De gevestigde journalistieke media worstelen al jaren met de invulling van grote woorden zoals ‘waakhond van de democratie’ en ‘aanjager van het publieke debat’. Het métier kampt niet alleen met een financiële crisis, maar zeker ook met een identiteitscrisis.

Tijdens deze worsteling valt steeds vaker het woord ‘samenwerking’ en steeds vaker wordt ook de daad bij het woord gevoegd. Allerlei innovatieve pilots, experimenten en zelfs fusieplannen passeren de revue. Lokale omroepen zoeken onderlinge samenwerking; regionale omroepen en regionale printmedia snuffelen aan elkaar; media proberen een team te vormen met kennisinstellingen zoals bibliotheken en scholen.

Samenwerking is nieuws

De samenwerkingstrend is best wel bijzonder. Als relatieve buitenstaander (econoom) vermoed ik dat samenwerken van nature niet in de aard van het journalistieke beestje zit. Het typische journalistieke product ontleent immers een deel van zijn waarde aan de exclusiviteit ervan. De eerste te zijn of de enige te zijn met het nieuws verhoogt de economische waarde van het medium en is tegelijkertijd ook een accentuering van gekoesterde journalistieke onafhankelijkheid. Samenwerking lijkt een streep te zetten door zowel de economische als de beroepsmatige argumenten.

Vanuit dat perspectief is het niet verwonderlijk dat veel van de huidige samenwerkingsexperimenten gaan over relatief ‘veilige’ zaken als het delen van faciliteiten of het maken van modulaire producties, met eigen bouwstenen voor elke betrokken partij (de bekende ‘same voor ons eige’-strategie). 

Verhoging maatschappelijke waarde van lokale omroepen

Samenwerking die moet leiden tot een betere kwaliteit van de inhoud van de journalistieke producties vergt meer van de betrokkenen. Dat een betere inhoud nodig is, vertellen mensen als Rob Wijnberg en Eric Smit. Ook beleidsmakers zijn ervan doordrongen. Er moet een verhoging komen van de maatschappelijke toegevoegde waarde, stelt het convenant dat de Vereniging Nederlandse Gemeenten in 2012 sloot met OLON, de vereniging van lokale omroepen.

‘De lokale omroep biedt actief en passief toegang tot nieuws en informatie aan de burgers in hun “natuurlijke habitat”: een sociaal-cultureel-economische omgeving waarin de burger leeft, werkt en recreëert. Die wordt per definitie niet begrensd door de lijnen op de bestuurlijke kaart van Nederland.’

Er zit heel veel verpakt in dit citaat. Van een lokale omroep wordt onder meer verwacht dat

  • Er een gedegen kennis is van de natuurlijke habitat van de burgers in het verzorgingsgebied.
  • De omroepmedewerkers in staat zijn om actief relevant nieuws te maken op sociale, culturele en economische aspecten van de habitat.
  • De medewerkers in staat zijn om (passief) relevant nieuws te plaatsen dat betrekking heeft op de genoemde aspecten.
  • Het verschil tussen nieuws en informatie helder is.
  • Medewerkers in staat zijn om actief relevante informatie te vergaren en te publiceren en passief relevante informatie door te plaatsen.

Dat is een ambitieuze taak voor de honderden omroepen die draaien op de inzet van honderden professionals en vele duizenden vrijwilligers. 

Innovatieve samenwerking: Research voor de Regio

Om de ambitieuze taak beter te kunnen uitvoeren is OLON, de branchevereniging van lokale omroepen, deze maand een pilot gestart met Research voor de Regio®. Met dit trainings- en adviesbureau wil ik mediaprofessionals helpen bij het vinden, onderzoeken en maken van verhalen met een economisch tintje.

Sinds januari van dit jaar gebeurt dat onder meer door het publiceren van een betaalde nieuwsbrief. Een aantal aspecten van deze nieuwsbrief sprak OLON dusdanig aan, dat zij de nieuwsbrief tijdens de pilotperiode gratis ter beschikking stelt op het forum van de aangesloten omroepen. Ik stel tijd beschikbaar om de activiteiten op het forum te monitoren en specifieke vragen te beantwoorden.

Het nut van een nieuwsbrief

Een nieuwsbrief voor journalisten over economische onderwerpen: is dat niet een heilloze combinatie? Wat maakt de nieuwsbrief aantrekkelijk genoeg voor deze pilot?

