Hij heeft het nooit over lezers, kijkers of bezoekers, maar altijd over gebruikers. Volgens Jay Rosen (New York University) staat de journalistiek in dienst van ‘the People Formerly Known as the Audience’. De kennis die de gebruikers hebben is volgens Rosen, op de reputatie en de mensen die er werken na, het belangrijkste bezit van iedere nieuwsorganisatie. Maar dan moet je deze kennis wel aanboren. Dat de meeste nieuwsorganisaties daartoe niet in staat zijn, maakte Rosen duidelijk tijdens een bijeenkomst georganiseerd door de VVOJ en het Stimuleringsfonds voor de Pers.

Dan Gillmor, één van de eerste bloggende journalisten, schreef het al in 1999. “My readers know more than I do”. Dat principe had volgens Rosen allang een basisprincipe van de journalistiek moeten zijn. Het web heeft er voor gezorgd dat gebruikers veel meer macht hebben, maar de ontwikkeling van pro-am-journalistiek, waarbij professionals en amateurs samenwerken, blijft al jaren achter. “Twaalf jaar geleden riep iedereen al dat dit een grote kans is, maar pro-am is nog steeds onderontwikkeld.” Toch is het volgens Rosen logisch om juist nu alsnog in te zetten op pro-am-journalistiek. “Door krimpende budgetten worden nieuwsorganisaties steeds kleiner, pro-am biedt de enige kans om juist aan invloed te winnen. Zelfs als je geld hebt om binnen een grote organisatie 50 extra mensen aan te nemen, heeft pro-am meer impact.”

Frustrerend

Uiteraard zijn er de afgelopen jaren wel enkele stappen gemaakt met het betrekken van de gebruiker bij de journalistiek. Zo heeft volgens Rosen iedere nieuwsorganisatie inmiddels wel een procedure voor User Generated Content. “Als er een aardbeving of tsunami in Japan is, zijn de amateurs er als eerst.” Daarnaast gebruikt vrijwel iedere redactie Twitter, Facebook en Linkedin in om goede bronnen te zoeken en zijn er mooie voorbeelden van crowdsourcing, waarbij gebruikers interessante zaken kunnen aanstippen. Denk bijvoorbeeld aan The Guardian en het bonnetjesschandaal. Of meer recent, de e-mails van Sarah Palin.

Van echte pro-am-journalistiek is er volgens Rosen vaak nog geen sprake. Zo heeft CNN met iReport een platform waar 750.000 amateurs zijn aangesloten die zelf nieuwsverhalen, foto’s en video’s kunnen plaatsen. Dat kan echter al sinds 2004 en van verdere ontwikkeling is niet echt sprake. Ook wordt iReport door een aparte redactie gedragen. “Er is geen interactie met de echte professionals van CNN. En ze vinden het ook wel goed zo. De amateurs worden op afstand gehouden, ondanks dat er veel meer inzit.”

Dat pro-am-journalistiek zich niet ontwikkelt vindt Rosen frustrerend.”Pro-am heeft een bestaansrecht, de gebruikers hebben allang de macht, strategisch gezien is het slim om hierop in te springen, de tools zijn er al lang, maar de praktijk blijft achterwege.”

Productieroutine

Dat pro-am achterblijft heeft volgens Rosen alles te maken met de dagelijkse praktijk van de professionele journalistiek. Op alle vlakken werkt die pro-am-journalistiek juist tegen. “Professionele journalistiek is geoptimaliseerd voor weinig participatie. Gebruikers ontvangen het nieuws, en als ze het er niet mee eens zijn kunnen ze een brief naar de redactie sturen.” Uit sociologische studies van bijvoorbeeld Herbert J. Gans (Deciding What’s News), die eind jaren 70 maandenlang op nieuwsredacties rondliep, blijkt volgens Rosen dat journalisten op redacties vooral uitblinken in één ding. “Redacties excelleren in het gehoorzamen van de deadline. Ze denken dat ze constant heel belangrijk nieuws aan het maken zijn, maar wat ze doen is het volgen van de dagelijkse productieroutine.”

