De NOS lag afgelopen week onder vuur na de uitzending van een item over sociale mediastress onder jongeren. Oorzaak van de commotie was het onderzoek dat de aanleiding was voor het NOS-item. In een blogpost van Maarten Keulemans en eentje van Linda Duits werd beargumenteerd dat er van alles zou zijn aan te merken op dat onderzoek van de Nationale Academie voor Media en Maatschappij. Ook zou het commentaar van een door de NOS geraadpleegde hoogleraar niet correct zijn verwerkt, schreven zowel Keulemans als Duits in vervolgartikelen. Op DNR reageert hoofdredacteur NOS Nieuws Marcel Gelauff op de kritiek.

Gelukkig zijn er bloggers. En gelukkig zijn die begaan met de NOS en de betrouwbaarheid van het NOS Journaal. Waarvoor veel dank.

In reactie op alle kritiek over een NOS-onderwerp over het gebruik van sociale media door jongeren wil ik graag eerst even terug naar de basis. De NOS doet verslag van alles wat maatschappelijke belang heeft en relevant voor ons publiek is. Dat kunnen grote nieuwsontwikkelingen zijn, wetenschappelijke ontdekkingen, maar daar hoort ook het signaleren van trends bij.

Een trend

De enorme toename van het gebruik van sociale media onder jongeren is onmiskenbaar een trend. Ook zonder onderzoek kan ik me voorstellen dat we daar aandacht aan zouden besteden. Op basis van gesprekken met leraren, jongerenwerkers, ouders en uiteraard de jongeren zelf, zouden we daar een prima reportage over kunnen maken. Die waarschijnlijk dezelfde strekking zou hebben als onze uitzending van vorige week maandag.

In dit geval hebben we gekozen om het onderwerp ‘op te hangen’ aan een onderzoek van de Nationale Academie voor Media en Maatschappij. Onze redacteur die als specialisme ‘onderwijs en jongerencultuur’ heeft, ontving het onderzoek op 1 mei. Vorig jaar hebben we ook een onderwerp (over mobiele telefoons in de klas) gemaakt met als aanleiding een onderzoek van de Nationale Academie voor Media en Maatschappij [pdf!]. Het feit dat we al eerder een onderwerp hebben gemaakt over een onderzoek van de Nationale Academie voor Media en Maatschappij geeft aan dat er al eerder kritisch door onze redactie is gekeken hun publicaties.

Wat hebben we in dit geval gedaan?

Op 2 mei hebben we de Nationale Academie voor Media en Maatschappij gevraagd naar de kwalitatieve resultaten (red. gesprekken met 85 jongeren). Daarop kregen we het volgende antwoord:

Wij hebben slechts opnamen en ruwe uitwerkingen van de groepsgesprekken. Wij niet van plan geweest deze apart te rapporteren. Het kwalitatieve onderzoek is deze keer echt uitgezet als voorbereiding voor de inhoudelijk opzet van het kwantitatieve onderzoek. Op deze wijze zijn wij in staat geweest de stellingen te definiëren geheel gebaseerd op de belevingswereld van jongeren. Dat levert de beste en meest betrouwbare gegevens op.

Zoekend naar een deskundige op het gebied van sociale media kwam onze redacteur uit bij Jan van Dijk, hoogleraar communicatiewetenschap aan de Universiteit Twente. Expert en adviseur op het gebied van sociale gevolgen van ICT. Auteur van ‘De netwerkmaatschappij: Sociale aspecten van nieuwe media‘.

We hebben rechtstreeks contact met hem opgenomen. Het onderzoek dat we van de Nationale Academie voor Media en Maatschappij hadden ontvangen, is aan hem doorgestuurd. Onder een embargo-afspraak. Daarna kreeg onze redacteur de volgende e-mail van Van Dijk.

Interessant onderzoek. Resultaten, hoewel niet representatief te noemen zijn geloofwaardig. Komen ook overeen met mijn eigen kennis. Waar ik in dit rapport bezwaar tegen heb, is de koppeling aan de Skinner Box en de suggestie van manipulatie van jongeren door een extern medium van buiten. Het zijn de jongeren zelf die dit doen! Met behulp van een tool die op een gegeven moment dwangmatig gedrag kan veroorzaken. Er is geen sprake van manipulatie.

De Box van Skinner hebben we in de berichten derhalve niet genoemd.

Van Dijk schreef verder:

Geen van de begrippen is wetenschappelijk onderbouwd, ook niet als dit gesuggereerd wordt (FOMO is geen erkende disorder of zo). Verder moeten begrippen als stress, gewenning en verslaving goed onderscheiden worden en deze drie van bekende algemene behoeften van jongeren aan de vorming  identiteit en de voor hen zeer relevante peergroup omgeving. Ik zou in het verslag vooral aandacht besteden aan de antwoorden van de jongeren op de vragen, niet aan de vermeende context (Skinner , behaviorisme-straffen en belonen e.d.) Een beschrijving van de antwoorden van de jongeren kan een heel mooi artikel/item opleveren.

Ook was een door hem geschreven hoofdstuk [pdf!] van een boek door hem bijgevoegd:

Ik hecht mijn inleidend hoofdstuk van het Basisboek Social Media (D. van Osch en R. van Zijl Red.), Boom Lemma 2011 aan. Je hoeft alleen de korte paragrafen 1.4.5 (over stress) p. 24 [25 en 1.4.7 (over verslaving) p. 26/27 te lezen.

Op pagina 28 schrijft van Dijk :

Het verschijnsel social media­verslaving zal de komende jaren ongetwijfeld toenemen. Het gebruik van social media appelleert aan zon geweldige sociale behoefte, en er is zon grote sociale dwang van buiten dat sommigen hierbij geen maat weten te houden.

Van Dijk stelde verder dat het onderzoek, in tegenspraak tot de Nationale Academie voor Media en Maatschappij, volgens hem niet representatief te noemen was voor 984.000 Nederlandse jongeren in de leeftijdscategorie 13 tot en met 17 jaar, maar zeker wel geloofwaardig. Naar aanleiding van die opmerking hebben we in onze berichtgeving de resultaten omschreven als: “het blijkt uit onderzoek onder 500 jongeren”.

Jongerenwerkers

Behalve de contacten met Jan van Dijk heeft onze redacteur ook gesproken met diverse jongerenwerkers. Zij heeft de uitkomst van het onderzoek ‘Jongeren lijden aan Sociale Media Stress’ aan hen voorgehouden en hen gevraagd of zij dit herkennen. Die antwoorden waren allen bevestigend.

Na uitzending ontving onze redacteur op 9 mei 2012 de volgende mail van Jan van Dijk:

Geachte, ik ben vandaag gearriveerd op Sicilië (vakantie). Jullie hebben er een prachtig item van gemaakt maandag. Prachtig gecomponeerd. En verantwoord. Complimenten. Jullie Vlaamse collega`shebben het ook opgepikt, want zij gaven niet toevallig op dinsdag aandacht aan hetzelfde onderwerp. Groet Jan van Dijk

De NOS brengt duizenden onderwerpen per jaar. Wij doen onze uiterste best om die alle te checken en er een gezonde dosis journalistieke achterdocht op los te laten. Dat is ook in dit geval gebeurd. Wat we intern hebben geleerd van dit geval is dat we nog zorgvuldiger moeten afwegen welke formuleringen we uiteindelijk kiezen. In dit geval zit het vooral in het blijkt uit onderzoek onder 500 jongeren”. Als we daar bijvoorbeeld hadden geschreven: “dat komt naar voren uit gesprekken met etc”, dan was al deze verwarring niet ontstaan.

Al 22 reacties — discussieer mee!