Nieuw kabinet, nieuwe Kamer, nieuwe kansen. Terwijl de PvdA en VVD bezig waren met onderhandelen, maakte Michiel de Hoog een rondje langs de nieuwe mediawoordvoerders van de fracties in de Tweede Kamer. Wat zouden volgens hen de contouren van een nieuw mediabeleid moeten zijn? Naar alle waarschijnlijkheid zal een fundamenteel debat over wat mediabeleid zou moeten zijn, nog even op zich laten wachten.

Voor dit artikel konden PVV, GroenLinks, en de Partij voor de Dieren niet reageren; de PvdA en de VVD waren tijdens het maken van dit artikel aan het formeren, en wilden zich daarom aan de radiostilte houden.

“Zo gaat dat in de Kamer”, zegt Jasper van Dijk van de SP, schuldbewust. “Als we in de Kamer praten over mediabeleid, dan praten we éérst over de Publieke Omroep, dán over de Publieke Omroep, en daarna nog wat meer over de Publieke Omroep. Dan nog over de radio of de Wereldomroep en, als er tijd over is, over internet.”

De kritiek dat mediabeleid in politiek Den Haag vooral Publieke Omroep-beleid is, kennen de mediawoordvoerders van de partijen in de Tweede Kamer. En nee, in 2012 is dat inderdaad niet meer de bedoeling. Maar vraag je de mediawoordvoerders naar hun voornemens en verwachtingen op mediagebied voor de komende tijd, dan volgt een uitgebreid verhaal over – jawel – de Publieke Omroep.

Geen focus op functies

Praktisch gezien is dat ook weer niet zo vreemd, gezien de grote hap die de Publieke Omroep krijgt uit het mediabudget van het ministerie, en gezien de grote zichtbaarheid ervan. De dood van televisie is al meermaals aangekondigd, maar dat bleek schromelijk overdreven: er kijken onverminderd duizelingwekkend veel mensen naar wat Hilversum te bieden heeft. Het loont dus electoraal: als je als politicus over Hilversum praat, begrijpt iedereen meteen waar het over gaat.

Toch bevreemdt het velen dat zeven jaar na het rapport Focus op functies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, het debat in Den Haag niet fundamenteel is veranderd. Het rapport stelde, kort gezegd, dat snelle technologische veranderingen het logisch maakten dat mediabeleid zich niet meer uitsluitend op radio en tv richt – op de omroepen dus. Inmiddels gaan de ontwikkelingen nog sneller dan gedacht, is de derde generatie iPad op de markt, en bieden gedrukte media hun waar aan via apps voor de smartphone.

Hoe bedoel je?

Maar op de vraag of dat een thema kan worden – dat de publieke omroepen niet meer de enige mediaproducenten zijn die belastinggeld ontvangen, dat het mediabeleid zich niet alleen op Hilversum richt – daarop volgt vaak een tegenvraag: ‘Hoe bedoel je, precies?’ En als de vraag dan wel duidelijk is, zijn dit de antwoorden van de woordvoerders die bereikbaar waren over de zaak:

“Een discussie waard”, zegt Kees Verhoeven van D66.

“De overheid subsidieert audiovisuele media via het omroepbestel”, zegt Martijn van Dam van de PvdA – die verder, gezien de formatieonderhandelingen, niet kan ingaan op de materie.

“Wij houden het op de publieke omroep”, zegt Pieter Heerma van het CDA.

“Daar zouden we over kunnen nadenken”, zegt Gert-Jan Segers van de ChristenUnie. “Als je pluriformiteit belangrijk genoeg vindt, dan is er geen principieel bezwaar voor steun aan andere media dan radio en tv.”

“Wat is principieel het verschil tussen dagbladen en de Publieke Omroep, of welk platform dan ook?”, zegt Jasper van Dijk.

Pluriforme media

Voor Jasper van Dijk is het Haagse ideaal van pluriforme media ook van toepassing op andere media dan de publieke omroep. Hij heeft vorig jaar een voorstel gedaan voor een systeem waarbij de overheid nieuwsmedia ondersteunt. Dat voorstel werd, zoals hij zelf zegt, “van tafel geveegd”. Subsidie voor journalisten ligt gevoelig, de onafhankelijkheid komt dan in het geding. Maar, zegt hij in verweer: “De publieke omroep wordt ook gesubsidieerd, en wordt algemeen gezien als onafhankelijk.” Het komende jaar zal hij dus het plan nogmaals indienen, “want een nieuw kabinet betekent nieuwe kansen”.

Niet dat collega-Kamerleden de problematiek niet zien. Allen schetsen een vergelijkbaar verhaal over de afwezigheid van verslaggevers op de perstribune van de raadszalen van zelfs grote gemeenten. Kwalijk voor de lokale democratie, zo luidt het unanieme oordeel. Maar wat kan de overheid daaraan doen?

Het nieuwbakken CDA-Kamerlid Pieter Heerma vindt het lastig om zijn positie te bepalen. “In algemene zin vind ik dat democratie en onafhankelijke pers onlosmakelijk zijn verbonden. Wij zijn er vóór om de mogelijkheden te vergroten om regionale kranten en omroepen samen te laten werken. Daarvoor moeten we de Mediawet indien nodig aanpassen.”

