Journalisten nemen alles en iedereen de maat, maar laten zichzelf niet ter verantwoording roepen. Je hoort dat vaak, maar klopt het ook? Op welke manieren leggen journalisten verantwoording af? Doen ze dat dan gedwongen of uit eigen beweging? Welke systemen en instrumenten zijn daarvoor gangbaar in de beroepsgroep? Welke verschillen doen zich voor tussen landen en wat kunnen we leren van deze internationale variëteit?

Over deze vragen gaat het boek ‘Mapping Media Accountability – in Europe and Beyond’, een publicatie van de onderzoeksgroep MediaAcT. Deze afkorting staat voor ‘Media Accountability and Transparency in Europe’ en betreft een internationaal vergelijkend onderzoek onder twaalf Europese landen plus Jordanië en Tunesië. Fontys Hogeschool Journalistiek in Tilburg neemt als Nederlandse partner deel.  Het is een onderzoek naar zogeheten media accountability-instrumenten (zoals raden voor de journalistiek, ethische codes en ombudslieden) met speciale aandacht voor de veranderingen die de online omgeving met zich mee brengt.

Dit boek, het eerste resultaat van het project, beschrijft de huidige stand van zaken rondom media accountability in veertien landen en onderzoekt gelijkenissen en verschillen. Die staan centraal in dit artikel evenals de vraag naar de positie van Nederland. In een tweede artikel passeren enkele opvallende ontwikkelingen in de onderzochte landen de revu. Over nieuwe initiatieven, vooral online, gaat het derde deel in deze serie.

Zelfregulering

Het boek definieert mediaverantwoording als “het beschouwen, becommentariëren en bekritiseren van journalistiek om problemen in het vak bloot te leggen en te bediscussiëren.” Zowel nieuwsgebruikers als journalisten nemen hieraan deel. Mediaverantwoording kent verschillende verschijningsvormen, offline en online, zoals ombudslieden, persraden en discussiefora. Het onderzoek concentreert zich op mediaverantwoording als vorm van zelfregulering.

Alle onderzochte landen kennen wel een of andere vorm van mediaverantwoording, maar vertonen onderling grote verschillen in werking en structuur. Afgaand op de aanwezigheid en het functioneren van institutionele instrumenten zoals raden voor de journalistiek, vakbonden en ethische codes kan onderscheid gemaakt worden in landen met geringe (Frankrijk, Oostenrijk, Italië, Jordanië, Tunesië, Roemenië), matige (Estland, Polen, Zwitserland, Spanje) en sterke vertegenwoordiging (Finland, Duitsland, Nederland, Groot-Brittannië).

Voor landen met onderling sterk verschillende mediasystemen, zoals Groot-Brittannië en Italië, lijken de verschillen evident, maar ook meer verwante landen vertonen onderlinge verschillen. Waar zowel Zwitserland als Duitsland een ‘levendige cultuur van mediakritiek’ kennen, is dat in Oostenrijk niet het geval. Het fenomeen publieksraden komt wel in Zwitserland voor, maar speelt geen rol van betekenis in Duitsland. Zo’n raad vervult een ombudsfunctie, d.w.z. behandelt klachten en kritiseert het redactionele beleid van een krant of omroep.

Landen waar men weinig of geen verantwoordingsinstrumenten kent, kenmerken zich door de aanwezigheid van alternatieve vormen. In Frankrijk en Italië, landen met een sterk gepolitiseerde journalistiek, treffen we bijvoorbeeld een sterke cultuur van satire en mediakritiek aan.

Verschillen

Landen verschillen onderling vooral op het vlak van civil society (‘maatschappelijk middenveld’) en mate van professionalisering. Als voornaamste representant van het liberale mediasysteem kent vooral Groot-Brittannië een rijke cultuur van belangengroepen uit zowel de civil society als de vakbeweging. Voorbeelden van burgerinitiatieven zijn Mediawatch, dat sinds 1965 strijdt tegen schadelijke en schokkende berichtgeving en pleit voor sociaal-verantwoordelijke journalistiek, of The Voice of the Listener & Viewer dat sinds 1982 op de bres staat voor journalistieke kwaliteit en waarden bij de BBC.

De online omgeving biedt steeds meer ruimte aan individuele projecten zoals Mailwatch, een burgerblog dat zich richt op het bekritiseren van voorpaginanieuws van de tabloid Daily Mail. Zo is er ook The Daily Quail en The Sun-Tabloid Lies. Uit de vakbeweging is Campaign for Press & Broadcasting Freedom voortgekomen, een initiatief dat betrokkenheid met burgers en wetenschappers zoekt en onder meer pleit voor een recht op weerwoord. Het CPBF ondersteunde ‘slachtoffers van mediamisbruik’ in het opzetten van MediaWise, voorheen PressWise. Deze stichting ondersteunt mensen bij klachten over media en manifesteert zich in de discussie over ethiek en regulering. Journalisten en wetenschappers dragen gezamenlijk Spinwatch, dat de invloed onderzoekt van corporate public relations op journalistieke inhoud.

In vergelijking met Groot-Brittannië is de stem van de burger in Nederland minder zichtbaar in georganiseerd verband. Dit heeft waarschijnlijk te maken met onze lange traditie van verzuilde media die als zodanig de stem van de burger representeerden, maar geleidelijk aan verbindende kracht hebben ingeboet. Misschien wordt die stem in de loop der jaren en met de bestendiging van een maatschappelijke online cultuur luider.

