De Duitse kranten doen het beter dan de Amerikaanse …

“Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar,” schreef Leo Tolstoj in Anna Karenina, “maar elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.” Wat in 1875 voor Russische gezinnen gold, gaat in 2011 op voor de krantenwereld: het zijn woelige tijden, maar de wind waait overal anders. Dat, althans, was de conclusie van The Changing Business of Journalism and Its Implications for Democracy – een boek waarvan de bevindingen eind mei werden gepresenteerd tijdens de jaarlijkse conferentie van de International Communications Association.

Bezinning en reflectie

Vijf dagen lang kwamen media- en communicatiewetenschappers in Boston bijeen om de laatste inzichten op het gebied van, zeg, computerspelletjes, gezondheidscampagnes, databases, en de stand van de krant te bespreken. Dat klinkt spannender dan het was: het academisch hart klopt langzamer dan dat van de rest van de wereld, en zorgvuldigheid en nuance zijn de norm. De Duitse, Britse, Amerikaanse en Indiase professoren die in Boston hun bevindingen presenteerden brachten geen radicale toekomstvoorspellingen of ongegronde doemdenkerij, maar bezinning en reflectie – de crisis van de journalistiek heeft vele gedaanten, en is ingewikkelder dan je denkt.

Changing Business

Rasmus Kleis Nielsen en David A. Levy van het Reuters Institute in Oxford openden het panel met een weergave (of was het inmiddels een karikatuur?) van het algemeen heersende beeld. Volgens dat beeld veroorzaakt technologie (lees: het internet) de dood van de journalistiek, en is de rest van de wereld hetzelfde lot beschoren als de eeuwige voorloper Amerika – krimpende redacties, opgeheven kranten, een verschralend medialandschap en een vervlakkend publiek debat.

Post hoc is nog geen propter hoc

Een oppervlakkige blik op de cijfers lijkt die consensus te staven: internetgebruik stijgt gestaag, krantenoplages dalen. Maar post hoc betekent niet propter hoc: zoom een beetje uit en je ziet dat ook andere factoren een rol spelen, zoals een wereldwijde recessie en sociale en demografische veranderingen. Wie nog wat verder uitzoomt ziet dat oplages lang niet overal even sterk dalen; zoom helemaal uit, en in ontwikkelende landen blijkt de krantenindustrie juist enorm te groeien, recessie of niet.

Duitse kranten doen het beter dan Amerikaanse

Je kan ook verder inzoomen, op die cijfers. Nielsen en Levy deden dat voor Duitsland en Amerika, in 2007 en 2009. In beide landen groeide het aantal internetgebruikers ongeveer even sterk: van 51 naar 65 procent in Amerika, van 50 naar 64 procent in Duitsland (zie Voetnoot 1). En in beide landen veranderde het krantenlandschap – maar die veranderingen liepen niet parallel. Winstmarges daalden met 30 procent in Amerika tegenover 10 procent in Duitsland; oplages gingen in Amerika met 15 procent omlaag, en in Duitsland slechts met 4 procent. En waar Amerikaanse redacties tussen 2007 en 2009 maar liefst 25 procent van hun werknemers ontsloegen, verloor in Duitsland slechts 1 procent van het journaille zijn baan.

… maar de Amerikaanse journalisten zijn veel kritischer en professioneler dan vroeger

Verschillende verdienmodellen

Om de zogenaamde krantencrisis te verklaren is het internet dus niet voldoende, aldus Nielsen en Levy. Een belangrijke verklaring ligt in de verschillende verdienmodellen in de Verenigde Staten en Europa: waar Amerikaanse kranten grotendeels op advertentie-inkomsten draaien, zijn Europese kranten slechts half van advertenties afhankelijk (en voor de andere helft van losse verkoop  en abonnementen). Advertentie-inkomsten zijn sterk gedaald, deels door de recessie, maar ook door de komst van sites als Monsterboard en Craigslist. Dus ja, technologie speelt een rol – maar dan wel een specifieke toepassing van die technologie.

