Serie: Hoe verder met de publieke omroep? (6)

De publieke omroep staat voor grootscheepse bezuinigingen en hervormingen. Komende zomer zal de regering haar plannen bekendmaken. Daarom wijdt De Nieuwe Reporter in samenwerking met 609, het kwartaalblad van het Mediafonds, een serie aan de vraag hoe het verder moet met de publieke omroep. In de zesde aflevering pleit Jo Bardoel, hoogleraar Journalistiek en Media, ervoor dat de Nederlandse omroep zich gaat ontwikkelen van public service broadcasting naar public service media

In de afgelopen twintig jaar heeft de publieke omroep de opkomst en overmacht van commerciële spelers goed doorstaan. De publieke omroep is er in geslaagd een gezonde, eigen positie en een brede opdracht in programmering en bereik te behouden. Ondanks dit goede nieuws ben ik na twintig jaar duaal bestel niettemin niet onverdeeld optimistisch over de toekomst van publieke omroep. Deze scepsis komt onder meer voort uit de verschuiving van de politieke consensus met betrekking tot het bestaansrecht van de publieke omroep.

De publieke omroep in het verkiezingsprogramma van de PVV

Laat ik de verschuivende politieke consensus ten aanzien van nut en noodzaak van publieke omroep illustreren met een uitgebreid citaat uit het verkiezingsprogramma van de PVV:

“De staatsomroep excelleert de laatste jaren vooral in het waarschuwen tegen de Partij voor de Vrijheid. Avond aan avond paraderen er linkse mensen die door linkse omroepen worden uitgenodigd hun politiek-correcte meningen te debiteren. Dat allemaal op uw kosten. (…)

Dat is mooi geweest. We hakken flink in het budget van de staatsomroep. Uitgangspunt op het gebied van de staatsomroep is dat publieke omroep een aanvulling moet zijn op het commerciële aanbod. Het bestaansrecht is marktfalen. De staatsomroep moet amusement overlaten aan de commercie. Die kan dat veel beter. (…)

De publieke omroep kan fors kleiner als het zich concentreert op de kerntaken informatie en educatie. Dan is één publieke zender voldoende. Staatsradio hoeft niet langer. (…)

Ook de wildgroei van websites van de staatsomroep moet ophouden, dat concurreert volop met kranten en op internet bestaat geen schaarste.”

Dit citaat maakt duidelijk waar de actuele problemen voor de publieke omroep liggen:

  1. de legitimatie voor een brede publieke omroep naar West-Europees model verkruimelt;
  2. de steun voor toespitsing van de programmatische opdracht van de publieke omroep op kerntaken neemt toe;
  3. de steun voor afschaffing van reclame en andere commerciële inkomsten voor publieke omroepen neemt eveneens toe;
  4. de steun voor een volwaardige taak voor de publieke omroep op internet en computergerelateerde platforms neemt af.

De discussie over de programmataak van publieke omroep is nauw verbonden met de legitimatie. Want als men ‘volksverheffing’ of, moderner gezegd, ‘cultuurspreiding’ of (nog eigentijdser) ‘levenslang leren’ als uitgangspunt neemt, dan impliceert dat een streven naar groot bereik, waarbij het algemene, niet op voorhand geïnteresseerde publiek als het ware verleid moet worden met een afwisseling van leerzame en leuke inhoud. Als men de publieke omroep echter ziet als een aanvullende voorziening die primair marktfalen moet repareren en negatieve externaliteiten moet opvangen, dan kan met een veel meer beperkte en toegespitste aanbodsvoorziening volstaan worden.

De publieke omroep op internet

Een belangrijk dilemma betreft de plaats en taak van publieke omroep op nieuwe platforms, vooral internet. De publieke omroep heeft hier de eerste slag gewonnen, maar bij lange na niet de oorlog. Het recht van de openbare omroep om op nieuwe platforms actief te zijn staat in de praktijk ter discussie, alleen al omdat in Europa het opereren van door de overheid gesteunde bedrijven op de vrije markt problematisch is.