Jordanië en Tunesië

De twee landen met een hoge mate van overheidsregulering, Jordanië en Tunesië, hebben tot op heden een weinig ontwikkeld maatschappelijk middenveld dat zich met de kwaliteit van journalistiek en media bemoeit. De drempelverlagende werking van online communicatie lijkt daar beweging in brengen. Tunesië had zijn eigen ‘Arabische lente’. In beide landen klinkt steeds meer (online) kritiek op de dominante opvattingen in de grotendeels gereguleerde nieuwsmedia. Toch is daar van een georganiseerde vorm van burgerschap die zich uitlaat over journalistieke kwaliteit (nog) geen sprake.

In sommige gevallen is ook de bestuurlijke inrichting van een land bepalend voor de functionaliteit van mediaverantwoording. Zo leiden sterke regionale taal- en cultuurverschillen en bestuurlijk federalisme in bijvoorbeeld Spanje en Zwitserland tot een gefragmenteerde infrastructuur van zelfregulering, met wisselend draagvlak onder professionals. In Spanje zijn professionele organen veelal regionaal van aard, waarbij Catalonië en Madrid sterk ontwikkeld zijn en Andalusië en Baskenland zwak. Deze regionale variëteit leidt tot geringe bekendheid onder de bevolking en gering draagvlak voor mediaverantwoording in de landelijke journalistiek.

Ook Duitsland, dat zich in de voorhoede bevindt als het gaat om mediaverantwoording, kent een dergelijk probleem: de klachteninstelling voor commerciële omroepen opereert op regionaal niveau. Dat vergroot misschien de toegankelijkheid, maar beperkt de reikwijdte van de uitspraken.

Daarnaast komen op instrumenteel niveau interessant verschillen voor tussen landen. Zo lijkt Nederland zich te onderscheiden vanwege een toenemend gebruik van hoofdredacties om in wekelijkse rubrieken of blogs verantwoording af te leggen aan het publiek. Dergelijke rubrieken kunnen, als vorm van zelf gecontroleerde transparantie, een interessante aanvulling vormen in een bredere cultuur van mediaverantwoording.

Overeenkomsten

De vergelijking van landen laat zien dat het niet alleen gaat om de aanwezigheid van instrumenten van mediaverantwoording, maar uiteindelijk vooral om de efficiëntie ervan. Dat een land veel instrumenten heeft, betekent namelijk niet dat die mediaverantwoording volwassen of effectief is. In zowel Finland als Nederland klinkt kritiek op het functioneren van de raad voor de journalistiek en vertoont mediajournalistiek als discipline wisselend succes.

Over specifieke instrumenten klinkt in de meeste landen overeenkomstige kritiek. Elke raad voor de journalistiek kampt met het probleem dat geen sancties kunnen worden opgelegd aan journalisten en dat de raad door de beroepsgroep in wisselende mate wordt erkend. Beroepsbrede ethische codes genieten doorgaans weinig aanzien en journalisten waarborgen hun professionele kwaliteit liever intern dan extern.

De landen vertonen ook duidelijk overeenkomsten in de potentie die wordt toegeschreven aan de democratiserende werking van internet. In alle landen is in meer of mindere mate sprake van een kritische web community. Dat geldt dus ook voor landen met een wat jongere professionele traditie, zoals Estland, Polen, Roemenië en Spanje en zelfs landen met een strikt regime en geringe persvrijheid zoals Jordanië en Tunesië. Alle landen kampen echter ook met de gebruikelijke valkuilen van het web als platform voor journalistiek en kritiek. Discussies zijn ongemanierd of slecht onderbouwd, en er ontstaat een hele nieuwe markt van nieuwsaanbieders die zich (vooralsnog) moeilijk laten aanspreken.

Nederland in Europees perspectief

In het licht van de startvraag (er wordt vaak gezegd dat journalisten zich niet ter verantwoording laten roepen, maar klopt dat ook?) steekt Nederland in vergelijking met andere onderzochte Europese landen opvallend positief af. Nederland hoort bij de landen met een goed ontwikkelde en zichtbare professionalisering. Er is een Raad voor de Journalistiek en deze wordt relatief breed gedragen binnen de beroepsgroep; het merendeel van de Nederlandse nieuwsmedia erkent de Raad. De Raad bestaat behalve uit journalisten ook uit experts en burgerleden en hij onderzoekt en investeert in zijn verbeterpunten. Ook de NVJ heeft een relatief breed draagvlak in de beroepsgroep.

De overheid houdt zich op afstand, staat garant voor een pluriform publiek omroepbestel met een unieke maatschappelijke verankering en stimuleert zelfregulering, onderzoek en journalistieke innovatie.

Van regionale versnippering zoals in Spanje en Zwitserland is geen sprake en beroepsbrede verantwoordingsmechanismen genieten relatief veel bekendheid en breed draagvlak. De professionele mediajournalistiek daarentegen is onderontwikkeld in vergelijking met Duitsland of Frankrijk. Mogelijk het gevolg van een kleine beroepsgroep, waarvan de leden elkaar liever niet te kritisch bejegenen omdat ze met elkaar door één deur moeten?

Ook op het niveau van nieuwsorganisaties onderscheidt Nederland zich. Het gebruik van hoofdredacties om zich in hun eigen rubrieken aan lezers te verantwoorden is tamelijk uniek, en, hoewel schaars, proactieve transparantie in vorm van het publiceren van ethische codes en mission statements lijkt sterker dan in andere landen.

Op basis van deze internationale vergelijking zou de Nederlandse journalistiek met enige tevredenheid kunnen kijken naar de eigen situatie en naar het functioneren van zelfregulerende mediaverantwoording. Deze studie legt echter ook de minder ontwikkelde aspecten bloot: georganiseerde tegenspraak door burgers en kritische mediajournalistiek lijken weinig volwassen. De beschrijvingen van andere landen bieden inspirerende voorbeelden van ‘best practices’. Daarover gaat het tweede deel in deze serie.

Lees ook
Deel 2 van deze serie: Overzicht van mediaverantwoording in Europa

Al 2 reacties — discussieer mee!