je collega’s heb je geen vijanden meer nodig.

Nog een voorbeeld. HP/de Tijd ‘besloot’ (alsof een prijs eenzijdig wordt vastgesteld) om de tarieven voor een fotoreportage te verminderen tot 300 euro. Daar waren fotografen niet blij mee, en terecht. Maar leest u even dit artikel op Villamedia en met name de reacties eronder. De teneur ervan is onthullend: men reageerde alsof men een soort lijfeigene is die geen andere keus heeft dan in te stemmen.

Drie alternatieven
Niet nodig. Want als journalistieke of fotograferende ondernemer heeft u juist alle keus. Ik noem er drie.

Zo kunt u onderhandelen. Een tegenbod doen. Alleen een naïef persoon laat zich afschepen met de zin: ‘Onze inkooptarieven liggen vast.’ Omdat er daarvan blijkbaar veel zijn in de journalistiek, word je wel tot vervelens toe – meer dan in andere sectoren – met deze kreet om de oren geslagen, want klanten hebben gemerkt dat het werkt. Niettemin: elk jaar kom ik vijf bedrijven tegen die dit zeggen, waarbij er vervolgens bij minstens vier wel degelijk ruimte blijkt te bestaan.

U kunt ook niet onderhandelen: zeggen dat de oude prijs een prima bedrag was en dat het niet voor minder kan. Of, voor de durfals: de opdrachtgever speels herinneren aan het feit dat het huidige tarief alweer vijf jaar oud is, en een inflatiecorrectie voorstellen. Brutalen hebben de halve wereld. (Niet-brutalen, zoals de meeste freelancende journalisten, hebben de andere helft, maar die zijn met veel meer.)

Natuurlijk loopt u de kans dat de gewaardeerde klant – laten we nou eens afstappen van dat serviele ‘opdrachtgevers’ – vervolgens zegt: dan liever niet. Maar dat kunstje beheerst u ook. U kunt (altijd op beleefde wijze) afscheid nemen als de klant te karig is. Daar is in de meeste gevallen niets aan verloren.

Uurloon bij McDonald’s
Integendeel: in plaats van te klagen over een klant die niet meer biedt dan het uurloon bij McDonald’s, zou u ook kunnen bedenken met welk ander werk u méér kunt verdienen. Trainingen geven, advieswerk doen, werk zoeken op de terreinen waar u journalistiek specialist bent. Of desnoods patat gaan bakken: minder verantwoordelijkheid, betere uren, gratis zout en vet voedsel, enzovoorts.

Waarom wilt u eigenlijk werken voor een centenpoetser die kwantiteit hoger achter dan kwaliteit? Bent u voor zo weinig andere dingen geschikt dan alleen stukjes tikken of foto’s maken? Bent u, kortom, op zulke strenge huwelijkse voorwaarden getrouwd met de journalistiek als enige broodheer dat er zelfs geen (al dan niet tijdelijke) scheiding van tafel en bed mogelijk is? Ik ken u niet, maar het lijkt mij hoogst onwaarschijnlijk.

Vraag en aanbod
De journalistieke markt is niet anders dan andere: ze werkt middels vraag en aanbod. In dit geval hebben we te maken met een overschot aan aanbieders die nog liever voor McDonald’s-tarief werken dan te onderhandelen of – stel je voor! – een klus te weigeren. Daarmee zijn ze niet alleen een vijand van hun eigen portemonnee, ze maken bovendien het onderhandelen moeilijker voor collega’s die wel zakelijk zijn ingesteld.

Dat moet anders. Journalistiek is serieus werk en dus business. Bij business hoort praten over centen. Dat er freelancers én opdrachtgevers zijn die daar moeite mee hebben, geeft aan dat ons vak nog lang niet volwassen is. Want alleen bij hobby’s en vrijwilligerswerk wordt nooit over geld gepraat.

Arjan Dasselaar schreef deze column voor een belachelijk laag honorarium, maar dit is dan ook vrijwilligerswerk.

Arjan Dasselaar

Al 12 reacties — discussieer mee!