Besteden journalisten voldoende aandacht aan religie? Docenten van de journalistenopleidingen in Zwolle en Ede bogen zich over deze vraag in het boek Media en Religie. “Een boek sterk vanuit protestants-christelijk perspectief geschreven”, aldus Huub Evers.

“De verslaggever had zeker maar weinig met deze dag”, schreef een teleurgestelde lezer van Trouw in een ingezonden brief (28 mei 2013, p. 19) nadat ze in deze krant het verslag gelezen had van de introductiedag voor het nieuwe ‘Liedboek voor de Kerken’. De journalist had het in zijn verslag gelaten bij ‘een workshop yoga’, terwijl ‘een paar duizend mensen’ gedurende de dag met tal van activiteiten actief waren.

In dezelfde week schreef een lezer in een ingezonden brief (30 mei 2013, p. 25), ook in Trouw, dat hij het evenwicht miste tussen de aandacht voor filosofie en religie (“en dan denk ik aan theologie, kerknieuws en bijvoorbeeld het nieuwe liedboek”) . Hij vond dat zijn krant meer aandacht moest besteden aan “nieuws van het kerkelijk erf”.

En dan hebben we het in beide gevallen over Trouw, toch niet een krant die het verst verwijderd is van dat kerkelijk erf! Hoe staat het dan met de professionele journalistiek als geheel? Is de constatering van Marcel Poorthuis (Trouw, 3 juni 2013, p. 21) dat “de concentratie atheïsten in het mediapark ver boven het landelijk gemiddelde ligt” juist?

Religie in het nieuws

Besteden journalisten voldoende aandacht aan religie? En hebben ze er voldoende verstand van? Zijn er nog specialisten op dit terrein op redacties? En wat doen de opleidingen? Over deze vragen gaat de nieuwe publicatie Media en Religie, geschreven door docenten van de journalistenopleidingen in Zwolle en Ede.

Het is geen handboek wereldgodsdiensten, maar een boek over het belang en de functie van religie in onze samenleving. Hoewel die samenleving in hoge mate ontkerkelijkt en geseculariseerd is, kom je religie overal in het nieuws tegen. “Religie is van groot belang. Kijk maar naar het nieuws, bijna alles draait om religie. Religie is uiterst relevant, maar tegelijkertijd begrijpt de samenleving er steeds minder van”, aldus de eerder genoemde Poorthuis, nu in Brabants Dagblad, 6 juli 2013.

Protestants land

In het eerste hoofdstuk wordt aan de hand van een reeks (vooral protestants-christelijke) voorbeelden beschreven hoe onze cultuur doordesemd is van religie, vooral de christelijke variant daarvan: taal, architectuur, literatuur, schilderkunst. Het christelijk erfgoed is niet goed te begrijpen wanneer men weinig kennis heeft van de religie zelf en haar uitingsvormen. Cultuur en religie zijn sterk met elkaar verweven. Ook in veel politieke en morele vraagstukken zitten religieuze componenten.

Hierna volgt een korte schets van de religieuze geschiedenis van Nederland als protestants land. Hier wordt duidelijk zichtbaar dat het boek vanuit een protestants-christelijk perspectief geschreven is. De ontwikkelingen en afscheidingen op het gereformeerde en hervormde erf worden veel uitvoeriger beschreven dan wat er bijvoorbeeld in de katholieke traditie gebeurde. Over het Tweede Vaticaans Concilie, het Pastoraal Concilie, later het Landelijk Pastoraal Overleg in ons eigen land, de omstreden bisschopsbenoemingen (Simonis en Gijsen) en de daarmee sterk samenhangende polarisatie in de Nederlandse RK Kerk komen we niets tegen.

Over de neo-orthodoxe restauratie van de laatste decennia evenmin. Ook de joodse en islamitische stromingen krijgen weinig aandacht. Achtergrondinformatie over de holocaust is er bijvoorbeeld niet.

Verzuiling

In het hoofdstuk over verzuiling, secularisering en ontzuiling wordt veel aandacht besteed aan het typisch Nederlandse omroepstelsel. Vooral hier worden termen gebruikt die voor de hedendaagse student uitleg behoeven: wat zijn 2.42-omroepen, welke partijen vormden de bloedgroepen van het CDA en wat behelsde de Hongaarse opstand? Een belangrijke rol wordt toegedicht aan de culturele revolutie van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Ook hier heeft de (jonge) lezer waarschijnlijk behoefte aan meer tekst en uitleg.