Persistent plurality

Ook belangrijk is het feit dat Europese kranten van oudsher beter gewend zijn om te concurreren: per land, provincie en stad hebben altijd meerdere titels om lezers gestreden, terwijl het Amerikaanse krantenlandschap eerder uit een aaneenschakeling van geografische monopolies bestond. Wie soundbyte, blijft: Nielsen en Levy noemen dit Europese fenomeen persistent plurality, en wijzen het aan als een van de redenen dat Europese kranten beter met de “crisis” kunnen omgaan.

Duitsers geloven in publieke sfeer

Frank Esser, Michael Brüggemann en Edda Humprecht van het Institut für Publizistikwissenschaft und Medienforschung van de Universiteit van Zürich onderzochten de situatie in Duitsland – qua oplagen, advertentiebudgetten, aantal journalisten en aantal nieuwskanalen de grootste mediamarkt van Europa. Dankzij een stabiele marktstructuur, directe en indirecte overheidssubsidie, en een diepgeworteld geloof in het belang van een publieke sfeer staat die markt er een stuk beter voor dan in de meeste Westerse landen, ontdekten zij. Ruim 70 procent van de Duitsers leest een krant, en 43 procent van de bevolking noemt de krant als de meest betrouwbare nieuwsbron. De overheid helpt de kranten een handje door posttarieven en belastingen aan te passen, en ook door wet- en regelgeving met betrekking tot auteursrecht en publieke zendtijd in het voordeel van de uitgevers en publieke media te beslechten.

Een strategische crisis

Im Osten is er dus eigenlijk nicht viel neues: het gaat iets slechter, maar lang niet zo slecht als het zou kunnen gaan, en al helemaal niet zo slecht als elders. Toch, een beetje crisis houdt ons wakker, en een soundbyte doet het altijd goed; de onderzoekers spraken daarom van een “strategische crisis”. Mensen onder de dertig talen aanzienlijk minder naar traditionele mediabronnen dan hun oudere landgenoten, dus in de toekomst gaan dingen zeker veranderen. Maar doordat de schade nu relatief meevalt, en doordat de overheid zo goed helpt, denken Duitse kranten weinig vooruit. Dat ze nu het vertrouwen van de bevolking hebben wil niet zeggen dat dit over twintig jaar nog steeds zo is – een beetje vooruitdenken zou de Duitsers niet misstaan.

Panic and beyond

Waar Duitsland zich wat drukker zou moeten maken, daar mag Amerika best wat rustiger ademhalen, zei Michael Schudson van de Columbia Journalism School (zie Voetnoot 2). Toen een jaar of twee, drie geleden kranten als de Rocky Mountain News, Seattle Post-Intelligencer en de Cincinnatti Post werden opgeheven, was de voorspelling dat veel Amerikaanse steden het binnenkort zonder lokale dagkrant moesten stellen. Dat is reuze meegevallen: voor wie er een beetje een rekbare definitie van “dagkrant” op nahoudt (volgens welke zo’n krant niet per se zeven dagen per week hoeft te verschijnen en ook niet per se op papier) blijkt elke Amerikaanse stad nog tenminste één krant te hebben – ruim 1400 verschillende kranten in totaal.

Aantal krantentitels in VS daalt al zestig jaar … 

Hoewel dat aantal zeker kleiner is dan een paar jaar geleden, moet je niet vergeten dat het aantal titels al sinds de jaren vijftig aan het dalen is, onder meer door conglomeratie. Niet dat er niets is veranderd: de kranten zijn dunner geworden, ze bevatten minder nieuws, en in het bijzonder minder internationaal nieuws. Ze maken ook minder winst – ooit stond het drukken van een krant gelijk aan het drukken van geld. De tijd van winstmarges rond de 25 procent is voorbij en komt ook nooit meer terug, en de 40.000 journalisten van nu steken mager af bij de 60.000 van een jaar of tien geleden (hoewel het er in de jaren zeventig óók 40.000 waren).

 … maar journalisten zijn kritischer en professioneler

Toch, zei Schudson, buiten het financiële plaatje om staat de Amerikaanse journalistiek er in veel opzichten beter voor dan ooit. Journalisten zijn professioneler dan een halve eeuw geleden, een stuk kritischer ook, en agressiever tegenover de gevestigde orde. Dat de krant een publieke functie vervult staat niet alleen voor de kranten zelf, maar ook voor de samenleving en de politiek buiten kijf, en dankzij wet- en regelgeving omtrent transparantie hebben journalisten veel meer toegang tot informatie dan in bijvoorbeeld de jaren zestig.

