Vorige week vrijdag (4 november) sprak Jaap de Jong, de nieuwe hoogleraar Journalistiek en Nieuwe Media aan de Universiteit Leiden, zijn oratie uit. Het thema van zijn oratie was de retorica van betrouwbaarheid van het nieuws. Hieronder volgt een sterk verkorte versie van zijn tekst. De volledige tekst zal binnenkort als een boekje worden gepubliceerd door Uitgeverij Boom met als titel Pics or it did not happen! De dood van Osama bin Laden en de retorica van betrouwbaarheid van het nieuws.

Veel mensen zijn ongelovige Thomassen. En dat is maar goed ook, want de wereld is vol van roddels, geruchten, halve verhalen, mogelijke buitenkansen en gevaren, dichtbij en ver weg. Als wij chocola proberen te maken van de wereld om ons heen zijn we voor een groot deel aangewezen op de media. En van de media is de betrouwbaarheid in het geding.

Martijn Koolhoven, al 25 jaar sterverslaggever van De Telegraaf, heeft gelogen over een artikel. Shockblog Geen Stijl verdient de credits voor de ontmaskering van Koolhoven en het tv-programma Zembla bracht de zaak groot. Koolhoven had in een artikel over fotograaf Leo de Deugd onder de kop “Rotterdamse ‘moslimwijk’ in shock na komst fetisj-fotograaf” en het chapeau “’Eng en verschrikkelijk!’” essentiële punten verzonnen. Zo citeert Koolhoven bronnen die hij nooit heeft gesproken, en die zo schadelijk waren voor De Deugd dat hij werd bedreigd en weggepest uit zijn buurt. Eerder had de Raad voor de Journalistiek in totaal vijftien klachten over artikelen van Koolhoven behandeld. Daarvan waren er elf gegrond verklaard en drie deels gegrond. De Telegraaf, die de Raad voor de Journalistiek overigens niet erkent, heeft nu toch Koolhoven ontslagen.

Een ander kras voorbeeld van journalistieke onbetrouwbaarheid is de berichtgeving over de massavernietigingswapens in Irak. Westerse nieuwsmedia namen de verhalen daarover, door de Amerikaanse regering gepresenteerd als casus belli, betrekkelijk kritiekloos over. Bill Keller, oud-hoofdredacteur van de New York Times, bood daar twee maanden geleden in een artikel nog uitvoerig zijn excuses voor aan. Zijn krant, door velen gezien als een baken van betrouwbare nieuwsvoorziening, heeft volgens Keller de door de Amerikaanse regering aangedragen bewijzen voor de chemische wapens van Saddam Hoessein zonder voldoende kritiek beschreven en zo de scepsis tegen een nieuwe oorlog in Irak ondergraven.

Dit zijn spectaculaire, maar ook onalledaagse voorbeelden van journalistieke onbetrouwbaarheid. Minder spectaculaire gevallen doen zich bijna dagelijks voor – zie bijvoorbeeld de websites van de Leidse en Tilburgse journalistiekstudenten die als factcheckers de feiten in het nieuws controleren. Zij checkten de afgelopen jaren honderden verhalen kapot, van berichten over inbrekers die overlijdensadvertenties lezen om te zien wanneer de bewoners van huis zijn tot het wetenschapsnieuws dat mannen precies 8,2 seconden nodig hebben om verliefd te worden op het eerste gezicht.

Moet nu de conclusie van deze korte enumeratie, luiden dat het met de betrouwbaarheid van dé pers bedroevend gesteld is? Twee gerelateerde vragen wil ik nader bekijken. 1) Is er een crisis in vertrouwen in de media? En 2) is betrouwbaarheid echt zo’n belangrijke factor voor de journalistiek?

Vertrouwenscrisis in de media?
Om met de eerste vraag te beginnen: Wie de eerdere opsomming van treurigmakende zaken van Telegraafjournalist Martijn Koolhoven tot deze zomer de dubieuze afluisterpraktijken van News of the World in herinnering roept, zal geneigd zijn direct met ‘ja’ te antwoorden. En ook het vertrouwen in politici, banken, de kerk en zelfs de wetenschap zijn niet vanzelfsprekend.