Van een geseculariseerde samenleving zijn we na de eeuwwisseling terecht gekomen in een post-seculiere samenleving. Religie is terug van weggeweest, ook in de media. De schrijvers waarschuwen (aankomend) journalisten om niet te snel het frame van de seculariseringsthese te hanteren. Dat frame houdt in dat waar moderniteit oprukt, religie terrein verliest en uiteindelijk zal verdwijnen.

Autonome mensen die zelf nadenken en zich niets op de mouw laten spelden, hebben geen religie meer nodig. Godsdienst en geloof gaan in de samenleving een steeds minder centrale rol spelen en verdwijnen goeddeels achter de voordeur. Verworvenheden van de moderniteit (rationalisering, informalisering, individualisering en welvaart) breken in alle geledingen van de samenleving door. Hier speelt zeker ook het sterk gestegen opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking een rol. Overigens lijkt niet religie achterhaald, maar die these.

Toenemend belang

Vooral door de multiculturele samenleving nam het belang van religie weer toe. De seculariseringsthese leek alleen op te gaan in Europa, niet in bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Daar is het geloof nog steeds springlevend. Daarnaast is er de constatering dat juist die kerken die het meest vasthouden aan hun leer en hun opvattingen, het het beste doen in onze moderne samenleving. Secularisering blijkt een meerduidig begrip: worden mensen minder gelovig of neemt de invloed van de kerk op de samenleving af? Of is van beide sprake?

Hoe moet je als journalist aandacht besteden aan religie? Afstandelijk, neutraal, objectief? Maar wat houdt dat in? Uiteraard moet je zo veel mogelijk recht doen aan de feiten, maar moet je je ook van ieder inhoudelijk oordeel onthouden? Of werkt je eigen levensovertuiging altijd door in hoe je selecteert en beschrijft?

Dit hoofdstuk begint met een interessante paragraaf over rolopvattingen van journalisten: passieve waarnemer en verslaggever? De waakhond die tegels licht? De moderator die burgers een platform biedt om opinies te uiten en ter discussie te stellen? De mobilisator die thema’s agendeert en probeert het publiek voor een bepaald standpunt te winnen?

Rawls, Habermas en Wolterstorff

Welke rol mogen aan levensbeschouwing en religie ontleende argumenten spelen in het publieke debat? En wat betekent dat voor de opstelling van journalisten? Hier worden de opvattingen van drie denkers (John Rawls, Jürgen Habermas en Nicholas Wolterstorff) kort weergegeven. Rawls maakt een strikt onderscheid tussen de private en de publieke sfeer. In de publieke sfeer mogen alleen argumenten gebruikt worden die ook overtuigend kunnen zijn voor mensen met andere opvattingen. Aan Bijbel en Koran ontleende argumenten horen daar niet bij.

Journalisten moeten vooral informeren, verslag doen, maar niet zelf positie kiezen. Habermas vindt dat in het publiek debat ook ruimte moet zijn voor religieuze opvattingen. Niemand hoeft zijn eigen overtuigingen thuis te laten. Gelovigen en ongelovigen moeten proberen morele intuïties om te zetten in seculiere taal. Ook gelovigen moeten zoeken naar rationele argumenten die voor allen aanvaardbaar zijn. Journalisten kunnen naast verslaggever ook waakhond en moderator zijn: kritisch doorvragen, ook als het gaat om religieuze overtuigingen.

Wolterstorff huldigt de opvatting dat religieuze en levensbeschouwelijke argumenten in het publiek debat altijd een belangrijke rol spelen en dat ze dus maar het beste zichtbaar aanwezig kunnen zijn. In het debat moet elke groep een gelijke inbreng kunnen hebben.

Volgens de schrijvers lijkt deze visie het meest op wat we in ons land gewend zijn: alle media dragen vanuit hun eigen identiteit bij aan een veelkleurige publiek debat waarin alle opvattingen aan bod kunnen komen. Journalisten moeten vanuit hun eigen overtuigingen aan die externe pluriformiteit hun bijdrage kunnen leveren. Ze mogen dus ook mobiliseren, sturen en agenderen.

