Er zijn nog maar weinig journalisten in Nederland. Althans, journalisten die écht aanspraak maken op de benaming ‘journalist’. Journalisten dus, die doen wat journalisten horen te doen. En dat is een droeve constatering, betoogt Tabe Bergman, promovendus in de mediageschiedenis aan de Universiteit van Illinois.

De oorspronkelijke betekenis van ‘journalist’ was een onafhankelijke duider van recente gebeurtenissen. Het was zijn taak om kritiek te leveren en te bepleiten. Zo schreef eens James Carey, een voormalig hoofd van de Columbia Journalism School*.

Dat is een explosieve observatie, als je er bij stil staat. Want het houdt in dat de meerderheid van de huidige ‘journalisten’ in Nederland geen journalist is. Of ten minste dat de meeste journalisten meestal geen journalistiek bedrijven.

Buitenlandredacteuren bewerken vooral kopij van anderen – van correspondenten, maar vooral van persbureaus. Zelfs correspondenten hebben het vaak druk met het volgen van de persbureaus. Binnenlandse verslaggevers schrijven meestal simpelweg op wat bronnen zeggen en houden zich strikt aan de regels van de objectiviteit. Opzettelijk wordt er zo weinig mogelijk ‘geduid’, laat staan kritiek geleverd of bepleit.

Onafhankelijke journalistiek

Het is bovendien sterk de vraag of journalisten in loondienst wel onafhankelijk kunnen worden genoemd. In uitzonderlijke gevallen wel, maar de meerderheid van de journalisten staat niet op in de ochtend om na een kop koffie een eigen, onafhankelijke afweging van het nieuws van de dag te maken, om vervolgens aan de slag te gaan op precies die wijze die hij of zij zelf het beste beschouwd. Want: de baas vindt bijvoorbeeld dat er ‘iets’ gedaan moet worden met dat nieuwe soap-sterretje.

De bladformule moet gevolgd worden, de doelgroep van de publicatie moet in het oog gehouden worden, et cetera. Hoe vaak krijgen journalisten in loondienst de kans om te schrijven over wat zij belangrijk vinden, op de wijze waarop ze vinden dat hier aandacht aan moet worden besteed? Het is bedoeld als een retorische vraag, maar het precieze antwoord interesseert me. Als ‘altijd’ honderd procent is, waar praten we dan over? 20 procent, 10, vijf? Nog minder?

Uitzoeken en stelling nemen

De klassieke betekenis van ‘journalist’ lijkt er op wat tegenwoordig ‘onderzoeksjournalist’ wordt genoemd. Het is zijn taak om iets uit te zoeken en dat houdt bijna automatisch in dat stelling wordt genomen. Goede onderzoeksjournalistiek onthult iets dat anderen verborgen hebben willen houden en bekritiseert dus, en bepleit ook, namelijk het tegenovergestelde van de onthulde misstanden. In de klassieke betekenis dus is onderzoeksjournalistiek echte journalistiek.

Je zou kunnen zeggen dat veel van wat er mis is met de journalistiek tegenwoordig, gesymboliseerd wordt door het eigenaardige feit dat we een aparte term hebben voor ‘onderzoeksjournalistiek’. Alsof het slechts een klein, gespecialiseerd deel is van de journalistiek, terwijl welbeschouwd alleen onderzoeksjournalistiek werkelijk journalistiek is.

Objectiviteit

Het vreemde is dat onderzoeksjournalistiek, die moeizame zoektocht naar feiten die de machthebbers verborgen willen houden, onderdeel is van de moderne opvatting dat de journalist objectief moet zijn. De klassieke journalistiek – in Europa in de 19e eeuw en ook nog in een groot deel van de 20e eeuw, en in de Verenigde Staten tot dit langzaam veranderde met de opkomst van de penny press in de jaren 1830 – had relatief weinig respect voor feiten. Commentaar en duiding werden als veel belangrijker gezien.

In Nederland is NRC Handelsblad een mooie voorbeeld van die enigszins vreemde spagaat van het streven naar objectiviteit en naar het doen van onderzoeksjournalistiek. De krant heeft van alle kranten in Nederland ‘objectiviteit’ waarschijnlijk het hoogst in het vaandel, maar het is ook een van de weinige redacties in Nederland waar nog echt aan onderzoeksjournalistiek wordt gedaan.

Waarom noem ik dit een spagaat? Omdat zoals gezegd de onderzoeksjournalist duidt en kritiek levert, iets wat voor objectieve journalisten uit den boze is. In de praktijk schrijven objectieve journalisten op wat machtige bronnen zeggen, wassen vervolgens hun handen in onschuld en laten het volk beslissen wie van de machtigen lof verdient en wie niet. Dat het volk niet genoeg, of niet de juiste, informatie heeft om een oordeel te vellen – de journalistiek heeft namelijk de waarheid niet onthuld maar slechts een paar versies van de waarheid gepresenteerd die worden verkondigd in hoge kringen – wordt gemakshalve over het hoofd gezien.

De aanloop naar de oorlog in Irak is een goed voorbeeld van de ernstige tekortkomingen van deze ideologie van de objectiviteit, zoals onder andere Brent Cunningham heeft aangevoerd voor de Amerikaanse media.

Vege tekens

Niettegenstaande de historische realiteit, lijkt het me dat niet de klassieke duiders die weinig respect voor de feiten toonden, maar alleen de moderne onderzoeksjournalisten – zij die duiden en bekritiseren, maar altijd met respect voor de vergaarde of geverifieerde feiten – aanspraak kunnen maken op de titel journalist.

Het is zoals gezegd een veeg teken aan de wand dat we gewoon zijn om personen die welbeschouwd geen journalistiek bedrijven, toch journalist te noemen. Een ander veeg teken is dat, zoals Ad van Liempt onlangs opmerkte, het erop lijkt dat onderzoeksjournalistiek tegenwoordig vaak eerder ondanks, in plaats van dankzij, de gevestigde mediaorganisaties wordt geproduceerd: door freelancers die de journalistieke roeping nog serieus nemen, vaak ten koste van hun eigen materiele belangen.

Verschrompelde journalistiek

Wat mij betreft, ik heb meer vertrouwen in honderd onafhankelijk duidende en onderzoekende journalisten (onder wie zeg een stuk of tien rechtse rakkers en nog eens tien looney lefties) en geen enkele ‘objectieve’ journalist dan in 498 ‘objectieve’ journalisten en twee onderzoeksjournalisten. In Nederland verkeren we nu in die laatste situatie. De onderzoeksjournalistiek in dit land is verschrompeld – volgens Anique van de Bosch als gevolg van geldgebrek en te weinig uitzendmogelijkheden, niet vanwege gebrek aan interesse.

Veel journalisten voelen zelf ook aan dat onderzoeksjournalistiek pas echte journalistiek is. Sommigen zullen het de hoogste vorm van journalistiek noemen, maar dat standpunt lijkt me te toegeeflijk. Onderzoeksjournalistiek is de enige werkelijke vorm van journalistiek. De diepte van de crisis in de journalistiek kan worden afgemeten aan het aantal journalisten, politici en burgers dat zich dit niet realiseert.

* Bron: James Carey (1969). The Communications Revolution and the Professional Communicator. Sociological Review Monograph, 13, 23-38. [niet online]

Al 8 reacties — discussieer mee!