Deed het wereldnieuws er vroeger soms weken over om de andere kant van de wereld te bereiken, tegenwoordig wordt al het kleine en grote nieuws binnen enkele tellen de aardbol rondgetwitterd. Welke gevolgen heeft dit voor de buitenlandcorrespondent? DNR wijdt een serie aan deze vraag. In de tweede aflevering vertelt Bas Verbeek, freelance correspondent in Zuid-Korea, hoe hij op stel en sprong afreisde naar Japan om de aarbevingsramp te verslaan en welke rol oude en nieuwe media spelen voor de buitenlandcorrespondent  in rampenberichtgeving.

Breaking nieuws op vrijdag. Een flinke aardbeving en tsunami in Japan. Dan kan je als freelance correspondent in Zuid-Korea twee dingen doen: met open mond tv blijven kijken of bedenken dat Japan erg dichtbij is, zonder al teveel overpeinzingen een ticket boeken voor de eerstvolgende vlucht en op Twitter zetten dat je de volgende ochtend in Japan staat. Ik koos voor het laatste.

Snel stuur ik mailtjes en pleeg telefoontjes naar vaste opdrachtgevers. Zij kijken echter ofwel de kat uit de boom ofwel werken samen met een man in Japan. Lastig. Intussen loopt de teller op mijn Twitter over de 100+ retweets. De telefoon gaat en er komt e-mail van media die ik zelf niet had benaderd, maar via Twitter hadden vernomen dat ik naar Japan zou gaan. Die hebben wél oren naar verslag uit Japan. Het levert een minimale toezegging op, maar het journalistieke avontuur lonkt. Japan blijft in de headlines en die verhalen krijg ik wel weggezet, denk ik bij mezelf. De respons via Twitter geeft me vertrouwen. “Morgen sta ik in het rampgebied”, tweet ik naïef.

Contacten leggen via sociale media

Want een ticket boeken is één, maar eventjes naar Sendai of Fukushima om het verhaal achter de ramp te maken, zou niet zo eenvoudig blijken. Aangekomen op het vliegveld van Osaka – ten tijde van het boeken lagen vliegvelden bij Tokio half plat – pak ik een trein richting Tokio. Gewapend met een smartphone en laptop zoek ik intussen contact met mogelijke assistenten in Japan. Ik heb een vertaler nodig, maar mijn netwerk in buurland Japan stelt weinig voor. Ik mail, ik tweet, ik facebook en ik login op de Japanse forums op Couchsurfing – een grote internetcommunity waar reislustige avonturiers elkaar slaapplekken geven, dus meertalig.

Mijn verzoek verspreidt zich en zo ontstaan er als snel contacten. Dat ging makkelijk, denk ik. Maar het zijn voornamelijk de professionals die toehappen, en die rekenen astronomische tarieven. Dat kan ik niet behappen als freelancer voor relatief kleine media. Mijn vertrouwen in mijn internetverbinding en sociale media als snelle hulp loopt een deuk op: ik moet niet even een interviewtje doen met een Japanner op kantoor in Tokio, maar ik moet naar een rampgebied. Heb ik daar ouderwetse contacten voor nodig bij bijvoorbeeld de elitaire correspondentenclub? Ik ben terug bij af en begin te twijfelen: kan een freelancer in deze situatie functioneren?

Samenwerken is het devies

Het centraal station in Tokio. Treinen en bussen rijden niet naar het noorden, waar de wegen en sporen beschadigd zijn door de aardbeving en de tsunami. Bovendien voert de regering een regel in dat je alleen met schriftelijke toestemming de gebieden in kunt rijden. Een extra obstakel, waar ook veel grote media mee overhoop zitten. Veel in Tokio gestrande journalisten stromen het station uit. Overgevlogen van ver of correspondenten uit naburige landen. De grote jongens met budget zeggen hun reis naar het rampgebeid wel te laten fixen door hun contactpersoon en springen een taxi in naar hun dure hotel voor de komende nacht, de onafhankelijken zitten met de handen in het haar.

Het centraal station blijkt een goede plek om te verenigen met lotgenoten die eveneens met een bescheiden budget moeten doen. Zo ontmoet ik een stel onafhankelijke correspondenten die bereid zijn te delen in een eventuele gefixte rit en vertaling. We nemen kamers in hetzelfde hotel. Een mooie basis.

