Marianne Zwagerman stelde onlangs op DNR dat de NOS geprivatiseerd moet worden, want journalistiek is in goede handen bij commerciële nieuwsorganisaties. Tabe Bergman is het daar niet mee eens. Volgens hem is journalistiek als commercieel product mislukt. Hij pleit daarom voor het investeren van publiek geld in de journalistiek.

Waren we allemaal maar zo begaan met het lot van de Nederlandse journalistiek als Marianne Zwagerman. De toekomst van de journalistiek – terecht is ze van mening is dat die ‘gered’ moet worden – zou er een stuk rooskleuriger uitzien.

Zwagerman en ik, net als met bijna iedereen neem ik aan – we streven allemaal hetzelfdoe doel na: een onafhankelijke, kritische journalistiek met voldoende diepe zakken om onderzoeksjournalistiek te doen wanneer daar aanleiding voor is. So far so good.

Helaas zouden de voorstellen die Zwagerman doet om dit gezamenlijk doel te bereiken het tegenovergestelde effect hebben. Ze zouden de crisis in de Nederlandse journalistiek alleen maar verergeren.

Het probleem van de vrije markt

Zwagerman wil de NOS privatiseren, zodat deze zich niet schuldig meer maakt aan ‘marktverstoring,’ met name op het internet, en zich op de ‘vrije markt’ kan meten met andere nieuwsvoorzieners.

Het probleem is dat die ‘vrije markt’ die Zwagerman postuleert eenvoudigweg niet bestaat, met of zonder de publieke omroep. In Nederland hebben we een oligopolistische markt, oftwel een markt die wordt gedomineerd door een handvol aanbieders, met hoge barrières voor nieuwkomers. Het kost heel wat kapitaal om je een plekje op de markt te veroveren, daarom is deze niet vrij: slechts een enkeling heeft de middelen om ook maar te overwegen zich op deze markt te begeven.

Overheidssteun

Hoewel Zwagerman de publieke omroep wil opheffen is ze, enigszins verrassend, niet tegen overheidssteun voor de journalistiek. Alleen moet die steun wat haar betreft naar private ondernemingen vloeien.

Ze schrijft:

“Ik denk daarbij aan een systeem waar bedrijven (dus ook de geprivatiseerde NOS) die aan de journalistieke opdracht voldoen voor elke euro die ze zelf investeren één euro van de overheid erbij krijgen. Dat mag in print, digitaal, radio, tv, of alle andere vormen die nog uitgevonden gaan worden.”

Ze is, ten eerste, dus bereid om de overheid te laten definiëren wie journalistiek bedrijft en wie niet; de overheid bepaalt immers welke organisaties in aanmerking komen voor die directe subsidies.

En dat terwijl ze denigrerend schrijft over ‘staatstelevisie’. Maar zo simpel ligt het natuurlijk niet in Nederland. De publieke omroepverenigingen zijn private organisaties, de overheid heeft geen directe invloed op hen, ook niet op de NOS.

Meer marktconcentratie

Problematischer is dat de momenteel dominante aanbieders van nieuws in aanmerking zullen komen voor de hoogste subsidies, met als te verwachten gevolg dat de marktconcentratie alleen maar zal toenemen.

Het is mogelijk dat Zwagermans voorstel hier en daar tot wat betere journalistiek leidt. Tegelijkertijd zou het kunnen dat journalistieke oranisaties die voor de helft van hun budget afhankelijk zijn van directe overheidssubsidie, minder geneigd zullen zijn om Den Haag kritisch te beschouwen.

Ten grondslag aan Zwagermans voorstel ligt deze verkeerde aanname: “Het verzorgen van het nieuws was in het papieren tijdperk in prima handen bij private uitgevers.” Ze zou er goed aan doen eens het beschikbare onderzoek erop na te slaan.

Onkritische journalistiek

De brede consensus is dat de journalistiek tijdens de verzuiling veel te wensen overliet, gemeten naar de maatstaven die zo ongeveer iedereen momenteel hanteert, en die ik bovenaan noemde: de journalistiek was destijds verre van onafhankelijk of kritisch; onderzoeksjournalistiek bestond nauwelijks. Dat blijkt bijvoorbeeld duidelijk uit een standaardwerk als Huub Wijfjes’ Journalistiek in Nederland. Ter herinnering: ook de verzuilde kranten waren destijds ook al commerciële producten.

Sinds de jaren zeventig liggen de zaken wat gecompliceerder. De journalistiek onttrok zich tijdens de ontzuiling aan directe politieke invloed en verbeterde ook in bepaalde andere opzichten. De  berichtgeving bleef echter lijden aan een hardnekkige, fundamentele fout. Politieke en economische elites kregen van de journalistiek nog steeds ruim baan om hun versie van de werkelijkheid op te dringen aan de bevolking.

Het gevolg was dat de berichtgeving en het commentaar vaak misleidden. Om onderzoeksresultaten uit eigen hoed te noemen: de berichtgeving in de pers over Irak in zowel 2003 als in 2011 was overduidelijk onkritisch en diende de belangen van die partijen die illegaal oorlog voerden en ook van halfhartige bondgenoten zoals de Nederlandse regering. En dat terwijl de meerderheid van de bevolking die oorlog helemaal niet wilde.

Iedereen kan die voorbeelden eenvoudig zelf aanvullen door de communicatiewetenschappelijke literatuur door te struinen. Het werk van de internationaal toonaangevende academicus Cees Hamelink vormt een goed startpunt.

Zwagerman heeft ongelijk

Wanneer Zwagerman schrijft dat “Krantenuitgevers, maar ook RTL, BNR en SBS hebben voldoende bewezen dat de nieuwsvoorziening perfect kan in een commerciële omgeving”, heeft ze dus ongelijk. De commerciële journalistiek heeft juist aangetoond dat ze niet te vertrouwen is met de nieuwsvoorziening.

Ik heb bewondering voor Zwagermans moed; ze pleit voor een drastische ingreep. Inderdaad, desperate times call for desperate measures. Maar de enige uitweg voor de journalistiek, nu het oude financieringsmodel ten dode is opgeschreven, is een reis in de tegenovergestelde richting van die waarin Zwagerman wijst.

Journalistiek als commercieel product heeft gefaald. Het is de hoogste tijd dat we in Nederland weer gaan inzien waarom we zolang tegen commerciële omroepen waren. De commercie heeft net zo weinig te zoeken in de journalistiek als in het onderwijs of de gezondheidszorg.

Publiek geld voor journalistiek

Hier is mijn eigen drastische ingreep: de journalistiek, inclusief kranten, omroep en internet, moet gefinancierd gaan worden door publiek geld in plaats van nog langer misbruikt te worden door ondernemingen en adverteerders voor het maken van winst. De truc is om een manier te vinden om staatsbemoeienis met de journalistiek uit te sluiten.

Dat kan bijvoorbeeld door elke burger 100 euro per jaar van de belasting te laten afschrijven. Dat bedrag kan dan door de burger zelf worden overgemaakt naar een journalistieke organisatie van zijn of haar keuze. Robert McChesney en John Nichols hebben zo’n voorstel gedaan in Death and Life of American journalism (2010), maar er zijn vele andere constructies denkbaar. Veel wordt mogelijk wanneer we ons bevrijden van het neoliberale denken dat de ‘vrije markt’ op een voetstuk plaatst.

Al één reactie — discussieer mee!