Het internet biedt nieuwe mogelijkheden zowel voor redacties om verantwoording af te leggen aan het publiek als voor burgers om de media kritisch te volgen en tot verantwoording uit te dagen. Dat leidt tot bestaande praktijken in een nieuw jasje (zoals de weblog van een ombudsman), maar ook tot nieuwe instrumenten, zoals mediawatchblogs.

Over de rol van internet in het proces van mediaverantwoording en mediakritiek is onlangs een internationaal vergelijkend onderzoek gepubliceerd met een inventarisatie van acht Europese (Bulgarije, Finland, Frankrijk, Duitsland, Polen, Servië, Engeland en Nederland) en vier Arabische landen (Jordanië, Libanon, Syrië en Tunesië) plus de Verenigde Staten.

Onderzoekers in deze landen bestudeerden het online medialandschap en interviewden journalisten, mediadeskundigen en mediacritici. Het onderzoek onderscheidt drie stadia in het proces van mediaverantwoording.

(1) Allereerst zender-transparantie: wie zitten er achter het nieuws? Welke informatie geven het mediabedrijf, de redactie en de individuele journalist over zichzelf aan het publiek?

(2) Dan proces-transparantie: tijdens het journalistieke proces geven journalisten op hun blog of door middel van tweets informatie over hun onderwerpen en de afwegingen die ze daarbij maken.

(3) Tenslotte de discussie achteraf: hoe reageert de journalistiek op vragen, opmerkingen en kritische kanttekeningen van het eigen publiek en hoe krijgt externe mediakritiek vorm?

1. Zender-transparantie

Specifieke informatie over eigendomsverhoudingen in de mediasector is in de meeste onderzochte landen niet of nauwelijks online te vinden. In sommige landen (Finland en Jordanië) bestaat een wettelijke verplichting om deze informatie te publiceren. In Groot-Brittannië is informatie over de grote media-eigenaars gemakkelijk te vinden (zie bijvoorbeeld de website van de Britse krantenuitgever Trinity Mirror plc).

Het ontbreken van deze informatie in andere landen wordt vaak gemotiveerd met de opmerking dat slechts een kleine groep professionele investeerders hierin geïnteresseerd zou zijn.

In een land als Bulgarije zijn de eigendomsverhoudingen zeer schimmig, omdat mediagiganten weinig behoefte hebben op dit punt klare wijn te schenken. In Libanon en Jordanië is deze informatie moeilijk verkrijgbaar, hoewel er een wettelijke verplichting bestaat voor kranten om op hun websites de namen van eigenaar, uitgever, hoofdredacteur en directeur te vermelden. Ook in Syrië is dat het geval, waar de mediamarkt volledig wordt gecontroleerd door politieke machthebbers.

Mission statements en beginselverklaringen (in ons land vaak onderdeel van redactiestatuten) worden in de meeste landen niet online gepubliceerd. Uitzondering is naast Nederland ook de VS, waar 80% van de media hun mission statement online heeft gezet. Hierbij moet worden aangetekend dat het dan meestal gaat om een tekst in zeer algemene bewoordingen.

In Engeland hebben enkele mediabedrijven hun mission statement gepubliceerd. Befaamd is dat van de BBC , waarin gesproken wordt over waarden als kwaliteit, diversiteit en betrouwbaarheid. In de onderzochte Arabische landen is het gebruikelijk beginselverklaringen te publiceren, hoewel daartoe geen wettelijke verplichting bestaat.

Ethische codes zijn er in alle soorten en maten. Globaal gaat het ofwel om codes van beroepsorganisaties (in ons land bijvoorbeeld de code van het Genootschap van Hoofdredacteuren), ofwel om de code van een bepaalde redactie. Een land waar de codes, zowel de externe als de interne, welig tieren, is Groot-Brittannië. Voorbeelden zijn de BBC Editorial Guidelines, de National Union of Journalists’ Code of Conduct en de Editors’ Code of Practice van de PCC [pdf!].

In landen waar de journalistieke zelfregulering nog in ontwikkeling is, bijvoorbeeld in Centraal- en Oost-Europa en in Arabische landen, bestaan wel ethische codes, maar worden ze door de beroepsgroep toch vooral als papieren realiteiten gezien.

