Serie: Hoe verder met de publieke omroep? (9)

De publieke omroep staat voor grootscheepse bezuinigingen en hervormingen. Komende zomer zal de regering haar plannen bekendmaken. Daarom wijdt De Nieuwe Reporter in samenwerking met 609, het kwartaalblad van het Mediafonds, een serie aan de vraag hoe het verder moet met de publieke omroep.

In de huidige situatie heeft de publieke omroep de opdracht om informatie, cultuur, educatie en verstrooiing via alle beschikbare kanalen aan te bieden. Volgens Eric van Stade, algemeen directeur van SBS Broadcasting, is deze omschrijving van de publieke mediaopdracht achterhaald.

Verstrooiing of amusement is een onderdeel van de publieke mediaopdracht. Dat was in de begintijd van de televisie, met één of twee netten, misschien heel begrijpelijk. Maar is het nu echt, in de huidige tijd, nog een overheidstaak om mensen te amuseren? Is het echt nodig dat er belastinggeld wordt uitgegeven aan het entertainen van de bevolking? Ik ken geen andere sector waar dit gebeurt. De publieke omroep neemt hier echt een bijzondere voorkeurspositie in, maar gebaseerd op wat eigenlijk?

Als we vinden dat verstrooiing wel degelijk iets is dat moet worden aangeboden aan de Nederlandse bevolking, dan rijst de vraag of daar ook nu nog publiek geld in gestopt moet worden. Immers, de commerciële omroepen bieden amusement in zo’n ruime mate dat de publieke omroepen dit genre als eerste zouden kunnen laten vallen.

‘Public value’ bij commerciële omroepen
Het is een gegeven dat je met alleen de publieke omroep allang niet meer alle Nederlanders bereikt. Daarom verbaast niemand zich er ook meer over dat overheidscampagnes ook op commerciële zenders te zien zijn. Het zou logisch zijn dat de overheid een zo groot en gevarieerd mogelijk publiek kennis wil laten maken met programma’s met ‘public value’. ‘Public value’ houdt in dat je iedereen wilt bereiken, ook de mensen die niet naar de publieke omroep kijken.

Want naast amusement bieden de commerciële zenders ook wel degelijk programma’s met ‘public value’. Bij SBS doen we aan onderzoeksjournalistiek met bijvoorbeeld de programma’s van Peter R. de Vries en Alberto Stegeman. En voor heel veel Nederlanders vormt Hart van Nederland een belangrijke, misschien wel de belangrijkste, informatiebron als het gaat om het dagelijks nieuws.

Maar ook de andere commerciële zenders bieden ‘public value’. Denk bijvoorbeeld aan de jeugdprogramma’s van Nickelodeon of aan RTL Nieuws.

Het grote voordeel in deze tijden van bezuinigingen: voor de ‘public value’ die commerciële zenders bieden, is geen overheidsgeld nodig. De overheid zou dus juist moeten zoeken naar nieuwe manieren om commerciële media te stimuleren nog meer ‘public value’ te bieden. Daarom vind ik dat het Mediafonds en het CoBo-fonds ook opengesteld zouden moeten worden voor commerciële omroepen.

Digitalisering en convergentie
Maar naast de radio en televisie hebben we tegenwoordig ook nog zogeheten nieuwe diensten. Digitalisering en convergentie van media hebben voor het bepalen van ‘public value’ grote consequenties. Want de publieke mediaopdracht voor de bestaande platforms is niet identiek aan die voor de nieuwe mediadiensten.

Als iets bijvoorbeeld ‘public value’ op televisie heeft, hoeft dat nog helemaal niet te gelden voor andere platforms. Neem het volgende voorbeeld. Dat opinievorming op televisie een publieke taak is, valt goed uit te leggen, want de individuele burger kan niet zomaar even zelf een studio huren om zijn mening te geven. Daarom is het goed dat de overheid stimuleert dat de kijkers rond belangrijke maatschappelijke thema’s met uiteenlopende meningen worden geconfronteerd.

Maar op internet of mobiel ligt dat toch echt anders. Iedereen kan op websites, blogs en fora zeggen wat hij of zij vindt. En je vindt er ook alle meningen, van uiterst links tot uiterst rechts. Je kunt op Hyves, Facebook en Twitter 24 uur per dag over zo ongeveer ieder onderwerp meepraten en geïnformeerd worden. De vraag is dus of er bij opinievorming op internet nog wel een rol van de overheid nodig is. Het moge duidelijk zijn, naar mijn mening niet.

Een ander voorbeeld is verstrooiing op televisie. Op televisie is de redenering verdedigbaar dat het aanbieden van bijvoorbeeld thrillers of amusementsprogramma’s een publiek doel dient. Immers, als dat gebeurt als onderdeel van de programmering van een zender, leidt dit ook tot meer kijkers voor het cultuurprogramma dat erop zou kunnen volgen. Het zogenoemde doorkijkeffect.

Maar als je dat zelfde programma op een ander platform aanbiedt, bijvoorbeeld on demand, is er geen sprake van zo’n doorkijkeffect en daarmee dus ook niet van de ‘public value’ daarvan. Kortom, ‘public value op televisie betekent niet automatisch ook ‘public value’ op een ander platform.

