‘Is het schandaal rond Armstrong niet dé ultieme kaakslag voor de sportjournalistiek? Zien, horen, zwijgen?’ Met die tweet stelde Peter Vandermeersch, hoofdredacteur van NRC Handelsblad, vorige week een kwestie aan de orde die telkens naar boven komt als er weer een schandaal losbarst in het wielrennen.

Ook in mijn eigen krant zwaaiden hoeders van de journalistieke mores met hun vingertje: de wielerverslaggevers hadden weer eens gefaald en bewezen volkomen ongeschikt te zijn, zo niet door en door corrupt. Nu die sport, als we alle ophef mogen geloven, met de affaire- Armstrong op een dieptepunt is beland, staan uiteraard ook de wielerverslaggevers weer in het beklaagdenbankje. Waarom deden Amerikaanse dopingjagers wat zij nalieten: de waarheid – een waarheid – rond dope boven water halen?

Wielerjournalisten bedekken de duistere kanten van de sport

Het verwijt luidt in essentie als volgt: wielerverslaggevers weten precies wat er speelt in het wielrennen, maar bedekken de duistere kanten met de mantel der liefde. En als ze dat níet doen, stellen ze in elk geval maar weinig pogingen in het werk om de beerput open te wrikken en de troep op straat te gooien.

Het zijn verwijten die je zelden of nooit hoort ten aanzien van atletiekverslaggevers, hoewel ook in de atletiek het dopingmonster prominent rondwaart. Ook de voetbalverslaggever wordt zelden verweten dat hij de rotzooi in zijn sport ontkent en zich veel liever zet aan het schrijven van een fijn wedstrijdverslag. Schaatsverslaggevers
noteren eveneens braaf de rondetijden, in plaats van vraagtekens te zetten bij plotselinge progressie en onvoorstelbare records.

Hoe kan dat?

Daarvoor moeten we terug naar de oorsprong van het wielrennen.

Veel meer dan in welke andere sport ook was daarin van meet af aan sprake van een nauwe verwevenheid tussen wedstrijdorganisatoren en kranten. In veel gevallen (Tour de France, Giro d’Italia, verschillende klassiekers) ging het om dezelfde mensen. Koersen werden opgezet om kranten van spannende verhalen te voorzien – geen van de betrokkenen had belang bij een kritische benadering van de sport.

Het ging om de heroïsche verhalen, en als de heroïek uit een potje pillen kwam, dan was dat maar zo. Sloten renners dealtjes, werden uitslagen bekokstoofd: het bleef onder de pet, ook als de verslaggever toevalligerwijs te horen kregen hoe het werkelijk zat.

Deel van de wielerfamilie

De verwevenheid is lang blijven bestaan. Ik was wielerverslaggever tussen 1986 en 1994. Het is mij in die tijd regelmatig voorgehouden dat ik deel uitmaakte van de grote wielerfamilie, dat ik ‘niet moest spugen in de trog waaruit ik at’ en dat op al te grote vrijpostigheid uitsluiting stond.

Dat wilde niet zeggen dat ik, of mijn collega’s in die tijd, niet over doping of de andere schimmige praktijken in de wielersport schreven en pogingen ondernamen achter verhulde werkelijkheden te komen. Dat gebeurde zeer frequent, onder meer rond de affaire-Theunisse (1988-1990) en de intralipid-zaak bij de ploeg PDM (1991). De wielerdoden die er in de eerste ‘epo-jaren’ vielen, kregen veel aandacht, ook van de wielerjournalistiek.

Epo op de voorpagina

Toen de geruchten over toenemend epo-gebruik in frequentie toenamen, verscheen epo gewoon in de kolommen. Ik heb het even nagezocht: op 2 april 1994 schreef ik op de voorpagina van de Volkskrant voor het eerst over het nieuwe wondermiddel. Dat kwam mij op een felle aanval van toenmalig UCI-voorzitter Verbruggen te staan: ik schreef over dingen die ik niet kon bewijzen. Naar de letter had hij gelijk: ik begaf me op glad ijs, door op basis van gesprekken met anonieme bronnen in het peloton te concluderen dat epo sterk in opmars was.