Wetenschappers kijken ook graag naar cijfers. En zeker wie van de vertrouwenpolls in Groot-Brittannië kennis neemt kan daar van schrikken. Op de vraag Vertrouwt u erop dat journalisten in het algemeen de waarheid spreken of niet? bleek in 2008 slechts 19% positief te antwoorden. Dokters, docenten en professoren scoren traditiegetrouw een stuk hoger, maar al een jaar of vijfentwintig bungelen journalisten onderaan de vertrouwensschaal rond de 20%, ongeveer even laag als de politici.

Het beeld dat dergelijke publieksonderzoeken in andere Europese landen laat zien varieert, maar toont vaak een laag vertrouwen. Ligt dat vertrouwen ook zo laag in de lage landen? De beschikbare cijfers van de Eurobarometer tonen in het algemeen een ander beeld. Tussen 1997 en 2009 schommelt de waardering voor geschreven pers en televisie rond de 60% en voor radio rond 70%. Betrouwbaarheid van internetnieuws is pas recent gemeten en werd wat lager beoordeeld: rond de 50%. De cijfers voor vertrouwen in Nederlandse media zijn niet om over naar huis te schrijven, maar een crisis zien we er niet in.

Hoe belangrijk is betrouwbaarheid?
De tweede vraag was: is betrouwbaarheid echt zo’n belangrijke factor voor de journalistiek? Tot voor kort, toen de journalistiek met haar monopolie op nieuws veel minder concurrentie te duchten had, hoefden de media niet al te veel werk te maken van het aantonen van hun betrouwbaarheid als meerwaarde ten opzichte van andere informatiestromen. Het is nu met zoveel meer media met wie de slinkende advertentie-inkomsten gedeeld moeten worden, met alle gratis nieuwssites, met bloggende en tweetende burgers steeds belangrijker geworden om duidelijkheid te verschaffen over hoe hoog in het vaandel de betrouwbaarheid van berichtgeving wappert.

Betrouwbaarheid is bepaald niet de enige belangrijke eigenschap van journalisten (Blanken en Deuze noemen er maar liefst 9 in hun boek PopUp, De botsing tussen oude en nieuwe media uit 2007). Maar, hopelijk bent u dat met mij eens, wel een belangrijke. De cijfers zijn niet dramatisch, maar ook niet gunstig. Ik wil daarom aangeven waar de belangrijkste uitdagingen liggen voor de verbetering van de journalistieke betrouwbaarheid. Ik onderscheid drie deelgebieden van betrouwbaarheid op maatschappelijk, institutioneel en individueel gebied.

1) Betrouwbaarheid op maatschappelijk niveau

Als de media het vertrouwen van de maatschappij willen blijven behouden en liever nog vergroten, dan doen ze er goed aan om de gezamenlijke initiatieven die gericht zijn op verdergaande professionalisering van de journalistiek zoals Nederlandse Vereniging van Journalisten en de Raad voor de Journalistiek te ondersteunen.

Op het werk van de Raad voor de Journalistiek, die klachten over de media in behandeling nemen en daarover uitspraken doen, is natuurlijk kritiek mogelijk. Niet elke uitspraak zal iedereen welgevallig zijn. En inderdaad de Raad moet zich wel duidelijker positioneren in het landschap van nieuwe media. Men kan de Raad een papieren tijger noemen omdat zij geen sancties kan opleggen. En het is opmerkelijk om te zien dat belangrijke spelers in de media de raad niet erkennen (zoals Elsevier) en uitspraken ervan naast zich neer leggen (zoals de eerder genoemde Telegraaf), in plaats van ruimhartig rectificaties te plaatsen. Ik raad aan deze koudwatervrees te overwinnen.

Collega Huub Wijfjes pleitte in 2003 voor een onafhankelijke mediaombudsman die niet alleen klachten afhandelde, maar ook permanent de discussie gaande houdt. Die nieuwe mediaombudsman is geen succes gebleken. Het Genootschap voor Hoofdredacteuren zag er niets in; er was geen steun uit de beroepsgroep, het lijkt een stille dood gestorven. Maar de samenleving heeft het recht om te weten welke ethische spelregels de vertegenwoordigers van haar media hanteren. En we lopen het risico dat de wal het schip keert.

Dat in onze emotiemaatschappij, waarbij de vlam soms snel in de pan schiet, de politiek vormen van toezicht en controle gaat eisen die onuitvoerbaar en onproductief blijken te zijn. We wachten wat dat betreft af wat er in Groot-Brittanië gaat komen, er wordt al gesproken over vergunningen van journalisten die kunnen worden ingetrokken. Wat naar mijn mening een onwenselijke beperking van de vrijheid van meningsuiting zou betekenen.

