Hoe flikt hij het toch? Hoe word je in vijf jaar van relatief onbekend politicus tot kiezersmagneet met 24 Kamerzetels? Die hamvraag was aan de orde bij de bijeenkomst Wilders en de Media, die op 16 juni door Lectoraat Crossmediale Kwaliteitsjournalistiek – samen met ASCOR en ASCA (UvA) – werd georganiseerd. Aan de orde was een samenvatting van zestig wetenschappelijke publicaties over het fenomeen Wilders. Conclusie: inhoudsanalyses leveren weinig op. Van langdurige onderzoeken op redacties mag meer worden verwacht. Bekijk wat de journalistiek zelf opgelost wil zien.

Ook zonder zijn aanwezigheid houdt Wilders de (universitaire) gemoederen bezig. Hij bepaalt wanneer media aandacht aan hem besteden, maar is tegelijkertijd ongrijpbaar. Aan officiële voorlichting doet hij niet. Wanneer hij iets kwijt wil, lanceert hij een tweet. Peter Vasterman (docent Mediastudies aan de UvA) en Piet Bakker (lector Crossmediale Kwaliteitsjournalistiek, HvU) vroegen zich af of onderzoeken (scripties, een enkel boek) elkaar tegenspreken of juist aanvullen. Welke methoden van onderzoek worden gebruikt? Zijn er onbeantwoorde vragen?

Geen theorie
Peter Vasterman bijt het spits af. Hij vat samen wat er in de diverse onderzoeken de revue passeert. De balans opmakend stelt hij vast dat er vooral inhoudsanalyses zijn gemaakt. In de veelal door studenten gemaakte scripties overheersen de kwantitatieve en kwalitatieve analyses. Ook blijkt uit deze research dat met name bij dagbladen het concept framing (denkraam) problematisch is. Het ontbreekt bovendien aan koppelingen met journalistieke werkwijzen en er zijn weinig verklaringen voor Wilders zijn politieke groei. Vasterman: “Anders gesteld, het ontbreekt aan theoretische verklaringen.”

Hans Laroes (hoofdredacteur NOS Nieuws) weet niet zo goed wat hij met de noeste arbeid van de universitaire onderzoekers aan moet. Volgens hem staat hij daarin niet alleen. “De hele journalistieke wereld weet niet goed met Wilders om te gaan.” Hij verhaalt over de op voorhand vergeefse reis die Geert Wilders naar Londen maakte. Het NOS-journaal was daarbij evenals RTL-nieuws en het ANP. Volkomen terecht volgens hem aangezien het hier om een nieuwsfeit ging. Hij verbaasde zich er over dat ook NOVA, radio- en andere actualiteitenrubrieken acte de présence gaven. “Het is niet aan hen om nieuwsberichten te verslaan.” Laroes was dus niet onder de indruk van de door Vasterman en Bakker samengevatte onderzoeken.

Mediapopulisme
Jan Schinkelshoek (oud-Tweede Kamerlid CDA en in vorige levens kranten- en Rabo-communicatieman) vraagt zich eveneens af hoe Wilders er toch in slaagt de journalistiek voor zijn karretje te spannen. Ook hij vindt dat de gebundelde onderzoeken geen heldere, simpele antwoorden opleveren. Schinkelshoek: “Hoe houdt Wilders het mediacircus al jaren aan de gang? Doet hij dat dankzij of ondanks de media?” Hij vraagt zich af of het politiekpopulisme de keerzijde van mediapopulisme is. Media waren lang de passieve spreekbuis van de macht. Dat is verleden tijd. De functie van politieke partijen is door de media (vooral tv) overgenomen. “De politieke agenda wordt méér en méér bepaald door de media. Er heerst een televisiedemocratie, waarbij de aandacht op de mannetjes en niet op de programma’s ligt.” Hij constateert dat vanaf 1990 de politiek afhankelijk van de media werd. Die willen scoren met scoops en schandalen. De politiek op haar beurt reageerde met marketingstrategieën. Traditionele scheidslijnen tussen partijen verdwenen en de strijd om de zwevende kiezer brak uit. “Campagneleiders zitten in war rooms en richten zich naar de laatste opiniepeilingen.” De politiek conformeert zich almaar meer naar de productieroutines van tv-makers. “Abstracte boodschappen worden in soundbites van anderhalve minuut gestopt.”

Tegelijkertijd spelen volgens hem in de media soortgelijke ontwikkelingen. De Volkskrant was vroeger een katholieke krant maar is dat al lang niet meer. “Het is evenwel méér dan na ijlende ontzuiling. Media zoeken naar kijkers en lezers. Hoe hen te binden?” Volgens Schinkelshoek laten media zich minder gelegen liggen aan de politiek, of zoals hij het noemt: publieke zaak. “Is dat mediapopulisme?”, stelt hij retorisch. “Droegen media bij aan de legitimisering van populistische leiders?” Wat hem betreft moet toekomstig universitair onderzoek zich richten op de vraag of mediapopulisme een zusje van politiekpopulisme is.

Focussen op rechtspolitieke leiders
Als slagroom op de taart deed Liesbet van Zoonen (hoogleraar Populaire Cultuur) haar nogal cynische zegje. Ook zij bekeek de samenvatting van de zestig studies en bekende “klaar met Geert te zijn”. Uiteraard gold dit niet haar wetenschappelijk interesse in de politicus. Volgens Van Zoonen staan we pas aan het begin van research naar dit politieke fenomeen. De goede onderzoeksvragen zijn nog niet gesteld. De gepresenteerde onderzoeken betreffen vooral scripties en snelle data analyses. Onderzoeken zijn niet cumulatief en ‘echte’ wetenschappers trokken nog geen vergelijking met andere rechtspolitieke, extreme leiders. Ook zonder Wilders is er een rechts electoraat, stelt Van Zoonen vast.

Van Zoonen adviseert om bij nieuw onderzoek niet uitsluitend op Wilders te focussen, maar ook naar Angelsaksisch landen te kijken. “In het buitenland is Wilders onbekend. De communicatiewetenschap zou zich moeten richten op toegepast onderzoek.” Inhoudsanalyses leveren volgens haar niet zo veel op. Van Zoonen: “Bevraag journalisten. Onderzoek hoe zij keuzes maken. En organiseer de verschillende onderzoeken. Weet wie, waar, met welke onderzoeken bezig is. Dat ontbreekt nu volkomen.” Zij realiseert zich, dat een student slechts drie maanden tijd voor zijn onderzoek heeft. Promotieonderzoek lijkt geboden. Onderzoekers zouden gedurende langere tijd op redacties moeten meelopen.

Al 2 reacties — discussieer mee!