Het internationale documentairefestival IDFA (14-25 november) bestaat 25 jaar. Tijd dus voor een terugblik en een vooruitblik. De Nieuwe Reporter publiceert  daartoe een serie. In de eerste aflevering spreekt Dana Linssen haar teleurstelling uit over de huidige staat van de Nederlandse documentaire: te weinig vernieuwend en te weinig experimenteel. 

Het begon allemaal met een tweet. ‘Harvard heeft Leviathan, Holland heeft V.I.S.S.E.N’, schreef ik.

Leviathan is een van de meest sensationele films van het afgelopen filmjaar. Een totaalervaring van beeld en geluid over de zeevisserij voor de kust van Massachusetts, waarin de digitale cameraatjes tussen de netten en de kabels door manoeuvreren en als een dronken meeuw de zee in duiken.

Leviathan Trailer July 2012 from Sensory Ethnography Lab on Vimeo.

V.I.S.S.E.N is een droogkomisch verslag van de sportvisserij in Nederland, waarbij de werphengel een metafoor wordt voor het huwelijksleven.

Beide films zijn onderhoudend, goed geobserveerd en visueel prikkelend. En je moet de werphengel van Ome Jan aan de waterkant natuurlijk niet willen vergelijken met de monsterachtige voorwereldlijke trawlers uit Leviathan. De ene snoekbaars is nu eenmaal de andere rog of kabeljauw niet.

Bovendien wilden Pieter-Rim en Maarten de Kroon waarschijnlijk precies de film maken die ze hebben gemaakt en hadden ze helemaal niet de ambitie om de burgerlijke kaders van de Hollandse sportvisserij te verlaten en zoals Lucien Castaing-Taylor en Véréna Paravel existentiële vragen aan de orde te stellen door op een nieuwe manier na te denken over vorm en objectiviteit.

Goedgemaakte braafheid

Maar dat is wat mij betreft geen bevredigend antwoord op de vraag waarom Holland V.I.S.S.E.N heeft en het Harvard SensoryEthnography Lab waar Castaing-Taylor en Paravel als wetenschappers aan verbonden zijn Leviathan.

Waarom wij ons tevreden moeten stellen met een prima docu als De regels van Matthijs, maar waarom Engelsman Ben Rivers over een vergelijkbare zonderling zonder een woord en met louter beelden het fenomenale Two Years at Sea kan maken.

Waarom louter op televisie?

En waarom is het werk van iemand als Walter Stokman met zijn wederom hoogst intrigerende Dirty Window alleen maar achter het vieze glas van de televisie te zien? Stokman nam een krantenknipsel over de dood van een Hongaarse prostituee als uitgangspunt voor een film die nauwelijks journalistieke antwoorden geeft op de vraag wie en waarom en hoe. In plaats daarvan ontdekte hij tijdens zijn zoektocht andere antwoorden op niet gestelde vragen.

Door de rustige toon en het vermogen om op de vertellende kracht van beelden te vertrouwen opent hij kleine vensters op grote verhalen. Juist door de nadruk op het visuele, op het filmische, op verhalen die zich ontvouwen in tijd en ruimte en niet via taal en logica zijn dit soort films bij uitstek geschikt voor de bioscoopvertoning. Maar waar is in Nederland nog die voor de bioscoop gemaakte documentaire en non-fictiefilm?

Zelfs V.I.S.S.E.N werd eerst op televisie uitgezonden en toen hij daar een succes bleek in een lange versie in de filmtheaters gebracht. Maar waar is het klimaat waarin er al op voorhand mag worden nagedacht over stijl en vorm op een manier die misschien niet werkt op een klein scherm? Oh, ja dat geld natuurlijk, van die omroepen.

Mengvormen tussen documentaire en fictie

Overal ter wereld zien we interessante mengvormen tussen documentaire en fictie opduiken. Films die de regels en de wetten van medium en genre overschrijden en overdenken. Een film als The Invader van Nicolas Provost is een fictiefilm van een kunstenaar die met zijn cameraman Frank van den Eeden Brussel filmt vanaf een straathoek, illegaal soms, met verborgen camera, en taferelen openbaart die een hedendaags coda zijn bij de stadsfilms uit de jaren twintig van de vorige eeuw.

Het in Columbia gedraaide Porfirio reconstrueert de aanloop naar een bomaanslag waarin de dader zichzelf speelt, waardoor je als toeschouwer het gevoel krijgt in een tijdslus verstrikt te zijn geraakt van elkaar overlappende werkelijkheden. Slechts twee recente voorbeelden van films die verhalen uit de werkelijkheid extrapoleren. Zijn ze zo anders dan Het is een schone dag geweest?

Die film waarvan we met terugwerkende kracht toch moeten concluderen dat die nog crucialer was voor onze documentairetraditie dan we hebben willen inzien. Want waarom worden dat soort impulsen niet doorgezet? Waarom zijn we, kortom, in Nederland al blij met goed gemaakte braafheid? Waar zijn die game changing docu’s à la Leviathan de laatste jaren dan?

En nog niet eens voor de buitenlandse markt, maar gewoon om onze eigen filmkunst weer eens een broodnodige opdonder te geven?

Gezellig getto

Filmmaker Jos de Putter (inderdaad van die Schone dag) schreef vorig jaar op deze plaats al over de teloorgang van de experimenteerdrift in de Nederlandse documentaire. Hij haalde daar een hele reeks redenen voor aan, te beginnen bij het onderwijs, via de behoudende financieringsstructuur (waarin het televisieformat de dienst uitmaakt), tot het publiek dat na al die crowdpleasers over André’s, Johannen en Ramsessen gewend is geraakt aan lekkere films over bekende koppen, met veel close-ups en weinig totaalshots waarbij je zelf even moet nadenken.

