Het is typerend voor de huidige tijd: Jan met de pet grijpt op enig moment zijn toetsenbord, digitale camera, mobiele telefoon en doet verslag van het nieuws. Het is een ontwikkeling die mediawetenschapper Mark Deuze in 2006 heeft bestempeld als ‘vloeibare journalistiek’. De gevolgen daarvan raken stilaan steeds zichtbaarder. Een erosie van het vak is dat geenszins, betoogt Alexander Pleijter.

Op het moment dat het normaal zo vredige Haren op 21 september 2012 verandert in een slagveld, verzendt het Twitteraccount @HarenLive een eerste tweet: “A28 afgesloten! #projectxharen #haren #projectx”. De rest van de avond is via @HarenLive nauwgezet te volgen wat zich afspeelt in het Groningse dorp. Het Twitteraccount is het initiatief van een zevental studenten. Studenten zonder enige journalisitieke achtergrond. Met niet eens affiniteit met journalistiek. Ze willen gewoon verslag doen van de verwikkelingen in het dorp.

Ze hebben de taken onderling keurig verdeeld. Drie bekijken continu de livestreams van RTL Nieuws en RTV Noord, twee houden de berichten op Twitter in de gaten en eentje de berichtgeving op nieuwssites. Deze student onderhoudt ook via de telefoon contact met mensen ter plekke in Haren. De laatste in de rij ontvangt al het nieuws van de vijf anderen en verwerkt alle informatie naar korte nieuwsberichten op Twitter. Opvallend detail: deze persoon bevindt zich in Zweden. De studenten communiceren met elkaar via Skype.

Het aantal volgers van @HarenLive stijgt explosief. Op het eind van de avond staat de teller op ruim 12 duizend. Blijkbaar vinden velen dat de gelegenheidsjournalisten op een nuttige manier verslag doen van het Harens oproer.

[Lees ook op DNR het uitgebreide verslag van Hille van der Kaa over de online verslaggeving over de rellen in Haren]

Liquid journalism

Dit soort ‘incidentele journalistiek’ is typerend voor de huidige tijd. Jan met de pet grijpt op enig moment zijn toetsenbord, digitale camera, mobiele telefoon en doet verslag van het nieuws. Het is een ontwikkeling die mediawetenschapper Mark Deuze in 2006 heeft bestempeld als ‘liquid journalism’ [pdf!]: vloeibare journalistiek. Waarmee hij doelt op het feit dat er geen strikt onderscheid meer is te maken tussen enerzijds journalisten – die het nieuws produceren – en anderzijds hun publiek – dat het nieuws consumeert. In feite kan iedereen op enig moment een rol spelen in de nieuwsvoorziening; door een tweet te versturen over een vliegtuigongeval, door een filmpje van een brand te uploaden naar YouTube of door een foto van een dronken beroemdheid op een blog te publiceren.

De media-adviseurs Chris Bowman en Shayne Willis schreven in hun manifest We Media uit 2005 over het ontstaan van een nieuw ‘media-ecosysteem’. Zij zagen internet als de motor achter een ontwikkeling waarbij goedkope, gebruiksvriendelijke technologie burgers in staat zou stellen om zelf aan verslaggeving te doen.

‘Burgerjournalistiek’ dus. Met als consequentie het vervagen van de grenzen tussen professionals en amateurs, tussen makers en gebruikers. Het medialandschap, bestaande uit een beperkt aantal grote nieuwsorganisaties, zou veranderen in een ecosysteem van diverse spelers die zich bezig houden met het verzamelen, verwerken, bewerken, uitwisselen en verspreiden van nieuws. Precies zoals nu gebeurt via sociale media.

Journalistje spelen

Wie deze ontwikkeling voorlegt aan journalisten, kan rekenen op een afwerend gebaar. Ze zullen erop wijzen dat een simpele burger de journalistieke mores niet kent. En ook de journalistieke methode niet hanteert: geen feiten checkt, geen wederhoor pleegt. Veel journalisten vatten de term ‘burgerjournalist’ op als een belediging: als-of iedereen zomaar journalistje zou kunnen spelen. In hun ogen is deze ontwikkeling een bedreiging voor de ‘echte’ journalistiek; de journalistiek zoals die beoefend wordt door getrainde professionals.

