Na bijna vijf jaar freelance correspondentschap in Turkije werd mij laatst gevraagd of ik onderhand niet verzadigd ben. Lukt het mij nog wel met Nederlandse ogen naar Turkije te kijken? Kan ik nog wel ideeën verzinnen die Nederlandse lezers aanspreken? “Het is niet voor niets”, mailde deze collega en vriendin mij, “dat correspondenten in vaste dienst na vijf jaar rouleren.” Laat de correspondent in vaste dienst nou net een uitstervende soort zijn. De nieuwe correspondent is een freelancer. Of, met andere woorden: een ondernemer. Die raakt niet verzadigd, die raakt gespecialiseerd.

Voor ik naar Turkije ging, in december 2006, schreef ik al een jaar of vijftien over medische onderwerpen. Eerst in vaste dienst, daarna freelance. In die jaren heeft nooit iemand me gevraagd of ik niet eens een ander specialisme moest. Opdrachtgevers vonden het prettig dat ik wist waar ik het over had, dat ik een goed netwerk had in mijn specialisme, de ‘taal’ sprak van de mensen die ik interviewde, en dat ik niet met voor de hand liggende onderwerpen kwam maar met ideeën die een stapje verder gingen.

Zodra je de grens oversteekt, wordt het blijkbaar verdacht om goed in je specialisme te zitten. Sterker nog: veel mensen vinden het niet meer dan normaal dat correspondenten na een jaartje of vijf verkassen. Net als ze ‘hun’ land behoorlijk hebben leren kennen, een sterk netwerk hebben opgebouwd en de taal spreken. Zijn correspondenten dan inderdaad verzadigd? En zo ja, voor welke correspondenten geldt dat dan precies, en voor welke media?

Ik werk in een kantoor met pakweg twintig freelancers uit allemaal verschillende landen. De Spanjaard gaat ons binnenkort verlaten. Hij is na zes jaar klaar met Turkije en vertrekt naar Athene. Eén van de Francaises hoorde ik ook verkondigen dat ze het na zes jaar niet meer zo spannend vindt en veel verhalen al zo vaak geschreven heeft. De Italiaanse blijft ook niet lang meer in Istanbul, schat ik zo in. De overeenkomst tussen deze drie? Ze werken voor één opdrachtgever – een krant of persbureau – en ze volgen de hele dag de gekte van het nieuws. Ze produceren veel, maar erg creatief hoeft het niet te zijn. Nieuwsberichten en achtergrondverhalen, af en toe een uitstapje maar altijd in het strakke format van krant of persbureau, en dat is dat.

Het zijn geen ondernemers

Het zijn stuk voor stuk uitstekende journalisten, maar geen ondernemers. De ontwikkelingen in de markt zijn voor hen niet zo interessant: zo lang het persbureau of de krant bestaat, is hun afzet gegarandeerd. Hoe anders is dat voor freelancers. Ik heb geen enkel contract – al is de samenwerking met het ANP al vier jaar prettig bestendig – en moet bij elk verhaal mijn best doen een geïnteresseerd medium te vinden. Dat is de afgelopen vijf jaar gelukt bij de meest uiteenlopende opdrachtgevers, van Wordt Vervolgd, Opzij, de Pers en HP/De Tijd tot Viva, Volkskrant Magazine, Marie Claire en Flow.

Dat lukt alleen maar als ik precies weet welk blad naar welk soort verhalen zoekt. Als ik, met andere woorden, mijn markt ken. Turkije ontwikkelt zich als een razende op allerlei gebieden, net als de enorm brede Nederlandse bladenmarkt. Een dynamische combinatie, en Turkije is natuurlijk niet het enige buitenland waarvoor dat geldt. Het freelance correspondentenbestaan dwingt tot creatief denken, en dat leidt tot verrassende verhalen, vaak met onverwachte invalshoek. Verhalen die lezers een nieuwe visie geven op Turkije, of tenmínste even aan het denken zetten.

Zulke verhalen kun je alleen maar maken als je niet alleen je markt kent, maar ook weet waar je het over hebt. Als ik verhalen teruglees die ik schreef toen ik net in Turkije was, zie ik journalistiek waar weinig mis mee is, maar die (in sommige gevallen) een zekere diepgang ontbeert. Net als de verhalen uit mijn begintijd in de medische journalistiek. En veel van de verhalen die ik nu maak, had ik vijf jaar geleden niet kunnen maken. Omdat ik ze simpelweg niet zág, omdat ik te weinig achtergrondkennis had om ze te bedenken, of omdat ik ze uit onzekerheid over mijn kennis over Turkije niet dúrfde te schrijven. Dat is nu – grotendeels – voorbij.

Het is natuurlijk wel zaak je verhalen voor te leggen aan media die zitten te wachten op een andere blik op Turkije dan de meest voor de hand liggende. Gelukkig zijn er daar genoeg van. Zij zeggen niet, “Geerdink, sorry, jij zit daar al vijf jaar, jij bent verzadigd”, zij zien de waarde van een specialisatie en de diepgang waarmee dat gepaard gaat.

Clichématige buitenlandverslaggeving

En media met vaste correspondenten zien die waarde niet? Aan die indruk kan ik me inderdaad niet altijd onttrekken. Bij pure nieuwsmedia – daar zitten vaste correspondenten meestal – moet het nieuws dagelijks snel en niet te ingewikkeld worden geduid, anders raakt de lezer of kijker de draad kwijt. Dus moet er na een jaar of vijf een ‘frisse’ correspondent worden ingevlogen, die welbeschouwd net zo clichématig naar het land kijkt als de gemiddelde lezer, en zich vol goede moed aan dezelfde verhalen zet die zijn voorganger vijf jaar eerder maakte.

Wat een rijkdom dat er steeds meer correspondenten komen die behalve journalist ook ondernemer zijn. Te denken dat die na vijf jaar verzadigd zijn, gaat volstrekt voorbij aan de werkelijkheid van het journalistiek ondernemerschap, dat staat of valt met een solide specialisatie. Die gooi je niet weg na vijf jaar, die bouw je juist steeds verder uit.

Fréderike Geerdink werkt als freelance correspondent in Turkije. Daarnaast geeft ze workshops over onder meer ‘freelancen in het buitenland’ en ‘journalistiek ondernemerschap’.

Al 2 reacties — discussieer mee!