Profielen van journalisten komen lang niet overal voor. In de VS is er een minderheid van de redacties die profielen publiceert. In Groot-Brittannië zijn het vooral de online versies van de kwaliteitskranten die profielen hebben.

Dat brengt critici tot de opmerking dat ze vaak meer weten van bloggers dan van journalisten die voor de traditionele media werken. Bovendien is er de vraag (ook in ons land) wat in zo’n profiel zou moeten staan: naam, foto, kort cv’tje en mailadres? Of ook het directe telefoonnummer? Informatie over opleiding en ervaring? Ook over politieke en levensbeschouwelijke opvattingen?

Het Duitse magazine Spiegel Online heeft in het colofon van vrijwel elke redacteur een kort cv’tje. Vooral in de Arabische landen is dit een gevoelig thema vanwege de invloeden van de politiek op de media. In Syrië bijvoorbeeld staan profielen alleen in staatskranten. In andere kranten blijven journalisten bij voorkeur in de anonimiteit hun werk doen.

Het belangrijkste motief om profielen te publiceren is ‘om het nieuws een gezicht te geven’, mede in de hoop dat daardoor het vertrouwen in de journalistiek weer zal toenemen. Een kritische lezer wil weten of een journalist die bijvoorbeeld een achtergrondverhaal schrijft, verstand van de materie heeft vanuit opleiding en/of ervaring.

Er zit natuurlijk ook een pr-aspect aan: individuele journalisten of redacties zetten zichzelf hiermee in de schijnwerpers. In Finland leidt dat tot discussies in journalistenland. Waarom op individuele journalisten focussen terwijl journalistiek toch steeds meer een kwestie is van teamwork? Anderzijds kan het ook een kwestie van branding zijn om dat juist wél te doen, benadrukt een Duitse media-expert.

Maar wat doet de publieke opinie met het (hypothetische) gegeven dat een zeer ruime meerderheid van een krantenredactie in de VS op de Democraten stemt? De Republikeinen zullen in zo’n geval niet nalaten te benadrukken dat het dalend vertrouwen in de media volkomen terecht is.

2. Proces-transparantie

Een heel basale vorm van informatie over het journalistieke proces en product is het vermelden van de naam van de maker in de byline. Dat gebeurt vooral bij langere stukken. Omdat online teksten meestal vrij kort zijn, is vermelding van de naam meer in de traditionele dan in de online media te zien. Meestal staat er dan een mailadres bij, zodat de lezer kan reageren. In landen in Centraal en Oost-Europa kent men deze praktijk vrijwel niet, terwijl journalisten in landen als Syrië en Libanon het als hun plicht zien om hun naam bij een artikel te vermelden.

Door links op te nemen in een tekst wordt de bezoeker in staat gesteld kennis te nemen van schriftelijke bronnen en van achtergrondmateriaal. Sommige media, BBC en the Guardian bijvoorbeeld, doen dat rijkelijk, maar dat is eerder uitzondering dan regel, ook in Groot-Brittannië. Sommige nieuwssites linken niet of nauwelijks vanwege commerciële motieven. Vooral de commerciële nieuwsorganisaties zijn bang dat links ervoor zorgen dat de bezoeker te snel weer vertrokken is. Daarom nemen ze alleen links op naar eigen en eerder gepubliceerd materiaal, niet naar elders.

Redactieblogs kunnen worden gebruikt om het publiek te informeren over de voortgang van journalistieke producties en over knopen die doorgehakt moesten worden. Hoewel het een makkelijk instrument is, is het aantal blogs van dit type toch tamelijk klein. In landen met een rijke blogosfeer (Groot-Brittannië en VS) komen ze nog het meeste voor. Voorbeelden zijn de Editors’ Blog en de Sport Editors’ Blog van de BBC.