Kees Verhoeven (D66) verwijst naar de initiatiefwet van zijn voorganger Boris van der Ham, die moest regelen dat de lokale omroepen voortaan direct vanuit het Rijk zouden worden betaald. Het probleem was dat gemeenten niet al het geoormerkte geld doorsluisden naar de omroepen. “Dat zou een aanzet zijn”, zegt Verhoeven. Of dat wat oplost, of dat de markt het zelf oplost, weet hij niet. Op dit moment zijn de concurrenten voor de regionale kranten in elk geval inhoudelijk mager, stelt hij: “Er zijn wel veel lokale sites, maar dat is vooral hap-snap-niveau.”

Publiek belang

Maar wat te doen? Een ingewikkelde vraag is het, voor een liberaal. “Wij zijn in principe niet geneigd om niet-rendabele bedrijven in stand te houden. Wel moet je kijken: is dit een private taak, en moet je hem laten wegkwijnen als er geen vraag is? Of is dit een publiek belang dat je als overheid moet borgen? Ik vind dat nu nog lastig om scherp te beantwoorden. Binnen een half jaar heb ik daar een antwoord op.”

Ook Gert-Jan Segers van de ChristenUnie ziet het probleem, zonder precies te weten wat eraan te doen. “Een gebrek aan kritische media zou voor de lokale democratie funest zijn, pluriformiteit geldt ook voor krantenwereld. Dus ja, ik zou wel willen nadenken over welke manier we kranten kunnen helpen zonder de marktwerking te verstoren.”

Die hulp kan trouwens, zoals hij toevoegt, ook ‘andere media’ gelden: “Als je pluriformiteit belangrijk genoeg vindt om er belastinggeld aan te besteden, dan is er geen principieel bezwaar voor steun aan andere media dan radio en tv. Maar je moet natuurlijk oppassen voor overheidsinmenging. Want wie betaalt bepaalt.”

Van Dijk is daar niet bang voor: “Wel moet je opletten dat het geen bezuiniging is. Als je bijvoorbeeld zegt dat budget voor de regionale omroepen ook voor geschreven pers zal gelden, dan begint regionale tv te steigeren. Er moet dus geld bij. Maar de essentie is: ja, het gaat steeds minder om platforms, en steeds meer om inhoud. Daar zal de komende jaren de discussie steeds meer over moeten gaan.”

Websites van de Publieke Omroep

Een gerelateerde kwestie is de concurrentie van de websites van de Publieke Omroep met andere media, zoals kranten. “Dat blijft een lastige discussie”, zegt Verhoeven (D66). “Zelf denk ik dat de kranten meer concurrentie hebben van Google. Maar ik snap wel dat je als schrijvende pers zonder subsidie baalt van zulke sterke alternatieve sites. Dan kan ik me voorstellen dat je zegt: beperk die activiteiten, of geef ze er minder geld voor. Maar je moet ook beseffen dat er al veel bezuinigd is op de omroepen. De ruime jaren zijn echt voorbij.”

Van Dijk van de SP snapt dat – “maar we willen toch ook niet dat bijvoorbeeld de omroep online teruggaat naar de tijd van de Flintstones?”

De macht van de netmanagers

Een andere discussiepunt: de macht van de netmanagers, die de identiteit van de drie zenders vormgeven. De discussie over de eventuele verplaatsing van het programma Tegenlicht naar een later tijdstip, omdat het te weinig kijkers trok, heeft geen Kamerlid gemist. Van Dijk stelde Kamervragen: “De macht van de netmanager slaat door. Tegenlicht trekt 250.000 kijkers, dat zijn behoorlijk wat mensen. De Publieke Omroep moet breed zijn, maar richt zich nu wel erg veel op kijkcijferkanonnen als Strictly Come Dancing. Dat valt moeilijk uit te leggen.”

Ook Segers is op zijn hoede voor de netmanager, in wie hij een bedreiging voor de pluriformiteit van de Publieke Omroep ziet. “Een centraal aangestelde netmanager die geen verantwoording aflegt aan de politiek, geen rekenschap aan kijker hoeft af te leggen, mag bepalen wat wanneer te zien is. Dan gebeurt er dus wat er met Tegenlicht gebeurt. Dan zullen kijkcijfers te bepalend worden.” Vandaar dat hij vreest voor wat hij noemt de ‘BBC-discussie’: “Dan moet je hopen dat er een netmanager is die gevarieerd denkt, die bijvoorbeeld Songs of Praise behoudt. Maar krijgt dat genoeg kijkcijfers voor de netmanager? Dat is maar de vraag.”

Deze deels bekende discussies zullen de komende regeringsperiode worden gevoerd, net zoals er ook zo nu en dan een debat zal komen over de vraag of de Publieke Omroep zo veel moet betalen voor de voetbaluitzendrechten, terwijl er commerciële partijen zijn die dit ook willen doen. Maar een fundamenteel debat over een volledig ander mediabeleid, lijkt voorlopig nog ver weg.

Dit artikel is een ingekorte en bewerkte versie van een uitgebreider artikel dat is verschenen in 609, het blad van het Mediafonds. In het volledige artikel komen ook het auteursrecht, bezuinigingen op de Publieke Omroep en topsalarissen bij de omroepen aan de orde. Tijdens het schrijven van het artikel waren de mediaplannen van het kabinet nog niet bekend. Een pdf van 609 is te vinden op Mediafonds.nl.

Nog geen reactie — begin de discussie!