IDFA 2011 (1)

Deze week begint de 24ste editie van het bekende documentairefestival IDFA. De komende tijd zal DNR, in samenwerking met het Mediafonds, daarom aandacht besteden aan de toekomst van de documentaire. In de nieuwste uitgave van 609, het blad van het Mediafonds, schrijft documentairemaker Jos de Putter dat hij vreest voor de teloorgang van de experimenteerdrift die zo kenmerkend is voor Nederlandse documentairemakers. In dit artikel doet hij enkele suggesties om het tij te keren.

De  toekomst voor jonge documentairemakers ziet er niet rooskleurig uit. Subsidiënten en distributiekanalen zullen in de toekomst bewust of onbewust sneller ‘op zeker’ spelen. Voeg daarbij de uitgesproken prioriteit voor ‘excellentie’ en de onuitgesproken (maar her en der aanwijsbare) afkeer van experimenteerdrift en we mogen ons afvragen hoe een nieuwe generatie filmers nog bijzondere documentaires moet gaan maken. 

Daarmee staat een belangrijke Nederlandse culturele traditie op de tocht: de zogenaamde Hollandse School van het documentaire maken. De Hollandse School, ook wel omschreven als ‘creatieve documentaire’, wordt gekenmerkt door een sterk gevoel voor filmische stijl, en minder door de jacht naar het juiste onderwerp op het juiste moment, wat vrijwel overal elders in de wereld de voorwaarde is om überhaupt te kunnen beginnen.

Filmische experimenteerdrift is altijd het onderscheidende kenmerk geweest van de creatieve documentaire. Het is deze traditie die Ivens, Van der Horst, Haanstra, Van der Keuken en Honigmann en recent ook Leonard Retel Helmrich tot ver over de grenzen beroemd heeft gemaakt. Ieder jaar zie je bij afstudeerfilms van verschillende opleidingen wel iets van die inspiratie terug.

Maar hoe lang nog? Als de financierings- en vertoningsmogelijkheden in rap tempo minder worden, met wie communiceer je dan nog? Wie kan na jou de draad oppikken? Om te redden wat er te redden valt zouden we met z’n allen de moed moeten opbrengen om opnieuw te kijken naar de basis van de creatieve documentaire: de auteur. Hier is op velerlei niveaus werk te doen.

Onderwijs

Het onderwijs zou veel meer dan nu het geval is aandacht kunnen besteden aan de kunstgeschiedenis als context voor het vak van regisseur. Als verlengde daarvan zou filmgeschiedenis op een veel theoretischer en zelfs filosofischer niveau moeten worden onderwezen. Als je nu jonge afgestudeerde regisseurs vraagt naar het belang van de off-screen ruimte kijken ze je aan of je Chinees spreekt. Dat betekent dat ze Mondriaan niet kennen en begrijpen, en dus niet op de hoogte zijn van de traditie in de Nederlandse beeldende kunst.

Het betekent zelfs dat ze Hitchcock niet begrijpen en dus niet op de hoogte zijn van de regels van de film als kunst. Het idee dat film een taal is, dat Pasolini en Bresson daarover hebben nagedacht, dat anderen dat weer hebben verworpen: het is allemaal deel van een diepgaander inzicht in de structuren en mogelijkheden van de filmkunst, en het is allemaal vrijwel verdwenen.

Ik weet dat dit referenties zijn naar de wereld van de speelfilm, maar dat is precies de bedoeling: dergelijke referenties maken duidelijk dat het gaat om de kunst van het vertellen, tegenover het vinden van een onderwerp. In de vertelkunst, dat wil zeggen het artistieke perspectief op het onderwerp, schuilt immers de auteur.

Het gemis aan theoretische achtergrond werkt een situatie in de hand waarin talenten steeds opnieuw enthousiast het wiel uitvinden en dan na enkele jaren op een dood spoor belanden. Je kunt makkelijk argumenteren dat dit wordt veroorzaakt door een te laag instapniveau – los van de kannibalistische industrie die deze sector nu eenmaal is, gekenmerkt door schreeuwerige honger naar steeds nieuwe sterren.

