Heeft u wel eens een boekrecensie gelezen van ruim 8.000 woorden? Nee? Wel, nu heeft u de kans, ik heb haar geschreven.

Recensies schrijf ik al langer, vooral voor de boekenbijlage van NRC Handelsblad. De ruimte op een krantenpagina is per definitie beperkt, dus mijn recensies zijn gemiddeld rond de duizend woorden. Tegelijk is de ruimte onbeperkt op internet (u heeft van dit fenomeen wellicht gehoord in het tv-programma Iedereen journalist – het gaat nog eens heel groot worden) en dat geeft nieuwe journalistieke mogelijkheden. Een nieuw genre dat alleen online had kunnen bestaan is het liveblog.

Sinds enkele maanden ben ik auteur bij DNP en daar schrijf ik over de invloed van nieuwe technologie. Dit biedt mij ook de mogelijkheid om af en toe eens te experimenteren met nieuwe vormen en zo bedacht ik dat het misschien wel aardig zou zijn om een boek al lezend te recenseren. Een kruising tussen een recensie en een liveblog.

Zo begon ik vier weken geleden aan wat ik de ‘liverecensie‘ heb genoemd van het boek Digitale dementie van Manfred Spitzer, een nonfictieboek van een Duitse psychiater. Daarin waarschuwt hij voor de gevolgen van digitale media. Wat heb ik geleerd van dit journalistieke experiment?

Elk hoofdstuk een blogpost

Allereerst dat het me meer tijd kostte dan ik had gedacht. Omdat ik (gelukkig) de afgelopen vier weken ook veel opdrachten had, had ik niet een of twee dagen vrij om het boek in één keer uit te lezen en te recenseren. Zo heel erg “live” was de liverecensie dus niet. Een betere naam komt misschien nog.

Maar omdat elk hoofdstuk uit een bepaald betoog bestaat, was het logisch om de liverecensie te updaten na elk hoofdstuk. Zo kon ik per hoofdstuk bespreken wat het betoog was en of Spitzer dat betoog logisch beargumenteerde. Ik merkte de behoefte om ter illustratie uit het boek te citeren. De vorm lijkt me dan ook minder geschikt voor fictie, omdat het bij fictie juist zo leuk om die inhoud zelf te ontdekken.

Wie de liverecensie terugleest, ziet ook dat ik heb geprobeerd om duidelijk te maken dat mijn eindoordeel nog niet vast stond. Hoewel ik al vroeg in het boek bezwaren kreeg tegen Spitzers selectieve gebruik van wetenschappelijk onderzoek, probeerde ik elk hoofdstuk een nieuwe kans te geven. Maar dat maakte de auteur mij wel lastig, door bronnen te gebruiken waar ze niet voor waren bedoeld.

Mega-factcheck

Al snel werd mijn liverecensie een soort mega-factcheck. Tijdens het lezen van de inleiding kreeg ik namelijk al argwaan. Zo schrijft Spitzer: “Computergebruik op vroege kleuterschoolleeftijd kan leiden tot aandachtstoornissen en op latere kleuterschoolleeftijd tot leesproblemen.” Omdat ik een redelijk beeld heb van welke onderzoeken er bestaan naar de effecten van digitale media, was ik benieuwd naar welk onderzoek Spitzer hier verwijst.

De voetnoten bij het citaat over het effect van computergebruik verwijzen echter naar wetenschappelijke onderzoeken die gaan over televisiegebruik door kleuters. Die twee kun je toch niet door elkaar halen? Ik besloot om steekproefsgewijs de bronnen van Spitzer er bij te pakken. Dit kost veel tijd, maar levert wel nuttige inzichten op.

Sommige onderzoeken waar Spitzer zich op baseert, blijken genuanceerder dan dat hij doet voorkomen. Hij verwijst bijvoorbeeld naar een onderzoek van Harold Wenglinsky, dat volgens Spitzer een negatief effect op schoolprestaties laat zien. Maar wie het onderzoek op internet erbij pakt, leest dat de onderzoeker lang niet zo stellig is. Soms kan computergebruik in de klas juist wél helpen bij het leerproces van de student, schrijft Wenglinsky.

Willekeurig citeren

Daarmee doet Spitzer mij iets te veel denken aan Andrew Keen. Keens boek bevat eveneens dramatische beweringen over de negatieve effecten van internet, maar de Britse auteur onderbouwt die slecht. Tijdens een interview voor NRC Handelsblad heb ik Andrew Keen eens geconfronteerd met het feit dat hij alleen onderzoek gebruikt dat zijn stelling ondersteunt. Zijn reactie: “Ja, natuurlijk! Ik ga geen onderzoek gebruiken dat mijn stelling niet ondersteunt.” Keen was ‘niet geïnteresseerd in het schrijven van de waarheid’. Toch wordt Keen nog geregeld geciteerd in het publieke debat over de invloed van internet.

Ook Spitzer is een naam die nu veelvuldig wordt genoemd, in het debat over het gebruik van iPads op scholen. Een van de Kamervragen die SP-Kamerlid Jasper van Dijk onlangs naar de minister van Onderwijs stuurde, luidde: “Hoe oordeelt u over de opvatting van onderzoeker Manfred Spitzer, die stelt dat computers een ‘vluchtige manier van werken’ stimuleren, waarvan je maar weinig opsteekt?”

Omdat mensen als Keen en Spitzer een rol in het publieke debat spelen, is het belangrijk om hun beweringen te controleren op geldigheid. Het debat over de invloed van nieuwe technologie wordt te vaak gekaapt door mensen die beweren een simpel en eenduidig antwoord te hebben over de effecten van het gebruik ervan. Daarvoor gebruiken ze dan alleen het wetenschappelijk bewijs dat hen goed uitkomt.

Een uitgebreide bespreking van de argumenten die een auteur gebruikt, helpt bij het beoordelen van zijn plaats in het debat. Zodat de volgende keer dat iemand het heeft over ‘de opvatting van onderzoeker Manfred Spitzer’, u kunt zeggen: “dat is toch die auteur die selectief omgaat met wetenschappelijk onderzoek?”. Eigenlijk kan elk boek over de invloed van internet, negatief of positief, wel zo een bijsluiter gebruiken.

De vraag is dan natuurlijk nog: hebben lezers nog behoefte aan de volledige 8.000 woorden? Dat laat ik aan u. Wees gerust, er komt nog een samenvatting.

Zomeractie! Geïnteresseerd in een gratis proefabonnement op het DNP-kanaal van Peter Teffer? Vul naam, e-mailadres en een wachtwoord in op de website. Dan komt u op een pagina waar u een code kunt invullen. Kopieer en plak de code 0004ACDNPTF en u heeft tot eind augustus toegang tot Achter de Technologie.

Peter Teffer

Peter Teffer is freelance journalist en schrijft over EU-gerelateerde onderwerpen.
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin de discussie!