Elke week is er wel een discussie of studiemiddag over Media en Macht, de Kees Lunshoflezing, het Cleveringadebat, Studium Generale-series waarin vragen naar betrouwbaarheid gesteld worden. Deze week is er een nieuwe Amerikaanse wikipedia-achtige website gelanceerd, Newstransparency.com, waarop het publiek journalisten ter verantwoording kan roepen. Het mediaprogramma van de VARA, De leugen regeert, heeft een opvolger: De Waan van de Dag.

En de burgers in ons land roep ik op: neem deel aan het publiek debat. Er zijn nog nooit zoveel mogelijkheden geweest om de vinger aan pols van de media en maatschappij te houden. Word niet apathisch en laat uw stem horen aan de media.

2) Institutioneel: betrouwbaarheid op redactieniveau

Met betrekking tot het tweede, institutionele niveau, van de mediaredacties zien we dat media meer waarde hechten aan betrouwbaarheid en diverse instrumenten inzetten om hun reputatie op dit punt zichtbaar te verbeteren. Er bestaat een grote diversiteit in de mate waarin media verantwoording aan hun publiek willen afleggen en transparant willen zijn, bijvoorbeeld door rectificaties. De NOS heeft de laatste jaren meer instrumenten ingevoerd, zoals chat op vrijdag, een weblog, een herstelrubriek. En er zijn media die niet alleen een rubriek inruimen voor lezersbrieven, maar daar ook inhoudelijk op reageren.

Online nieuwssites zijn minstens zo druk bezig met transparantie als de traditionele media. Zoals het onderzoek van onze masterstudent Michiel Kraijkamp duidelijk maakte, hoort het correctiebeleid bij veel redacties tot de vele ongeschreven regels. Hij raadt terecht aan op een aparte pagina op de site uit te leggen wat het beleid is en op welke manieren het publiek correcties aan de redacteur kan melden.

Een kostbare, maar zichtbare en belangrijke ontwikkeling is het invoeren van de ombudsman in diverse media. De ombudsman, is de onafhankelijke ‘publieksredacteur’ die de kritiek van lezers, kijkers en luisteraars een stem geeft in een eigen rubriek. Veel ombudsmannen houden het maar kort uit: journalisten kunnen niet zo goed tegen kritiek. De neiging van hoofdredacteuren om ze te ontslaan is groot, net als mijns inziens het belang om ze in dienst te houden. De ombudsmannen zijn ook de mensen die de collega’s wijzen op het belang van de stijlboeken op de redacties en de daarin gestolde expertise van ervaren en spraakmakende journalisten. Zij houden de discussie gaande over de leidraad van de Raad van de Journalistiek of de code van het Genootschap voor Hoofdredacteuren. Ik bepleit ze in ere te houden en ze goed betalen voor hun belangrijke werk.

3) Individuele betrouwbaarheid

In een reeks van publicaties maakt mijn Leidse voorganger Mark Deuze ons duidelijk dat de nieuwe generatie journalisten ‘mediawerkers’ zullen zijn. Mensen die niet meer jarenlang bij één redactie zullen werken, maar veelal als freelancer en zzp’er zullen opereren, met zeer uiteenlopende opdrachtgevers en zo nu en dan een wat langer lopend contract. De redactionele normen en waarden leren ze dan veel minder dan hun voorgangers via contact met de eigen ervaren redacteuren on the job. Omdat ze bij die verschillende opdrachtgevers soms ook met verschillende normen in aanraking zullen komen, moeten ze zelf een eigen koers kunnen bepalen. Met behulp van stijlboeken, achterliggende codes en collega’s. Daarom is het volgens mij van belang de universitaire opleiding van nieuwe journalisten te richten op het vormen van wat wij noemen reflective practitioners.

Ze verwerven een combinatie van praktische en academische vaardigheden. Deze reflective practitioners leren kritisch, creatief en onafhankelijk te denken. Ze herkennen de ethische dilemma’s van de professie, kunnen daarop kritisch reflecteren en vervolgens handelen. Het eigen kompas dat de studenten leren te ontwikkelen moet hen van pas komen in deze tijden waarin parachute journalism en crowdsourcing nieuwe eisen stellen aan de nieuwe journalisten.

 

Al 5 reacties — discussieer mee!