Kosten rijzen de pan uit

Intussen ontstaat er contact met meer fixers en potentiële assistentie, die ik nu toezeggingen kan doen. Maar met de kerncentrale in Fukushima en energietekorten in de rampgebieden wordt de situatie in Japan steeds onwerkbaarder. Er volgen twee dagen van bellen, sms’en en mailen met mogelijke assistentie die om allerlei redenen uiteindelijk afhaken, voornamelijk vanwege het gebrek aan praktische middelen en de dreigende nucleaire ramp.

Zonder een letter gepubliceerd te hebben gaat alle tijd op aan de fixpogingen, terwijl de kosten in het dure Japan de pan uitrijzen. Daar wordt je als correspondent die zijn eigen zakgeld in de reis gestopt heeft zenuwachtig van. Een schrale troost is dat de meeste journalisten muurvast zitten in Tokio, ook veel van de grote televisiestations en kranten. Hoe gefrustreerd ook, ik trek een positieve conclusie dat ik door middel van het ter plaatse contacten leggen en actief blijven op allerlei internetkanalen snel een netwerk creëer dat in een situatie zonder kernramp voldoende zou functioneren.

Culturele duiding

Na twee dagen tevergeefs blindstaren op de reis naar het rampgebied, is de honger om te publiceren groot. In de hoofdstad liggen er ook zat verhalen, dus waarom niet daarmee aan de slag? Bovendien ontwikkelde er zich de afgelopen dagen een vreemd contrast tussen de sfeer in Japan en die in het westen. Terwijl de Japanners kalm blijven en op de televisie een geruststellende, monotone voice-over te horen is, schrijven CNN en De Telegraaf hun headlines met beladen chocoladeletters. Een lege gemakswinkel in Tokio staat kennelijk gelijk aan paniek. Hier moet de man ter plaatse aan te pas komen die verder kijkt dan de weggespoelde huizen – beter nog de regionale correspondent die bekend is met de cultuur en de boel in een nog breder perspectief kan zetten. Natuurlijk is er wel emotie bij de Japanners, maar dat tonen ze niet – er wordt wel degelijk gehamsterd, maar wel door netjes in een rij aan te sluiten zonder te vechten voor de schappen. Als er een land wereldkampioen zelfbeheersing is, is het wel Japan.

We zijn gewend rampen te zien in gebieden waar chaos heerst. Dat is in Japan niet het geval, maar media linken de feiten gemakkelijk – al dan niet onbewust – met chaotische beelden van andere rampen die in het geheugen gegrift staan. In Tokio gaat het gewone leven juist door en spannen de hoofdstedelingen zich juist in om chaos te voorkomen, door bijvoorbeeld gehoor te geven aan de oproep stroom te besparen. De buitenlandse logica gaat vaak niet op in Japan. RTL’s ingevlogen Jaap van Deurzen vertelt bijvoorbeeld op meelijwekkende toon hoe zielig het is dat de oude vrouwen in een opvangcentrum op de grond moeten slapen. Wat hij kennelijk niet weet is dat heel veel Japanners tot op de dag van vandaag altijd nog iedere nacht op de vloer slapen. Traditioneel ook nog eens met het hele gezin in één ruimte. No big deal dus.

Betrokkenheid creëren met Twitter

Gebruikte ik in het begin van mijn reis Twitter als hulpje om mijn eigen zaken op gang te krijgen, eenmaal ter plaatse is Twitter weer een podium, overigens eentje waarbij ik juist door mijn oproepen in het begin en het persoonlijk blijven tweeten de lezers direct betrek. Dat creëert een andere relatie dan met een journalist die alleen van zijn aanwezigheid in Japan laat horen door in de krant te verschijnen: de betrokkenheid is groter.

Op Twitter kan ook direct tegenwicht geboden worden aan headlines die uit zijn verband getrokken worden, hoewel dat natuurlijk ook in de krant moet gebeuren. In het proces van mensen interviewen voor die krant deel je soms een quote of bevinding, gemixt met persoonlijke updates, gedachten en headlines die tot je komen om de boel compleet en inzichtelijk te maken. Echter, ik vond het in dit geval niet noodzakelijk om me al teveel te bekommeren om het doorgeven van headlines. Sterker nog, degenen die thuis constant op Twitter zitten en CNN keken waren vaak sneller geïnformeerd dan ik, omdat ik bezig was met veldwerk.

