Dinsdagmiddag 6 september organiseerde de Stichting Machiavelli in het Haagse Nieuwspoort een debat over ‘oude journalistiek en nieuwe manieren in de media’. Onder leiding van Mei Li Vos, voormalig Tweede Kamerlid voor de PVDA, ging een viertal hoofdredacteuren met elkaar in debat: Peter Vandermeersch (NRC Handelsblad), Marcel Gelauff (NOS Nieuws), Frank Poorthuis (HP De Tijd) en Philip Remarque (de Volkskrant). Marco Raaphorst was voor De Nieuwe Reporter ter plekke om verslag te doen.

Jan Schinkelshoek, voorheen onder meer werkzaam als parlementair journalist en Tweede Kamerlid voor het CDA, mocht de kickoff-column doen. Hij vergeleek de oude journalistiek van een jaar of 40, 50 geleden met de hedendaagse journalistiek. Volgens Schinkelshoek leven politiek en pers van oudsher op gespannen voet. Men klaagt over die rol en men klaagt over elkaar. Daarom is het altijd zaak om afstand te bewaren. Maar toch horen beide bij elkaar. Zoals een stekker bij een stopcontact. Die hele Binnenhof-sfeer, werd door Schinkelshoek betiteld als ‘een bepaald soort huwelijk’.

Is deze stemming heden ten dage omgeslagen? Grimmiger geworden? Was het vroeger niet gewoon beter? Nee. Volgens Schinkelshoek is de journalistiek sterk verbeterd in kwaliteit. De hedendaagse journalist is analytischer, meer uitgebalanceerd en onpartijdiger dan ooit tevoren. Vroeger was je simpelweg voor of tegen. De journalisten regeerden toen gewoon mee, zo’n sterke en partijdige invloed hadden ze. Tegelijkertijd is het volgens Schinkelshoek rustiger geworden op het Binnenhof. Gezapig zelfs. 9 tot 5 journalistiek. Killer, onverschilliger en ook cynischer. Nauwelijks nog geïnteresseerd in feiten. Afgestompt. Het volk wil vermaakt worden. En de journalist zelf ook. Uhm, dat klonk toch niet zo heel positief. Wat vonden de hoofdredacteuren er eigenlijk van?

Volgens Marcel Gelauff zit de journalistiek vol cynisme. Alle hoofdredacteuren knikten eensgezind. Maar de journalistiek is wel onpartijdiger geworden, bracht Philip Remarque niet-cynisch in. Journalisten dringen het volk minder een mening op. Misschien is de journalistiek tegenwoordig wat lauwer, maar wat Remarque betreft zijn we erop vooruit gegaan. Peter Vandermeersch verweet het de politiek dat zij er minder toe doet. Schinkelshoek, weer terug op een stoel in de zaal, reageerde fel dat hij het daar totaal niet mee eens was. Maar het weerhield Vandermeersch er niet van om de politiek als minder relevant dan in jaren 60, 70 te duiden. De politiek heeft in zijn ogen een groter probleem dan de journalistiek.

Philip Remarque merkte op dat de democratie levendiger en transparanter is geworden. Een nieuwe groep in de samenleving voelt zich meer betrokken. En dat is positief te noemen. Het luxeproduct dat kwaliteitsjournalistiek heet

Kwaliteitsjournalistiek als luxeproduct

Een nieuwe stelling werd aan de heren voorgelegd: kwaliteitsjournalistiek is een luxeproduct. En omdat niemand daarvoor wil betalen valt het de media niet kwalijk te nemen dat journalistieke normen versoepeld worden voor ‘verkoopbaarder’ nieuws. Vrijwel unaniem verklaarden de heren hoofdredacteuren dat – hoewel het uitgangspunt bestaat uit winst maken, met uitzondering van de NOS – men daar in de praktijk geen druppel last van heeft. Kwaliteitsjournalistiek is en blijft het uitgangspunt, aldus de hoofdredacteuren. De kwaliteit van de journalistiek is ook volgens Peter Vandermeersch sterk verbeterd. Met name de laatste 10 jaar. Volgens hem moesten we maar eens wat oude kranten erbij pakken. Je zou je verbazen over de hoeveelheid letters, de slechte schrijfstijl en de afmeting van die krant. “Je hebt er lange armen voor nodig.” Er werd gelachen.

Peter Vandermeersch verklaarde met klem dat het NRC even onafhankelijk is als, pak ‘m beet, The New York Times. “Investeerder Derk Sauer zal zich nooit met de inhoud bezighouden.” Aldus Vandermeersch.

Eensgezind spraken de hoofdredacteuren hun zorgen uit over de Kamervragen die gesteld zijn over deze rol van investeerders. Kort gezegd: zonder investeerders zouden er geen kranten zijn, dus waar bemoeit de politiek zich mee? Ik bedacht me dat de politiek de rollen soms omdraait. Dan neemt zij de rol van de pers aan en gaat zij vragen stellen. En mag de pers die gaan beantwoorden. Maar de heren hoofdredacteuren wilden die vraag helemaal niet beantwoorden. Marcel Gelauff stelde dat we ook vooral positief moeten kijken naar nieuwe media. Want die zorgen voor meer betrokkenheid bij publiek. Het debat wordt opgezocht. En dat zorgt volgens hem voor kwalitatief betere journalistiek. Media zijn kleurloos geworden

Media moeten kleur bekennen

Door naar de stelling: Media moeten politiek kleur bekennen. NRC zou weer een conservatief liberale krant moeten worden. De Volkskrant moet links-nieuws brengen en HP De Tijd moet kiezen of voor altijd lezers verliezen. De Volkskrant is meegegroeid met de samenleving, vindt Philip Remarque. Ooit een linkse krant, maar een richting opgeduwd worden wil men tegenwoordig minder. En Remarque zelf al helemaal niet. Verslaggevers moeten volgens hem neutraal zijn. Tenminste, dat is het streven, zoveel mogelijk graag. Een journalist moet objectiviteit nastreven.