Maar is dat ook zo? Heeft deze vloeibare journalistiek een kwalijke invloed op de nieuwsvoorziening? Zorgt ze voor een ontwrichting van de ‘echte’ journalistiek?

De conclusie van het proefschrift dat Tom Bakker onlangs publiceerde (Citizens as political participants: The myth of the active online audience?) was wat dat betreft een hele geruststelling voor menig journalist: er zijn in Nederland nauwelijks burgerjournalisten die zich serieus bezighouden met politieke verslaggeving. Het handvol bloggers dat over politiek schrijft, ziet zichzelf niet eens als journalist, ze willen gewoon hun mening kwijt. Voor degelijke politieke verslaggeving zijn we dus nog altijd aangewezen op politieke journalisten.

[Lees ook op DNR het interview met Tom Bakker: “Grote verwachtingen over burgerjournalistiek zijn niet ingelost”]

Ik zal ook niet ontkennen dat professionele journalisten nog altijd een hoofdrol spelen in de nieuwsvoorziening. Natuurlijk is dat zo. Maar steeds vaker zijn het niet-professionele journalisten die een rol spelen in de verslaggeving. Denk aan Janis Krums, die als passagier van een veerboot op 15 januari 2009 toevallig getuige was van de noodlanding van een vliegtuig op de Hudson, midden in New York. Zijn tweet – “There’s a plane in the Hudson. I’m on the ferry going to pick up the people. Crazy.” – ging in een mum van tijd de hele wereld over. De ene twitteraar na de andere retweette zijn bericht. Waarschijnlijk vooral dankzij de foto die hij met zijn mobiele telefoon had gemaakt van het tafereel: passagiers op een vleugel van het vliegtuig. De foto belandde uiteindelijk ook op de voorpagina’s van enkele Amerikaanse kranten.

Net zo min als de bloggers uit het onderzoek van Tom Bakker, betitelde Janis Krums zich als burgerjournalist. Hij twitterde zijn foto in een opwelling. Omdat hij getuige was van iets bijzonders. Onbedoeld werd de jonge zakenman zo voor even een journalist die ‘breaking news’ de wereld in bracht.

Dilemma’s voor de journalistiek

Vloeibare journalistiek zorgt onmiskenbaar voor dilemma’s in de journalistieke professie. De journalistiek heeft zich decennialang door een proces van professionalisering heen geworsteld. Er is nagedacht over de waarden en normen van het vak. Beroepsopleidingen zijn er gekomen. Er is een soort van tuchtrecht, de Raad voor de Journalistiek. Niet in strikte zin, met het oog op de persvrijheid ligt het niet voor de hand om journalisten sancties op te leggen of te verbieden hun vak nog uit te oefenen. Maar toch, mensen die zich benadeeld voelen kunnen bij de Raad klachten indienen waarover een oordeel wordt uitgesproken.

Maar hoe moet zo’n instantie zich manifesteren in een tijd van vloeibare journalistiek? In 2009 maakte de Raad bekend in te willen spelen op de nieuwe verhoudingen door voortaan ook klachten tegen bloggers en burgerjournalisten in behandeling te nemen. Dat voornemen is nooit werkelijkheid geworden. In 2012 besloot men het over een geheel andere boeg te gooien: voortaan zou de Raad alleen nog klachten in behandeling nemen tegen nieuwsmedia die het gezag van de Raad erkennen. Zie hier het dilemma van de Raad om zich ofwel onder te dompelen in de vloeibare journalistiek ofwel terug te trekken in de burcht van professionele media.

Fotojournalisten

Vloeibare journalistiek manifesteert zich als een tweekoppig monster. Aan de ene kant de verslindende kop die opvreet wat hij onderweg tegenkomt, aan de andere kant de innovatieve kop die nadenkt over nieuwe mogelijkheden en deze benut. Neem NU.nl dat in 2007 NUfoto lanceerde, een platform waar Jan en alleman zijn foto’s van nieuwsgebeurtenissen kan publiceren. Het grote voordeel voor NU.nl: gratis nieuwsfoto’s.