De uitkomst van de volgende slag, welke ruimte de publieke omroep precies op internet krijgt, is nog onzeker. En het moet gezegd worden, publieke omroep is vooral actief geworden op internet omwille van overwegingen van terreinbezetting, om niet uitgesloten te worden van de distributiemiddelen van de toekomst, en veel minder omdat aan deze internetaanwezigheid ook een heldere visie op de publieke taak ten grondslag ligt. Het institutionele belang prevaleert hiermee boven het publieke, maatschappelijke belang. Ook het verzet van andere actoren tegen omroepaanwezigheid op het internet – naast de commerciële omroepen, ook de geschreven pers – niet alleen de uitgevers, maar ook de vertegenwoordigers van de journalistiek – heeft eerder strategische dan inhoudelijke gronden.

Het bestaansrecht van de publieke omroep als een onafhankelijk van staat en markt opererende institutie, als onderdeel van een publieke sfeer naar Habermasiaans model, wordt niet langer door alle grote politieke stromingen gedeeld. Voor een toespitsing van de programmataak tot informatie en cultuur en voor de inperking of afschaffing van reclame-inkomsten bestaat intussen zelfs een, zij het wisselende, politieke meerderheid. Het denken over alternatieve organisatiemodellen, waarin publieke taak en publieke omroep een minder exclusieve relatie hebben, staat evenmin stil.

Naar een publieke mediaorganisatie

Wat mij betreft moet de publieke omroep zich vrijelijk kunnen ontwikkelen van – zoals het in het Europese discours heet – public service broadcasting naar public service media, van PSB naar PSM. Maar dit nieuwe privilege brengt ook verplichtingen met zich mee. Waar de publieke omroep de afgelopen twintig jaar vooral geprobeerd heeft zich te handhaven en zich letterlijk en figuurlijk goed in de markt te zetten, verschuift in de komende periode het accent naar de vraag welke aantoonbare publieke meerwaarde hij in de huidige overwegend commerciële media-ecologie vertegenwoordigt. In een technologisch neutrale mediaomgeving kan de publieke omroep immers niet langer een exclusieve claim leggen op de publieke mediafunctie, en zal hij moeten accepteren dat zijn belang in de toekomst steeds meer wordt afgewogen tegenover andere belangen die bijdragen aan een goede journalistieke en artistieke infrastructuur in de samenleving, zoals de pers en de culturele sector.

Gevolg hiervan is dat de publieke omroep steeds minder beoordeeld zal worden op zijn goed functioneren als instelling en steeds meer op de publieke functies en meerwaarde die hij te bieden heeft. Deze evolutie van publieke instelling naar publieke functie moet voortvarend en omzichtig worden aangepakt. Een publieke media-instelling met een eigen productiefunctie en eigen podia blijft nodig, zeker voor hoogwaardige productie in een bescheiden taalgebied, maar tegelijkertijd is het goed als, in een veel opener omgeving met een uitbundig aanbod van informatie en cultuur, duizend bloemen bloeien en subsidiegelden flexibeler worden ingezet om nieuwe initiatieven tijdelijk te steunen en aperte lacunes in de informatie- en cultuurvoorziening op te vullen.

De vraag is hoe dit alles praktisch georganiseerd moet worden, ook gelet op de grote verlegging van geldstromen die ermee gemoeid kan zijn. Ik geloof in dit verband in een geleidelijk model, waarin – in het verlengde van een eerder advies van de Raad voor Cultuur – plaats is voor zowel een meer herkenbare publieke mediaorganisatie, voortkomend uit de huidige publieke omroep, als voor een overkoepelend publiek mediafonds, voortbouwend op de bestaande mediumgebonden fondsen. Maar ik vrees dat Den Haag en Hilversum voorlopig niet toekomen aan deze grote ordeningsvragen, omdat men zich teveel vastbijt in de vraag welke omroepen onderling moeten gaan fuseren.

Dit stuk is een verkorte weergave van het artikel dat Jo Bardoel schreef voor 609, het kwartaalblad van het Mediafonds. In het uitgebreide artikel bespreekt hij ook de invloed van de Europese wetgeving op de Nederlandse publieke omroep. Hieronder is de pdf van het betreffende artikel te vinden.

Lees ook
De andere afleveringen van deze serie over de toekomst van de publieke omroep

609#7 7 Bardoel

Nog geen reactie — begin de discussie!