Daar kun je nog aan toevoegen dat het grootste documentaire festival ter wereld, dat toevallig elk jaar in Amsterdam plaatsvindt, ook bar weinig doet om de Nederlandse documentaire naar een hoger plan te tillen. De in 2009 ingestelde prijs voor de beste Nederlandse documentaire duwt de lagelandse productie in een gezellig getto weg.

Filmmaker Mark Cousins (die de vijftien uur durende documentaire The Story of Film regisseerde) publiceerde onlangs op de site Filmfestivalacademy.net een manifest waarin hij pleit voor een nieuwe vorm van filmfestivalprogrammering: als een vertelling, waarin films met elkaar samenhangen en een dialoog aangaan. Een festival moet kortom een ‘verhaal’ vertellen.

Een festival moet meer dan alleen goede films verzamelen

En festivals moeten het geweten van de filmwereld zijn. Daar is ook voor IDFA een rol weggelegd. Want het gaat om meer dan alleen maar goede films verzamelen. Het gaat ook om de bedding waarin je ze vertoont, en die context is ondanks het ‘international’ in de naam van het festival ook Nederlands. Er moet ook een wisselwerking zijn met de eigen documentaireproductie, misschien wel door uitgesprokener te zijn en te laten zien waar je als festival voor staat.

Dan kunnen we het meteen nog eens hebben over de vraag waar dat ‘creatieve’ op slaat in het adagium van de ‘creatieve documentaire’ dat het International Documentary Film Festival Amsterdam al sinds jaar en dag in z’n missie heeft staan. Waarschijnlijk is dat nu namelijk niet te rijmen met die andere eis, namelijk dat IDFA zoekt naar films die behalve ‘stilistisch interessant’ ook ‘maatschappelijk relevant’ moeten zijn.

Films die stilistisch interessant zijn, hebben namelijk de afgelopen jaren ook hun eigen verdomhoekje gekregen: ParaDocs, het programmaonderdeel voor experimentele films. Niet toevallig het gedeelte waarin Leviathan nu geprogrammeerd staat. En dan blijkt: er bestaat ook zoiets als ‘relevante creativiteit’. Esthetiek (in vorm, stijl, keuzes) hoeft ons niet weg te voeren van de werkelijkheid, maar kan er ook toe leiden dat de randen van de werkelijkeid zich scherper, pijnlijker, pertinenter aftekenen.

Denkluiheid

Behalve al die punten die De Putter noemde, waarvoor geld, en beter onderwijs en nog zo wat van die dingen nodig zijn die niet op korte termijn te veranderen zijn, is er wel iets wat filmmakers, producenten, omroepbobo’s en fondsenbazen direct al kunnen doen. Namelijk de blik over de grens richten. Niet omdat alles daar beter is, maar omdat uit dat bescheten isolement van de Nederlandse film ook niets voortkomt.

Film is een internationale kunstvorm, we leven in een grenzeloze tijd in een geglobaliseerde wereld, maar in Nederland lijkt slechts een handjevol makers en financiers echt te weten wat er in die wijde wereld aan de hand is. Waar het door komt? Joost mag het weten. Misschien zijn we bang door de mand te vallen bij die zo veel welbespraaktere collega’s. Misschien is het inderdaad denkluiheid uit angst. Misschien is het eng om zelf op avontuur te moeten gaan, en zelf iets van een film te vinden, zonder dat dat al door enige veilige vorm van consensus is afgedekt.

Wat een benepen redenen. Want betekent dat niet dat je niet tot zelfstandig kijken en oordelen in staat bent en dus niet geschikt voor je vak? Zo’n beetje elke film die ooit gemaakt is, is tegenwoordig ergens te zien, dus daar kan je het niet aan wijten. Voor professionals bestaan er tal van streaming platforms om de nieuwste festivalfilms te zien. Je hoeft er niet eens de deur voor uit. Dus wat is het dan?

Filmcultuur is meer dan films maken

Een aantal jaar geleden interviewde ik de Uruguayaanse regisseurs Pablo Stoll en Juan Pablo Rebella over hun debuutfilm 25 Watts. Ze gaven hoog op van de filmcultuur in hun land, waarop ik opmerkte dat er daar gemiddeld maar een film per jaar wordt geproduceerd, dus wat nou filmcultuur. Beleefd wezen ze me terecht. Filmcultuur bestond in hun ogen maar voor een beperkt deel uit de filmproductie zelf, maar evenzeer uit de filmtijdschriften, de kritiek, de films die mensen bekijken, de discussies die ze met elkaar voeren, de liefde voor traditie en de drang om te vernieuwen.

Misschien wordt er in Nederland wel te weinig inhoudelijk over film gepraat. Om te beginnen over de vraag hoe het vandaag de dag met het aloude onderscheid tussen speelfilm en documentaire zit. Nadenken kost geen geld. Kun je gewoon doen. En het gekke is: je ziet het er altijd aan af. Aan een film. Aan een documentaire. Want daar hebben we het hier over. Je ziet het meteen als een film niet alleen naar de wereld heeft gekeken, maar ook niet bang is om bekeken te worden.

Dit artikel is een ingekorte versie van een iets uitgebreider artikel dat is verschenen in 609, het blad van het Mediafonds. Een pdf van 609 is te vinden op Mediafonds.nl.

Al 11 reacties — discussieer mee!