In ons land is de redactie van NOS Nieuws zeer actief op dit gebied. Ook zijn er ombudslieden (bijvoorbeeld van NRC Handelsblad) die een blog bijhouden. Het aantal is gering, zowel van de ombudslieden als van de blogs. Blogs van individuele journalisten gaan meestal toch meer over hun interessegebieden dan dat ze een bijdrage leveren aan proces-transparantie. Vaak wordt het bijhouden van een blog door collega’s gezien als hobby. Een echt instrument voor mediaverantwoording is het zelden. Veel journalisten benutten daarvoor liever Facebook of Twitter.

De Franse nieuwssite Mediapart biedt abonnees de mogelijkheid om hun eigen nieuwsverhalen te maken, terwijl in Finland de online versie van Aamulehti een groep online correspondenten heeft aangesteld om dagelijks een selectie te maken uit de informatiestroom op het internet. De impact hiervan op de redactionele proces-transparantie lijkt vooralsnog betrekkelijk gering en vooral indirect.

Soms ontstijgt crowdsourcing het niveau van door het publiek toegestuurd bronmateriaal of nieuwsverhalen.  The Guardian deed samen met het publiek onder meer onderzoek naar de uitgaven van Britse parlementsleden.

3. Responsiviteit

Het derde stadium is responsiviteit: vragen, opmerkingen en kritiek van het publiek opvangen en daarop reageren en zo de dialoog aangaan met gebruikers. Hier nemen Facebook en Twitter een steeds prominentere plek in.

Opvallend is de correctie-button: in de online omgeving worden fouten meestal onmiddellijk gecorrigeerd, vaak zonder vermelding dat er van een fout sprake was. Gewoonlijk kunnen bezoekers van nieuwssites fouten en andere opmerkingen naar de redactie sturen door een feedbackformulier in te vullen dat zich op de meeste sites bevindt. Buttons komen lang niet in alle onderzochte landen voor.

Ze worden niet overal van harte toegejuicht. De buttons zijn overigens ook niet in alle landen bekend; toen men in Finland en Polen van de MediaAcT-onderzoekers over deze mogelijkheid hoorde, gingen sommige media onmiddellijk hiermee experimenteren!

Ombudslieden van kranten en omroepen zijn meestal ook online aanwezig. Hun wekelijkse column staat ook op de site, met of zonder mogelijkheid voor het publiek om te reageren. Nieuwssites hebben voor zo ver bekend in de onderzochte landen geen eigen ombudsman.

De mogelijkheid om een comment te schrijven onder een artikel bestaat in alle onderzochte landen. In de Arabische wereld is het nog niet overal standaard, maar daarbuiten wel. Zeker in landen waar het vrijelijk uiten van meningen nog niet overal aanvaard wordt, is het reageren op nieuwssites een belangrijk sociaal en politiek verschijnsel. In Tunesië bijvoorbeeld bestaat de mogelijkheid om comments te schrijven niet bij die online media die dicht bij de overheid staan. Soms bestaat de mogelijkheid wel, maar worden die comments wel door de redactie gelezen, maar niet op de site gezet.

In veel landen weten redacties niet goed wat ze aan moeten met onbeschofte reacties. Modereren kost tijd en die is er vaak niet. Overigens wordt dit eerder beschouwd als uitlaatklep van bezoekers, dan als een vorm van ‘responsiveness’.

Externe mediakritiek

Buiten de media vinden we nog enkele andere online instrumenten voor verantwoording: media-activisme, mediablogs en de social media. Het zijn instrumenten in die zin dat burgers door middel hiervan redacties en individuele journalisten uitdagen tot het afleggen van verantwoording en het zich transparant betonen.

De meeste geïnstitutionaliseerde vormen van mediakritiek zijn de academische instituten die de kwaliteit van de nieuwsberichtgeving monitoren, in ons land doet de Nieuwsmonitor dat. Dergelijke instituten zijn er in de meeste westerse landen en in de VS. In de VS zijn ze vaak sterk gepolitiseerd. In Jordanië bestaat Sahafi, een onderzoekscentrum waar data over het zich ontwikkelende medialandschap worden verzameld en bestudeerd. Het Syrian Center for Media and Freedom of Expression publiceert een lijst van geblokkeerde websites.

In Duitsland bestaat al sinds 2003 de Ethikrat. Vier mediadeskundigen geven online antwoord op vragen van het publiek over journalistieke ethiek.