Experimenteren

Het ontbreekt structureel aan mogelijkheden om te experimenteren met vorm. Het Filmfonds heeft een speciaal loket O(nderzoek) & O(ntwikkeling), maar er is geen direct vervolg op festivals, laat staan op televisie, waar de gerealiseerde producties herkenbaar kunnen worden geclusterd, vertoond en besproken. Initiatieven om op Nederland 3 te komen tot een vrijplaats voor jonge filmmakers leiden nergens toe omdat de betrokken netcoördinator zoals zovelen in Hilversum huiverig is voor experimenten die niet ‘laagdrempelig’ zijn.

Opleidingen, subsidiegevers en televisiebonzen zouden met het oog op de kwetsbare situatie niet in de schulp moeten kruipen maar juist een gezamenlijke verantwoordelijkheid nemen voor de bescherming, stimulering en presentatie van filmische experimenteerdrift. Er staat immers niks minder op het spel dan cultureel erfgoed. Het lijkt me niet zo moeilijk te verdedigen dat dit bij de publieke taak hoort van alle spelers.

Producenten en samenwerking

Er is al enkele jaren een tendens die de nadruk legt op internationale coproductie. Verschillende festivals bieden de mogelijkheid een filmproject te pitchen voor een gezelschap van commissioning editors uit allerlei landen. Dergelijke platforms zijn zeker van belang voor met name regisseurs uit landen zonder noemenswaardige filmindustrie. Toch heb ik om meerdere redenen altijd huiverig gestaan tegenover die ontwikkeling.

Allereerst heeft een regisseur bij een ‘normaal’ project al te maken met veel druk van buitenaf. Er is de producent, die altijd oog zal hebben voor de wensen van de financiers. Zij zijn immers de constante factor in zijn bedrijf, niet de individuele regisseur. In tijden van schaarste wordt dat er niet beter op.

Er is de eindredactie van de omroep, die ‘televisiewetten’ loslaat op de film die de regisseur maakt. Probeer nog maar eens een supertotaal te maken, meerdere totalen achter elkaar te monteren, de camera niet te makkelijk te bewegen, zuinig te zijn op close-ups, het kader te laten ‘voelen’, muziek achterwege te laten of werkelijk als muziek te behandelen en niet te laten ‘meeklinken’, of zonder commentaar te vertellen. Al die artistieke  uitgangspunten zijn zo goed als onverenigbaar met ‘televisiewetten’.

In Nederland hebben we nog de situatie dat menig eindredacteur echt van de documentaire houdt en ook oog heeft voor de te verdedigen traditie. Maar zij zijn  verwikkeld in de strijd om de kijkcijfers, waar ze op worden afgerekend. De kijkcijferfetisjisten hebben niks met documentaire, en nog minder met de creatieve documentaire.

Bij het Filmfonds is een tendens waarneembaar dat de financier een grotere verantwoordelijkheid neemt als eindredacteur. In mijn ogen is dat alleen te verdedigen als er geen principiële, filmische, inbreuk wordt gedaan op het werk van de regisseur (wat formeel-juridisch het werk van de producent is). Maar de werkelijkheid is soms anders, en dan wordt de vraag naar de artistieke eindverantwoordelijkheid van een film erg ingewikkeld.

Daarnaast bestaat het risico van de succesformule: met Hazes, Cruyff, Ramses et al heeft de Nederlandse documentaire een belangrijke slag gemaakt in de richting van het grote publiek. De keerzijde is dat nu een reductie van het genre op de loer ligt. Wanneer ‘de naam’ de plaats inneemt van ‘de film’ zien we alleen nog portretten van beroemdheden als afspiegeling van onze samenleving.

Zodra bij dit alles ook nog de commissioning editors uit het buitenland komen worden de risico’s voor de auteur-regisseur vele malen groter. Er ontstaat als vanzelf een neiging om de grootste gemene deler op te zoeken. Het eindresultaat is dan vaak mijlenver verwijderd van de film die ooit in het hoofd van de regisseur begon.

Europudding

In de speelfilmindustrie, waar het over veel grotere bedragen gaat, is al veel eerder ervaring opgedaan met internationale coproducties. Ik was zelf nog filmcriticus toen het woord ‘europudding’ in zwang raakte voor de ontheemde, ontwortelde, zeer conventionele films die het resultaat waren van de prioriteit van financiële overwegingen boven artistieke uitgangspunten.