Journalism on a diet with supplements

Ook Schudson had een soundbyte: het huidige medialandschap omschreef hij als “journalism on a diet with supplements“. De traditionele kranten zijn vermagerd – minder papier, minder journalisten, minder nieuws – maar worden aangevuld met nieuwe online nieuwsbronnen als Propublica. Dit soort organisaties, waarvan de Verenigde Staten er inmiddels tientallen tellen, slagen er in samenwerking met traditionele media en met hulp van filantropische instellingen in om actueel en origineel nieuws te leveren. Zo bezien heb elk nadeel z’n voordeel: deze sites zijn doorgaans opgericht door journalisten die hun baan hebben verloren, en dankzij laptops, internet, en mobiele telefoons kunnen zij meer voor elkaar krijgen in minder tijd en met minder mankracht.

De technologie heeft een Januskop – of, zoals Schudson het omschreef: “Google is a great research assistant“. En het heeft er alle schijn van dat de huidige werkelijkheid ook die van de toekomst zal zijn: de Amerikaanse journalistiek is op dieet, maar voorlopig nog lang niet dood.

“Bollywoodizing” the news

Na Europa en de Verenigde Staten was het tijd voor de rest van de wereld, en deed Daya Thussu van de University of Westminster verslag van de situatie in India. Daar gaat het in financieel opzicht uitstekend met de journalistiek: per dag worden er ruim 110 miljoen kranten verkocht, en dankzij toenemend alfabetisme en een groeiende middenklasse blijft dat cijfer waarschijnlijk nog wel even stijgen. De televisie is sinds twintig jaar niet meer in handen van de overheid: inmiddels zijn er ruim 88 televisiezenders, en een groot aantal daarvan maakt ruimte voor nieuws.

India: Cinema, Cricket en Corruptie

Toch, zei Thussu, heeft ook India een journalistieke crisis, en die crisis betreft de inhoud van het nieuws dat al die kranten en televisiekanalen brengen. In Thussu’s soundbyte bestond die inhoud uit “the three C’s“: Cinema, Cricket, en Corruptie. Indiërs leven op een sensationeel mediadieet van Bollywood-celebrities, sporthelden en berichtgeving over criminaliteit en corruptie (de criminaliteit was nog nooit zo laag in India, zei Daya, maar wie de televisie aanzet denkt dat het land van de ene moord in de andere oplichting rolt). Journalistieke, objectieve nieuwsgaring legt het af tegen platte sensatiezucht – met als gevolg een pover publiek debat en, uiteindelijk, een verzwakking van de democratie.

Democratie

Hoewel Thussu hier eerder als een oude mopperkont klonk dan als een objectieve wetenschapper (alsof Europa en de Verenigde Staten van sensatie verstoken zijn), was dit een van de weinige keren dat het woord democratie in het panel centraal stond. Dat was ook het belangrijkste kritiekpunt van Paolo Mancini van de Universita’ Degli Studi di Perugia, die als respondent optrad. In een discussie over de stand van de media, zei hij, zou democratie niet de haastig toegevoegde gedachte op het eind moeten zijn, maar het uitgangspunt. Het medialandschap verandert, zoveel is duidelijk; en de veranderingen zijn overal anders, getuige jullie genuanceerde onderzoek.

Maar wat betekent dit voor politieke normen en waarden? Voor politieke partijen en hun leden? Voor hoe de overheid haar werk kan doen? Zowel de panelleden als het publiek waren het met Mancini eens dat dit belangrijke vragen waren – onderwerp, wellicht, voor een ander boek, een volgend panel. En zo houdt de wetenschap zichzelf wel even bezig, met eeuwige crises en radicale nuance: want iedereen is anders, en God woont in de details.

Voetnoot 1: De cijfers komen van de Wereldbank: “Internet subscribers refers to the number of dialup, leased line and fixed broadband Internet subscribers.”
Voetnoot 2: Voor de volledigheid: Michael Schudson is mijn promotor aan Columbia.

Al 8 reacties — discussieer mee!