Met welke innovaties proberen regionale kranten de gevolgen van teruglopende oplages het hoofd te bieden? Hoe dachten kranten met convergentiestrategieën de noodzakelijke synergievoordelen te verkrijgen? Dit waren de centrale vragen in een serie gesprekken met de negentien regionale kranten in Nederland. Onderzoekers en studenten van het lectoraat Crossmediale Kwaliteitsjournalistiek in Utrecht (HU), interviewden in 2011 en 2010 managers en redacteuren over hun digitale dromen.

Synergie

Hoewel er grote verschillen bleken te bestaan tussen de strategieën, niet alleen tussen kranten maar ook binnen kranten, kwam eensgezind naar voren dat de ambitie om digitaal uit te bouwen de boventoon voerde. Synergie was de toekomst, en dat was het al een aantal jaar. Bundeling, ontbundeling, convergentie, divergentie, central desk, digital first; toverwoorden genoeg. Maar of ze ook het gewenste effect zouden hebben, dat wist niemand.

De meeste regionale kranten zagen zichzelf inmiddels al wel als een multimediaredactie en toonden zich verwachtingsvol over de kansen van convergentie als een middel om synergie te behalen, zowel aan de kosten- als aan de productiekant. De meeste redacties zagen wel ruimte voor verbetering. Hoe dan ook zou multiplatformjournalistiek een rol gaan spelen in het terugwinnen van lezers en adverteerders.

Convergentieanalyse

Voor ons een logisch vervolg op de interviews was onderzoek met de vraag: hoe worden de digitale dromen in de regionale realiteit gebracht? Daarvoor onderzochten we hoe kranten nieuws over politiek en openbaar bestuur publiceren op verschillende platformen; digitale krant, website, mobiel, tablet en sociale media. Over een periode van twee maanden bekeken we eind 2011 negen kranten.

Gedurende een week analyseerden we 24 uur per dag onder meer publicatievorm (nieuws, achtergrond, tekst, beeld, etc.), frequentie en productiestructuur (alleen krant, al of niet online of Twitter, etc.). En zo nog een paar kenmerken waaraan de mate van innovatie is af te lezen. Ook hielden we alles bij wat ons verder online opviel.

De kranten die we hebben onderzocht waren: Gooi- en Eemlander, Dagblad van het Noorden, Brabants Dagblad, Barneveldse Krant, AD/Utrechts Nieuwsblad, Noordhollands Dagblad, Dagblad de Limburger / Limburgs Dagblad, TC Tubantia en de Provinciale Zeeuwse Courant. De resultaten en conclusies geven een voorlopige en algemene indicatie.

Meer is minder

Bijna alle kranten zijn aanwezig op alle platforms, maar ze brengen voornamelijk hetzelfde nieuws via die kanalen. Het hebben van meer platforms betekent in de praktijk vooral een verdubbeling van nieuws, nauwelijks een uitbreiding, aanvulling of verdieping. De kranten bleken weinig tot niets te doen met de mogelijkheden die de verschillenden crossmediale technieken bieden. Nieuws uit de krant werd online, mobiel of in de sociale media ook niet of nauwelijks verrijkt met functionele illustraties, ondersteunende data of archiefmateriaal. Dossiervorming bleek beperkt, en ook het aansluiten op actuele online discussies werd weinig gedaan.

Bij geen van de kranten kon een consequent publicatiebeleid worden herkend. Initiatieven bleken vaak een ad hoc of experimenteel karakter te hebben. Zo was er een krant met twee twitteraccounts, met samen meer dan 9000 volgers, die de berichtgeving volledig stopzette gedurende twee maanden. Een andere krant plaatste op één dag een lokaal bericht, gevolgd door dagen met vele berichtjes rechtstreeks van persbureaus of andere kranten.

Hyperlokaal

Opvallend was de opkomst van hyperlokale zustersites onder redactie van de rompkrant. Hoewel er op die sites meer debat leek te ontstaan rondom sommige onderwerpen, waren het in alle gevallen berichten die ook op de homepage van de krant te lezen waren.

En dan was er de vrijerij met online video. Van de buitenkant bleef onduidelijk wat de levensduur is van deze initiatieven, omdat de toegevoegde waarde onduidelijk was. De meeste videoberichten waren ook als tekst met beeld terug te lezen in de krant of online.

Publicaties via tablet of mobiele app waren in de meeste gevallen samenvattingen van langere online berichten. Opvallend was dat geen van de onderzochte kranten het regionale nieuws daarin als belangrijkste nam.

Hoe exotisch Facebook voor sommige kranten is, ten slotte, mag blijken uit het verschil in presentatie op deze sociale netwerkdienst met in Nederland ruim vijf miljoen gebruikers. Sommige kranten zijn niet aanwezig, andere hebben alleen een uittreksel of verwijzing naar Wikipedia gepost, en een enkeling publiceert dagelijks het nieuws.

En nu?

Vervolgstappen in de studie zijn dat de resultaten van de convergentieanalyse naast de interviews worden gelegd. Waarom zijn er zulke grote verschillen tussen de ambities van kranten en de dagelijkse realiteit? Waarom lukt het regionale kranten niet om plannen systematisch en consequent om te zetten in daden? De resultaten van die analyse zullen worden besproken met vertegenwoordigers van de negen kranten waarvan de publicaties zijn onderzocht.

Resultaten van de interviews werden onder meer gepresenteerd op het Diversity of Journalisms Conference in Pamplona, afgelopen zomer. Begin februari zijn op het Etmaal van de Communicatiewetenschap in Leuven de voorlopige resultaten gepresenteerd van de convergentieanalyse. Beide studies zijn een onderdeel van mijn promotieonderzoek naar de gevolgen van convergentiestrategieën op de organisatie en redactie van regionale kranten.

+++

Maandag 27 februari organiseert de NVJ in Utrecht het debat ‘regio in de uitverkoop’ over de (digitale) toekomst van de regionale dagbladen.

Al 8 reacties — discussieer mee!