De kijker bepaalt
De belangrijkste vraag is natuurlijk: hoe bepaal je public value?

De overheid wil terecht op afstand blijven van de programmering, want we willen niet naar een staatsomroep.
Het huidige model, met verenigingen en leden, is al jaren onderwerp van kritiek, omdat veel van die leden eigenlijk gewoon abonnees van een omroepblad zijn of met allerlei cadeautjes en premiums zijn verleid tot het lidmaatschap. Ook bij fusies van publieke omroepen blijft die scheefgegroeide verhouding bestaan.

Misschien kan het allerbelangrijkste uitgangspunt van SBS hier enige inspiratie bieden. Wij zeggen: de kijker bepaalt. Want als commerciële zender volg je de voorkeuren van de kijker, of beter nog: anticipeer je op de voorkeuren van de kijker.

Wat is er nu logischer dan te zeggen dat voor de publieke omroep geldt: de burger bepaalt wat ‘public value’ is. Maar hoe zou je dat dan moeten organiseren? Laat ik hier twee mogelijkheden schetsen.

  • Model 1: burgers betalen voor publieke omroep

Na de bezuinigingen wordt de financiële bijdrage van de overheid aan de publieke omroep gehalveerd. Maar tegelijkertijd voeren we de omroepbijdrage opnieuw in waardoor de publieke omroep die verminderde overheidsbijdrage kan compenseren. De must carry-verplichting voor de publieke omroep vervalt dan, want iedere burger mag zelf bepalen of hij of zij geld voor de diensten van publieke omroep over heeft. De burger bepaalt dus zelf of hij de publieke omroepen tegen betaling wil ontvangen. Een hele voorzichtige rekensom leert dat we het hebben over bedragen in de orde van 4 euro per huishouden per maand.

Dit model heeft het voordeel dat de burger een bepalende rol krijgt. En het leidt bovendien tot een verdere besparing op de overheidsfinanciën. Een mogelijk gevaar is dat de kijkcijfers nog bepalender worden voor de programmering van de publieke zenders dan nu al te vaak het geval is. Maar daar geldt weer voor dat de taakstelling van de publieke omroep moet worden aangescherpt én gehandhaafd.

  • Model 2: Programmaraden

We kennen in Nederland het fenomeen programmaraden. Er was schaarste op de kabel en de programmaraden bewaakten de pluriformiteit van het zenderaanbod op de kabel, door zelf dwingend zenders aan de kabelbedrijven voor te schrijven. Programmaraden spreken namens de burger, tenminste vroeger was dat het geval.

Door de digitalisering is er van schaarste geen sprake meer. Voor een paar euro per maand extra krijg ik meer dan 100 zenders, van general interest tot specifieke themakanalen. Door de overgang van analoog naar digitaal, komen de programmaraden eigenlijk buitenspel te staan.

Maar zouden die programmaraden niet een rol kunnen spelen bij het bepalen van de ‘public value’? In plaats van het dwingend aan de distributeurs voorschrijven van zenders zouden we ze ook kunnen omturnen tot een nieuw adviesorgaan. Waarin ze vooraf, namens de burger, specifieke programmasoorten of genres aan de publieke omroep voorschrijven. De publieke omroep treedt in overleg met deze raden als het gaat over hoe en in welke mate zij hun publieke taak invullen. En het Commissariaat van de Media toets achteraf of de publieke omroep zich aan deze voorschriften heeft gehouden en kan zo nodig sancties opleggen.

Deze geschetste modellen en mijn stellingen zullen ongetwijfeld bij velen hard aankomen. Maar, ik denk dat in alle opzichten de tijd is aangebroken om fundamentele veranderingen door te voeren in ons publieke bestel. Hopelijk zijn deze gedachten een vertrekpunt om de discussie over ons bestel vandaag en later in een nog breder perspectief te trekken.

Markttoets voor diensten publieke omroep
Dat de publieke taak niet per se door de publieke omroep hoeft te worden vervuld, is ook van belang voor nieuwe diensten van de publieke omroep. Deze zouden niet alleen moeten worden onderworpen aan een ‘public value-toets’, maar ook aan een echt onafhankelijke markttoets. Er is namelijk geen overheidsgeld nodig om een publieke omroep een nieuwe dienst in de markt te laten zetten als commerciële partijen dit ook willen doen.

Ik hoor u denken, waarom doen ze dat dan niet? Om de simpele reden dat de publieke omroep momenteel gesubsidieerd een markt creëert en die tegelijkertijd in een klap inneemt waardoor marktpartijen buitenspel worden gezet.

Daarom wil ik voorstellen dat er in Nederland een onafhankelijke markttoets moet komen voor nieuwe diensten van de publieke omroep, die zowel criteria voor ‘public value’ als markteffecten omvat. Daarbij dient de nieuwe NMA/OPTA de markteffecten te toetsen en moet het Commissariaat voor de Media de opdracht krijgen de ‘public value’ te toetsen.

Dit artikel is een bewerking van een speech die Van Stade uitsprak tijdens het symposium ‘Public value als blijvende uitdaging’.

Lees hier de voorgaande stukken in de serie ‘Hoe verder met de publieke omroep?’

Al één reactie — discussieer mee!