De ramp in Japan gaat bovendien de geschiedenis in als meest geavanceerd gecoverde ramp. Google maakt kaarten, er zijn systemen om vermisten op te sporen, inwoners van het rampgebied posten YouTube vol amateurbeelden. Er zijn zelfs livestreams van geigertellers te zien. De gebouwen trillen nog als op Twitter alweer geroepen wordt dat er weer een flinke nabeving plaats vindt. Aan feiten geen gebrek.

Juist daarom jaagt de moderne correspondent niet als een kip zonder kop op die feiten. De grote persbureaus zijn je toch altijd voor. De moderne correspondent, zoals die al eerder gedefinieerd werd op De Nieuwe Reporter, vertrekt niet naar een land om te concurreren met bijvoorbeeld AP of Reuters. Dat moet je bij een ramp als deze ook niet willen. Je gaat sfeer proeven, praten, achter de schermen kijken, je regionale kennis toepassen.

1.0 vs. 2.0

Ik zie dat op Twitter gewaardeerd wordt hoe ik bepaalde feiten ervaar of ter plaatse de impact ervan waarneem. De timeline staat immers toch al vol met meldingen van de zoveelste naschok; de exacte graad erbij vernoemd. De ervaringen en de citaten die ik eerder al op Twitter deelde vormen nu een teaser voor het volledige verslag in de krant van de volgende dag. Hoe prominent Twitter ook een plaats inneemt in de hedendaagse informatievoorziening, de ‘oude media’ zijn nog altijd dé plek om verhalen te lezen, horen en zien. Een verhaal waarin alle informatie waarmee je de hele dag bent gebombardeerd wordt geplaatst in een heldere vertelling.

Twitter moet ook niet overschat worden in zijn gebruik als consumptiemedium. In de eerste plaats is het aantal volgers van de meeste Twitteraars – zeker in mijn geval – verwaarloosbaar vergeleken met het publiek dat de krant weet te vinden. Ten tweede wordt Twitter vooralsnog grotendeels bevolkt door allerlei mediaprofessionals, vakgenoten. Twitter is een geweldige aanvulling als netwerktool, een geweldige manier om potentiële lezers te betrekken, maar om echte verhalen te vertellen blijft een gecentraliseerd podium onmisbaar. Degenen die alleen op Twitter blijven hangen missen de mooie reportages die in de kranten, op tv en op de radio verschijnen. Het gekluisterd zijn aan de stem van de verteller die de feiten context geeft. Die concentratie kan op Twitter nooit plaatsvinden.

De dreiging van radioactiviteit in Japan joeg veel journalisten het land – of tenminste het rampgebied – uit, waaronder ondergetekende. Juist die situatie demonstreert het ouderwetse belang van een buitenlandcorrespondent. Terwijl een informatiestroom door vloeit, voel je het gemis van een duider, een verteller ter plaatse. Hopelijk is de situatie binnenkort weer werkbaar zodat dat ambachtelijke 1.0 werk er weer op een 2.0 manier gedaan kan worden.

Honorarium? Haha.. serieus?
Een omroep belt. Ze willen me graag spreken voor radio en tv. Ik informeer net als andere bellende opdrachtgevers de redacteur over wat ik verzameld heb die dag, wat mijn impressies zijn en waarover ik kan vertellen. “Wat voor honorarium staat daar tegenover?” vraag ik vriendelijk. “Haha, meen je dat serieus?” lacht de redacteur aan de telefoon alsof ik net een mop heb verteld. De honderden euro’s die ik heb uitgegeven om hier informatie en interviews te verzamelen flitsen door mijn hoofd. Ik leg uit dat de vergaring van de informatie me bloed, zweet en tranen heeft gekost. Een geldwolf als hij me laat voelen, krijg ik bijna de neiging uit te leggen dat ik hier als freelancer met de onwerkbare nucleaire situatie uit mijn eigen zak verlies loop te draaien. Maar dat doe ik niet, de informatie vergaren is mijn werk, vertel ik. “Laat dan maar zitten”, zegt hij. Even later bellen mijn andere betalende contacten. Zij snappen gelukkig wél dat journalistiek ondanks de overdaad aan gratis beschikbare informatie dezer dagen nog altijd een vak is.

Lees ook:

Andere afleveringen in deze serie over de toekomst van buitenlandcorrespondenten

In rampenverslaggeving verliezen de feiten van de emoties
Buitenlandcorrespondent: no love no glory?
De correspondent 2.0
Correspondent kan politieke actualiteit trefzekerder duiden dan bureauredacteur

Al 5 reacties — discussieer mee!