Daar kom ik bij het cruciale punt. Zoals elke journalist, is ook de wielerverslaggever afhankelijk van bronnen en klokkeluiders. Iemand moet hem de waarheid achter de schermen tonen. Zo iemand vinden valt niet mee. Het wielrennen mag van de buitenkant dan op een matig georganiseerde chaos lijken, intern gelden strenge regels. De belangrijkste daarvan is de omertá: er wordt niet uit de school geklapt.

Niet tijdens, en ook niet na de carrière. Het is verbazingwekkend hoe strikt bijna alle betrokkenen zich aan die afspraak houden. Loyaliteit kun je de wielrennen niet ontzeggen.

Niet-wielerverslaggevers gaan op onderzoek

Ooit, ergens in de tweede helft van de jaren negentig, hadden twee niet-wielerverslaggevers bij de Volkskrant zich voorgenomen hun over wielrennen schrijvende collega’s een lesje te leren. Zij zouden via gedegen spitwerk de onderste steen boven halen, de verrotte netwerken blootleggen en zodoende de NDP Prijs winnen. Na enkele weken en nul onthullingen staakten zij hun moedige pogingen: de oester was ook door hen met geen mes open te breken.

Het komt voor dat ex-wielrenners wel een boekje opendoen: hun verhalen komen keurig in de krant of op de buis. Hun oude sport reageert steevast op dezelfde wijze: met vurige ontkenningen en een banvloek over de betrokkene.

Dit voorjaar maakte mijn Volkskrant-collega Mark Misérus na langdurig onderzoek duidelijk dat bij de Nederlandse Rabobankploeg doping door de ploegleiding jarenlang oogluikend werd toegestaan – daarmee en passant nog eens het verwijt over de wegkijkende wielerjournalistiek ontkrachtend. Het effect was gering: alle betrokkenen, Misérus’ bronnen incluis, bliezen voortvarend de aftocht. Het was niet waar, het waren oude koeien en alles was nu anders.

Journalisten hebben beperkte middelen

‘Kaakslag voor de sportjournalistiek?’ Ik denk het niet. Of je moet een zaak als de bouwfraude, die ook jarenlang onopgemerkt voortwoekerde, zien als een kaakslag voor de bouwjournalistiek en de zaak Hooijmaijers als de kaakslag voor de politieke journalistiek. De journalist beschikt over beperkte middelen om een strikt gesloten systemen open te wrikken, hoe vasthoudend hij ook is.

Het lukte journalisten als Pierre Ballester, Paul Kimmage en David Walsh in het verleden om bressen te schieten in de geloofwaardigheid van Armstrong. Maar altijd bleef de twijfel of de bronnen wel betrouwbaar waren en nooit waren de beschuldigingen zo hard dat Armstrongs schuld onomstotelijk kwam vast te staan. Fort cyclisme laat zich belegeren, maar je komt maar bijzonder moeilijk over de muren. Wielerjournalisten vermoeden veel, maar ze weten weinig zeker genoeg om erover te kunnen publiceren. Dat brengt ze soms in een moeilijke positie, maar het maakt ze niet corrupt.

Onterechte verdachtmakingen

De verdachtmakingen aan het adres van de wielerjournalistiek zijn onterecht. In geen andere tak van sportjournalistiek wordt zoveel aandacht besteed aan de duistere kanten van de sport en worden zoveel pogingen ondernomen achter de waarheid te komen. Er is heroïek en bewondering, natuurlijk. Dat mag ook: sport is entertainment en daar horen mooie heldenverhalen bij.

De Amerikaanse journalist Daniel Coyle – recentelijk co-auteur van het onthullende boek van Tyler Hamilton – verhuisde in 2004 naar Girona, in een poging daar het geheim van stadgenoot Lance Armstrong te vinden. Coyle zat Armstrong een jaar lang op zijn nek, sprak talloze mensen in diens omgeving en stelde alles in het werk om de waarheid die hij vermoedde – in zijn pogingen om álles te perfectioneren deed Armstrong ook aan perfecte medische hulpmiddelen – bevestigd te krijgen.

Coyle schreef een fantastisch boek over Armstrong, ‘Lance Armstrongs oorlog’. Maar over alles wat we nu weten over Armstrong en diens ploeg betreffende het gebruikte dopingsysteem, staat er geen letter in. Dat was pas gelukt als Coyle ook mensen onder ede had mogen uithoren, zoals zijn landgenoten acht jaar later.

Lees ook
De andere afleveringen in deze serie ‘De kaakslag voor de sportjournalistiek?’

Al 10 reacties — discussieer mee!