Juist met het oog op die ervaring denk ik dat hier voorzichtigheid is geboden wanneer het om de toekomst van de Nederlandse documentaire gaat. Het klinkt allemaal vooruitstrevend en marktgericht, maar de uitverkoop ligt veel dichterbij dan het behoud van een eigenzinnige traditie.

Grote internationale coproducties over heikele onderwerpen hebben bovendien het dubieuze effect dat ze de geschiedenis als het ware ‘vastleggen’. Enkele jaren geleden gebeurde dat met een documentaire over het Milosevic-tribunaal, waar vrijwel alle grote Europese omroepen financieel aan deelnamen. Dat heeft als gevolg dat een alternatieve zienswijze op zo’n recente en complexe geschiedenis niet aan bod kan komen: ‘de’ film is namelijk al gemaakt. De tendens van internationale coproductie is dus niet alleen lastig voor de positie van de auteur, maar ook voor diversiteit en pluriformiteit.

In de aanval

De werkelijke vooruitgang ligt besloten in een tegengestelde beweging. Geen internationalisering, onderwerp-hectiek en coproductie, maar kleine, persoonlijke, gedurfde documentaires waarbij maker en producent niet per se gescheiden zijn. Laat zogenaamde éénpitters (makers die hun film zelf produceren) experimenteren. Bied ze een podium voor hun filmische verkenningen: zo leer je ze op waarde schatten.

Ik denk vaak dat ik mijn debuutfilm Het is een schone dag geweest nooit had kunnen maken als ik niet ook zelf had geproduceerd. Niet iedere producent was immers akkoord gegaan met negen maanden montage, en waarschijnlijk ook met een film van 70 minuten stilstaande shots, voornamelijk totalen, zonder muziek. Het idee van budget en honoraria speelt daar op een bepaald moment geen rol meer.

Niet iedere maker is hetzelfde, gelukkig. Sommigen gedijen in vastomlijnde productieomstandigheden, anderen juist in de chaos die ze zelf creëren. Waar het om gaat is dat de werkelijke excellentie zich niet laat programmeren. Je kunt alleen de randvoorwaarden maken waarbinnen je die hoopt te ontdekken, en die randvoorwaarden moeten dus divers en flexibel zijn, gericht op de maker en niet op het instituut.

Filmfonds en Mediafonds moeten daarom meer dan ooit het perspectief op de maker als auteur vasthouden, zowel als hoeders van de Nederlandse traditie als in de eeuwige strijd met Hilversum, waar het vooral gaat om ‘maatschappelijke relevantie’.

Perspectief op de maker

Vanuit die gedachte wordt aansluiting gevonden bij een belangrijke beweging op sociaal-cultureel gebied van globaal naar lokaal, van een vaak hiërarchische en financieel gemotiveerde relatie regisseur–producent–financier–distributeur–sales agent naar networking en open source. Van grote objectiverende verhalen naar kleine subjectieve zoektochten.

Die beweging is beslist niet conservatief: als de kracht van de Hollandse School ligt in eigengereidheid en persoonlijke films, dan herwint het idee van ‘het lokale’, het eigene, aan potentie. Daar ligt het artistieke en ook politieke antwoord op de onpersoonlijke beeldenstroom van alledag. Daar kan de filmkunst het leven als het ware terugveroveren op de aanslagen van de beeldindustrie. Je zou zelfs kunnen stellen dat de creatieve documentaire daaraan zijn bestaansrecht ontleent.

Als we met z’n allen over die richting durven na te denken plaatsen we de Nederlandse documentaire weer daar waar hij zich in de geschiedenis heeft bewezen en kiezen we voor een prikkelende variant op een vertrouwd adagium: de verdediging is de beste aanval.

Op 17 november organiseert het Mediafonds, in samenwerking met de NPO en de IDFA, een debat over de toekomst van de Nederlandse documentaire.

Lees ook
Andere artikelen op DNR over de IDFA 2011

Nog geen reactie — begin de discussie!