Andere media, zoals Metro en AD maken gebruik van Scoopshot, een app waarmee bezitters van een smartphone hun foto’s naar redacties kunnen sturen. Als een foto gepubliceerd wordt krijgt de maker een bescheiden vergoeding. Mooie initiatieven, die nuttig zijn voor de betreffende redacties.

Maar anderzijds zijn dit soort mogelijkheden bedreigend voor professionele fotojournalisten. Zij zien door de toevloed aan gratis amateurfoto’s de tarieven voor professionele nieuwsfotografie schrikbarend dalen. Voor sommige fotografen een reden om de nieuwsfotografie de rug toe te keren. Zoals Bas de Meijer, die afgelopen februari op zijn weblog schreef: “Ik stop ermee. Want de tarieven zijn 60% gedaald en het was al geen vetpot. Daarmee is een absoluut dieptepunt bereikt. Met geen goed fatsoen kun je van dat bedrag als fotojournalist een bedrijf draaiend houden.”

De amateur als onderzoeksjournalist

Wie verder kijkt ziet dat amateurs niet alleen worden ingezet om aan goedkoop beeldmateriaal te komen. Het publiek kan ook een bijdrage leveren aan heuse onderzoeksjournalistiek. Zo schakelde The Guardian lezers in om enorme stapels declaraties van Britse politici door te vlooien. Daar zou de redactie zelf weken of maanden mee zoet zijn geweest, dus werden de bonnen op internet gezet. Dankzij de hulp van duizenden lezers werd de klus een stuk sneller geklaard.

In Nederland deed Bright iets soortgelijks. De redactie vroeg zich af wat er nou eigenlijk staat in de gebruiksvoorwaarden van allerlei internetdiensten. Vrijwel iedereen klikt meteen op ‘akkoord’, zonder de voorwaarden te lezen. Bright riep de hulp in van een legertje lezers om te zoeken naar rare of opvallende regeltjes.

Staak het verzet

De toevallige passant als verslaggever. De amateur als fotojournalist. De lezer als onderzoeksjournalist. Deze voorbeelden maken duidelijk dat de journalistiek langzaam verandert van een gesloten bolwerk in een open systeem, waaraan iedereen op enigerlei wijze en op enig moment kan deelnemen. De grenzen tussen de professionele journalistiek en het gewone publiek worden vloeibaar, beide werelden lopen steeds meer in elkaar over. Deze ontwikkeling kan je met afgrijzen aanschouwen. Je kan je er tegen verzetten. Maar hij is onontkoombaar.

Staak dus het verzet en ga op zoek naar mooie, nieuwe vormen van journalistiek. Laat je bijvoorbeeld inspireren door het onlangs gestarte experiment: de Altijd Wat Monitor van de NCRV. De redactie doet onderzoek naar allerlei maatschappelijke thema’s, zoals verspilling in de zorg. De voortgang van het onderzoek is volledig te volgen, compleet met aantekeningen, documenten, interviews en openstaande vragen. Het publiek kan zelf informatie toevoegen, ervaringen delen, interessante rapporten insturen, filmpjes onder de aandacht brengen en hun mening geven. Onder het motto: samen weten we meer. Het is vloeibare journalistiek in optima forma: transparant, interactief en maatschappelijk van belang.

Om goed beslagen ten ijs te komen voor zulke projecten zullen journalisten moeten samenwerken met dataspecialisten, programmeurs, vormgevers, etc. Of misschien beter nog, zich bijscholen op deze terreinen. Dat is misschien nog wel de grootste uitdaging voor de professionele journalistiek: zich ontwikkelen tot een professie die overweg kan met een digitaal instrumentarium om mooie en relevante producties te maken.


Dit artikel is deze week verschenen in 609, het blad van het Mediafonds.

Wie alle artikelen van de nieuwste editie van het blad wil lezen: een pdf van 609 is te vinden op de website van het Mediafonds.nl.

Alexander Pleijter

Hoofdredacteur

Alexander Pleijter is hoofdredacteur van De Nieuwe Reporter. Hij werkt als universitair docent Journalistiek en Nieuwe Media aan de …
Profiel-pagina
Al 8 reacties — discussieer mee!