Dat was nooit een probleem, totdat de continue deadline van het web die routine in de war heeft geschopt. Nieuwsorganisaties moeten veranderen, maar teveel journalisten blijven vasthouden aan de oude routines. Vernieuwing is daardoor vrijwel onmogelijk en Rosen ziet dat niet snel veranderen. “De status van de mensen die invloedrijk zijn op de redactie is gebaseerd op het feit dat ze de oude productieroutine zo goed beheersen. Die willen helemaal geen verandering. Ik heb veel conflicten met deze mensen en die houding kom je overal ter wereld tegen. Ik heb er geen vertrouwen in dat ze zullen veranderen, dus uiteindelijk zullen ze moeten vertrekken.”

Hoewel het volgens Rosen niet per se met leeftijd te maken heeft, heeft hij meer vertrouwen in de aanstormende generatie. “Bij nieuwsorganisaties moet er ruimte komen voor journalisten die niet uitblinken in de traditionele productieroutine, maar in het bedienen van de gebruikers. Je ziet dat die mensen echter niet graag in zulke organisaties willen werken. Je komt ze vooral tegen bij startups.”

Melkkoe

Rosen is dan ook cynisch als het gaat om de printbedrijven er verwacht dat alleen enkele grote titels, en kleine titels met een hele duidelijke niche, zullen overleven. “De meeste winst komt nog steeds van printproducten, maar er is geen enkele hoop dat zo zal blijven. Er is geen één onderzoek dat aantoont dat jonge mensen op een ogenblik toch naar een krant zullen grijpen. Het publiek zal uitsterven.” Volgens Rosen zijn er dan ook twee opties voor kranten. Of je investeert de resterende winst in een onzekere digitale toekomst, of je kiest er voor om het resterende gedeelte van je dode product te oogsten. “Als iedereen weg is, geef je het op. Dat oogsten is wat vrijwel iedere uitgever doet. Ze geven het niet toe, want dat voelt als een soort van opgeven, maar het is wel wat ze doen: opgeven.” De krant als melkkoe.

Dat betekent niet dat nieuwsorganisaties die vol voor digitaal gaan het gegarandeerd wel zullen redden. Rosen verwijst naar The Guardian, die onlangs besloot om te kiezen voor digital first. “Het is een strategisch besluit. Ze hebben er bewust voor gekozen om niet te oogsten, maar hun uiterste best gaan doen om het online te redden. Daarin zijn ze heel transparant. Als ze niet snel zorgen voor meer digitale inkomsten hebben ze geld om het voor drie tot vijf jaar uit te houden.”

Geen oplossing

In de zoektocht naar de toekomst van de journalistiek moeten we volgens Rosen accepteren dat er zoiets bestaat als ‘onopgeloste problemen’. “Niemand heeft een oplossing, maar misschien is er wel één. Of niet. We gaan het alleen leren door vallen en opstaan, maar dat zit helaas niet in de journalistieke cultuur.”

Ook moeten we accepteren dat er misschien niet overal geld mee te verdienen valt. Daarbij neemt Rosen het hyperlokale initiatief Patch als voorbeeld. AOL stopt honderden miljoenen dollars in honderden lokale websites. Daarmee proberen ze de markt van lokale online advertenties aan te boren, die voornamelijk bestaat uit kleine ondernemers die printadvertenties te duur vinden. De grootte van die markt wordt geschat op 6 miljard dollar.

Rosen vraagt zich af of dat wel gaat lukken. “De gebruikers zijn wel online, maar de adverteerders niet. Die kleine adverteerders begrijpen een advertentie in een krant, maar geloven niet in online adverteren. Het wordt een hele klus om die over te halen.”

“Aan sommige dingen zijn simpelweg geen verdienmodel te hangen. Iets kan een leuke activiteit zijn, maar is niet per definitie een onderneming. Sommige zaken kan je niet vermarkten. Waarom denk je dat het de overheid is die de bruggen bouwt?”

Lees ook:

Jay Rosen: Twijfel over verdienmodel (Dode Bomen)
De krant als melkkoe bij gebrek aan interne vernieuwing (Dode Bomen)
Advies van Rosen: geef je lezers levels (Dutch Pro Blogger)

Lex Boon

Nog geen reactie — begin de discussie!