In de eerste plaats is dat de concrete toepasbaarheid. Elke brief bevat een mix van tips naar aanleiding van bestaand nieuws, tips naar aanleiding van een databank en een kleine uitleg over een economisch onderwerp. Daarbij is elk onderwerp zo gekozen, dat veel journalisten op (hyper)lokaal, regionaal of landelijk niveau er voor hun publiek meteen mee aan de slag kunnen.

Terugkijkend naar het rijtje ambities van de lokale omroepen, betekent dit dat elke journalist met de nieuwsbrief een stap kan zetten in de economische habitat van zijn burger. Bovendien kan hij met de tips over bestaand nieuws snel (passief) relevant nieuws plaatsen, terwijl hij met de tips over databanken zelf actief relevant nieuws kan maken of relevante informatie kan vergaren en publiceren.

Voorbeeld: de onderwerpen uit nieuwsbrief 5:

  • Amersfoort wacht nog op een goedkeurende accountantsverklaring vanwege Vathorst. Hoe achterhaalt u of uw gemeente gezond genoeg is om risico’s van grondexploitatie op te vangen?
  • Minister Schultz staat welwillend tegenover buitenlandse ambities van onze waterbedrijven. Maar die zijn wel eigendom van provincies en gemeenten. Weet u wat uw gemeente voor ‘waterbezit’ heeft en wat zij daaraan verdient? U krijgt handvatten om dit snel op te sporen en twee tips voor verhalen hierover.
  • Voor dataliefhebbers: u krijgt tips voor drie recente databanken, waarvan één over mogelijke financiële relaties tussen farmaceutische bedrijven (Pompe in België!) en artsen.
  • ‘Hondenbezitters betalen big spenders onder de gemeenten’. U leest meer over deze en andere oorzakelijke verbanden die soms te snel gelegd worden.

De publieksradar

In de tweede plaats is de nieuwsbrief aantrekkelijk door toepassing van mijn concept van de publieksradar:

 

De publieksradar maakt de stap naar de (economische) habitat van de burger makkelijker voor de lokale journalist. Het gaat dan om een beweging naar het midden van het spinnenweb (‘mijn wereld’). Zo worden algemene feiten over buitenlandse avonturen van waterbedrijven relevant als de lokale journalist laat zien dat de gemeente aandelen heeft in waterbedrijf X. En zo voldoe je als journalist aan de behoefte aan overzicht door gemeenten, regio’s of buurten onderling te vergelijken (‘is het anders dan elders?’). De nieuwsbrief laat telkens expliciet zien hoe de journalist dat het snelste en beste kan aanpakken.

In de derde plaats is de laagdrempeligheid een aantrekkelijk aspect van de nieuwsbrief. Dat menig journalist last heeft van ‘econofobie’ is geen geheim en bijscholing door economische experts zoals accountants is niet altijd een goed medicijn. De nieuwsbrief is daarom met opzet uitnodigend en zonder jargon geschreven. Ook zijn databanken besproken in de vorm van een stap-voor-stap handleiding, met screenshots. Tot slot is ook inhoudelijk de boodschap duidelijk dat de lezer geen raketgeleerde hoeft te zijn om een verhaal een economisch tintje te geven.

En nu: succesverhalen

Het is wachten op de eerste items uit deze pilot; de lokale omroepen zijn nu aan zet. Ik denk dat we voor het eind van dit jaar voorbeelden te zien krijgen. Misschien wel van enkele lokale media die een item maken over EU-subsidies in hun buurt. Of van media die verschillen tussen parkeertarieven in kaart brengen.

Ik ben ervan overtuigd dat met dit soort laagdrempelige innovaties de inhoudelijke kwaliteit van journalistieke verhalen sterk kan toenemen. Ik ben er ook van overtuigd dat veel lezers/kijkers/luisteraars hierop zitten te wachten.

[Lees ook de andere artikelen die in deze serie over samenwerkingen bij lokale en regionale omroepen]


Dit artikel maakt deel uit van een serie over samenwerking tussen regionale en lokale omroepen.

De eerste twee delen zijn eerder gepubliceerd als artikel in 609, het blad van het Mediafonds.

Al één reactie — discussieer mee!