Wanneer journalisten religieuze opvattingen en praktijken aan de kaak stellen, gebeurt dat vaak met een beroep op de persvrijheid. Houdt de uitingsvrijheid ook het recht in om te kwetsen en te beledigen? Hoe ver mogen religieuze groeperingen gaan in hun uitingsvrijheid? Waar liggen de grenzen van de vrijheid van godsdienst? Mag een imam zeggen dat homoseksualiteit een besmettelijke ziekte is die schadelijk is voor de samenleving? En wat houdt de scheiding van kerk en staat precies in? Deze laatste kwestie is uiterst actueel in het debat over verplicht inenten tegen mazelen.

Framing

Bij de vraag hoe over religie wordt bericht in de media en in het publiek debat, duiken de termen beeldvorming en ‘framing’ op. Journalisten behandelen onderwerpen onvermijdelijk vanuit bepaalde denkkaders en leggen zo verbanden en accenten. Frames kunnen behulpzaam zijn om gebeurtenissen te duiden, maar ze kunnen ook belemmeren om de complexiteit van de werkelijkheid goed te doorzien. Daarom is het belangrijk voor mediamensen om na te denken welke kaders en beelden dat zijn.

Welke beelden over religie kom je in het publieke debat tegen? De schrijvers onderscheiden er vier. Het eerste frame is dat religie een achterhaald en bijna folkloristisch verschijnsel is dat zijn tijd gehad heeft. Je kunt religie ook zien als een realiteit waaraan veel mensen zin ontlenen en die een motief vormt om zich in te zetten voor een betere samenleving. Daarnaast kan religie gezien worden als een verschijnsel dat mensen onderdrukt, dom houdt, belemmert om zelf na te denken.

Religie doet een beroep op traditie en autoriteit en wordt daardoor al snel dogmatisch. “Hou jij ze arm, dan hou ik ze dom”, zei men vroeger in katholieke kringen. Een laatste frame is dat religie gewelddadig is. Religies baseren zich op een openbaring en claimen daarmee een hogere waarheid te bezitten die leidt tot uitsluiting van anderen en zelfs tot geweld.

Religieus sprokkelgedrag

In een laatste hoofdstuk besteden de schrijvers aandacht aan nieuwe religiositeit. Mensen binden zich niet meer aan kerkgenootschappen, maar gaan individueel op zoek naar zin. Soms verbinden ze zich aan nieuwe vormen van spiritualiteit. Het eigen levensverhaal komt centraal te staan. Spiritualiteit heeft meer met zoeken te maken dan met vaste overtuigingen.

Dogmatische waarheden maken plaats voor ‘religieus sprokkelgedrag’, het zelf samenstellen van het zingevingsmenu. Mensen gaan zelf op zoek naar nieuwe rituelen, bijvoorbeeld bij het afscheid nemen van een dierbare. De hoogmis verhuist van de kerk naar het stadion waar een nieuwe sacrale ruimte ontstaat met oude en nieuwe rituelen. Aan deze ‘impliciete religiositeit’ hadden de schrijvers meer aandacht mogen besteden.

Elk hoofdstuk wordt afgesloten met een reeks opdrachten en een lijst met studiemateriaal voor wie zich verder wil verdiepen in deze thema’s die in onze dagen eerder meer dan minder relevant zijn geworden. Zo is het al met al een boek geworden dat een vaste plaats verdient op de lijst van verplichte literatuur op alle media-opleidingen. Het is jammer dat het boek sterk vanuit protestants-christelijk perspectief geschreven is. Hoewel Antoine Bodar, het katholieke boegbeeld in de media, aangeschoven bij Pauw en Witteman de cover siert, ontbreekt de ontwikkeling op het katholieke erf grotendeels. Ook de multiculturele en multireligieuze samenleving die Nederland feitelijk al enkele decennia is, komt er in dit boek bekaaid vanaf.

Ook een verklarende woordenlijst zou in een studieboek als dit niet misstaan: conclaaf, concilie, synode, bevindelijk-gereformeerden. De lijst is eindeloos uit te breiden met begrippen die velen niet zo veel meer zeggen. Het moet dan uiteraard niet gaan om een lijst met curiositeiten, maar om relevante begrippen. Ook zou een lijst met websites toegevoegd mogen worden, al loop je hier het risico dat wat nu actueel is, morgen als achterhaald wordt beschouwd. Hoewel een term als ‘achterhaald’ niet te snel gebruikt moet worden wanneer het om de plaats van religie in onze samenleving gaat. Dat leert dit boek ook.

Ratheiser, M. en J. van der Stoep, Media en religie, Den Haag: Boom Lemma uitgevers 2013, ISBN 978-90-5931-981-3

Al 2 reacties — discussieer mee!