Bloggers spelen een belangrijke rol bij het realiseren van mediakritiek. Social networks zijn sterker in het mobiliseren van de publieke opinie bij bepaalde cases, terwijl mediabloggers een meer systematisch overzicht bieden.

In de VS, UK en Duitsland bestaat een levendige blogosfeer op het terrein van de mediakritiek. In Duitsland is mediakritiek een belangrijk thema in de blogosfeer, terwijl in de VS de discussies over mediakwaliteit meestal zijn verbonden met politieke kwesties. In GB volgen de mediawatchblogs vooral de tabloids.

In andere landen zijn er wel bloggers, vooral journalisten, die aandacht besteden aan de media, maar niet zo systematisch als de mediawatchblogs dat in de genoemde drie landen doen. In een land als Jordanië wijzen bloggers op thema’s waarover de media niet berichten. Zo bestaat daar 7iber.com, een initiatief op het terrein van de burgerjournalistiek: burgers wijzen elkaar op nieuws dat niet in de mainstream media staat, discussiëren over journalistieke standaarden en pikken actuele thema’s op waar bloggers het over hebben.

In landen waar het internet gecensureerd wordt, waren toch enkele blogs die zich bezig hielden met mediakritiek. In algemene zin was het publiekelijk uiten van kritiek op de media in landen als Syrië of Tunesië vóór de revolutie nauwelijks mogelijk.

Mediabloggers in alle landen zien het als een van hun hoofdtaken om journalisten bij de les te houden en te wijzen op hun professionele standaarden. Verder bevorderen ze het kritisch volgen van de media door het publiek. Probleem is vaak hun subjectiviteit en hun gebrek aan consistentie. Ze focussen te vaak op fouten zonder opbouwende kritiek te leveren.

Hoewel er succesverhalen bestaan over bloggers die de media ertoe aanzetten om fouten en slechte journalistiek toe te geven en thema’s op te pakken die ze hadden laten liggen, tonen redacties zich meestal immuun voor kritiek van mediabloggers. Die kritiek wordt in de VS door journalisten snel als partijdig en politiek gemotiveerd terzijde geschoven.

Hoe Twitter een instrument van mediaverantwoording kan zijn, bleek in Duitsland toen een presentatrice van de tv-zender ZDF de woorden “innerer Reichsparteitag” gebruikte toen Miroslav Klose scoorde voor de Mannschaft tegen Australië tijdens het WK in Zuid-Afrika in 2010. Die term was in Nazi-Duitsland heel gebruikelijk om een staat van opperste vervoering aan te geven. Op Twitter ontstond vrijwel onmiddellijk een aanzwellend protest dat later door bloggers en mediajournalisten werd overgenomen. Uiteindelijk leidde dat tot publiekelijke excuses door de baas van deze zender.

Vaste groepen op Facebook die zich met mediakritiek bezig houden zijn er vrijwel niet, wel groepen die bij incidenten ad hoc protesteren tegen mediabedrijven of individuele journalisten. Die groepen leiden vaak een kortstondig bestaan en monden uit in het tekenen van petities of (zoals diverse malen in Finland gebeurde) het indienen van een klacht bij de raad voor de journalistiek.

De Press Complaints Commission in Engeland ontving door het samenspel van blogs, Facebook en Twitter het record aantal van 25.000 klachten over één artikel. Het ging om een column van Jan Moir in de Daily Mail in november 2009 waarin, daags vóór de begrafenis, de dood van de zanger Stephen Gately ‘onnatuurlijk’ werd genoemd. De tabloid deed de protesten aanvankelijk af als een kwalijke campagne, maar veranderde schielijk de kop en verwijderde de advertenties van de website toen bleek dat mensen tweets aan de adverteerders gingen sturen met het verzoek hun advertenties terug te trekken.

In algemene zin kan gesteld worden dat acties door burgers op het gebied van mediakritiek nogal chaotisch en ad hoc opgezet zijn. Wel kunnen ze in korte tijd zeer veel mensen mobiliseren, hetgeen overigens geen garantie is voor effectiviteit.

Nog geen reactie — begin de discussie!