Voorspelbaarheid moet vermeden worden. Maar altijd met een linkse bril op? Nee, dat niet. Marcel van Dam als column kan, maar niet alles moet zo voorspelbaar zijn qua kleur, volgens Remarque. De Volkskrant streeft naar betrokkenheid vanuit de onderkant samenleving en heeft een kritische blik. Voor Frank Poorthuis is het uitgangspunt opinie. Links en rechts kan beide. Goede argumenten dienen gebruik te worden om stellingen te onderbouwen. Een journalist moet iets ergens van vinden. Opiniërend, maar het moet wel goed onderbouwd zijn. Peter Vandermeersch drukte het lampje van zijn microfoon op rood om vervolgens de woorden “accenten leggen” in verband met zijn journalistieke rol te brengen. Via diverse vaste thema’s, zoals de verhouding tussen burgers en het bestuur van dit land, kwaliteit van ons onderwijs. En NRC wil vooral de plek zijn waar het debat plaatsvindt.

Laat ik daarbij opmerken dat dat alleen online kan en niet *duh* via de papieren krant. Het was een uitgelezen kans voor Mei Li Vos om de gedrukte krant versus de online versie te gaan bediscussiëren, maar ze deed het niet. Peter Vandermeersch vroeg aan Marcel Gelauff: “Zijn jullie neutraler?”. Gerlauff antwoordde dat hij vindt dat de NOS vooral breder is geworden. Niet langer opererend vanuit de ivoren toren, maar echt verbonden met de samenleving. Een zeer relevante vraag die in me opkwam: is de NOS dan neutraler dan de commerciële pers? Helaas, die kans werd ook onbenut gelaten. Het begon bij mij te jeuken. Mag de journalist met de kritische vragen nu dan opstaan? Ik was hier met een ander doel en besloot geen vragen te stellen.

Het NOS-model is de toekomst

De NOS doet het goed, wie volgt? De laatste stelling van vanmiddag werd op het scherm geprojecteerd: Het NOS-model is het model van de toekomst? Dus hou op met zeuren over oneerlijke concurrentie door de Ster-inkomsten en/of geef het enige mediaplatform dat vertrouwd wordt meer belastinggeld Het werd mij niet geheel duidelijk wat het NOS-model precies is en of het überhaupt wel aan te duiden is als een model. Marcel Gelauff aan het woord. Opsommend. De NOS draait 24 uur per dag door met haar 18 journaals per dag, via het schetsen van achtergronden, door duiding te geven. Via het Radio 1 journaal, NOS journaal en de site. Kwantitatieve brede informatie, de hele dag door.

Maar wacht eens even, die site, mag de Publieke Omroep nog wel aan websites doen? Vormt dat geen oneerlijke concurrentie ten opzichte van de commerciële nieuwsmakers? Gerlauff pareerde die vraag simpelweg met: “Iedereen houdt van de NOS”.

Het feit dat de NOS betaald wordt van belastinggeld en daardoor een concurrentievoordeel heeft, leek toch wat gevoelig te liggen bij de overige hoofdredacteuren. Peter Vandermeersch verdedigde zich door te zeggen dat als je de NOS niet zou volgen, maar wel een van de bekende kranten van Nederland zou lezen, je toch goed geïnformeerd zult zijn. Journalistiek zonder de NOS is volgens Vandermeersch heel goed mogelijk. Philip Remarque meldde dat het goed is dat de NOS er is, als niet-commerciele nieuwsorganisatie. Om er wel razendsnel aan toe te voegen dat als je vervolgens met dat belastinggeld iets als Joop.nl gaat doen, dat rechtstreekse concurrentie is voor de commerciëlen. “Als de Volkskrant zoiets wil doen, moet we dat uit eigen zak betalen.”

In het Verenigd Koninkrijk moest de BBC diverse sites sluiten vanwege onjuiste concurrentie, zo merkte Peter Vandermeersch op (zie hier). Op het verder uitbouwen van Publieke Omroep websites zouden we beducht moeten zijn volgens hem. Op mij kwam het over alsof de heren wilden zeggen: de journalistieke kwaliteit van de NOS staat buiten kijf, maar het concurrentievoordeel heeft zo zijn grenzen. Maar ja, hoe bepaal je die grenzen nu televisie, radio en internet steeds meer in elkaar schuiven? Is televisie niet gewoon internet geworden? En dan zeker hoe de NOS dat doet. En is dat juist niet hun verdienste?

Tot zover mijn poging het debat helder uiteen te zetten. Opvallend was het niet, deze middag. Het leek er zelfs even op alsof het met de journalistiek helemaal heppie de peppie gesteld is. Niets aan het handje. Is dat Mei Li Vos te verwijten? Kan een politica wel echt doorvragen, eventueel zonder een compromis te aanvaarden?

Na afloop liepen we gezamenlijk richting bar, bestelden we een drankje en dompelden we hier en daar een bitterbal in de mosterd. Gezelligheid kent geen tijd in Nieuwspoort. Buiten regende en stormde het.

Al 7 reacties — discussieer mee!