Nederlandse documentaires zijn te braaf, volgens filmmaker Marc Schmidt. Omroepen zouden niet zitten te wachten op experimenten. Volgens Oscar van der Kroon van de NTR is er wel degelijk ruimte voor avontuurlijke films. Het probleem is het beschikbare talent.

Regisseur Marc Schmidt (De regels van Matthijs) beweerde gisteren in een artikel op DNR dat de Nederlandse documentairesector een probleem heeft: het ontbreekt aan een levendige filmcultuur. Er wordt te weinig gediscussieerd, idealen gaan verborgen onder een dikke laag van vrijblijvendheid. Goed dat er regelmatig stenen in de vijver worden geworpen. De waarneming van Marc Schmidt dat een debat over de richting van de documentaire uitblijft, is echter niet de mijne.

In Hilversum en Amsterdam praten wij als eindredacteuren vrijwel dagelijks met makers en producenten, met fondsen en opleidingen. Het gaat daarbij lang niet alleen over individuele projecten, maar zeker ook over internationale ontwikkelingen zoals de groeiende populariteit van fictie in documentaires, over de ontwikkeling van talent, over nieuw te creëren kansen, et cetera. Straks meer over de resultaten van die discussies.

Gebrek aan filmische brutaliteit

Eerst een nadere blik op de analyse. Filmische brutaliteit ontbreekt De documentaire-afdeling van de NTR ontvangt jaarlijks ongeveer driehonderd voorstellen, die met een licht gevoel van opwinding ter hand worden genomen. Wat is het onderwerp? Wie is de maker? Maar vooral: wat wil de maker? Wat wil hij/zij zeggen en welke filmische middelen wil hij daarvoor inzetten?

Als we worden teleurgesteld, dan is dat vaak door de voorspelbaarheid. Veel plannen betreffen de simpele ambitie van een maker om een interessante hoofdpersoon lange tijd met de camera te volgen. Hoewel het portret zich als stijlvorm ruimschoots heeft bewezen, en we in Het Uur van de Wolf ook menig buitenlands portret programmeren, houden we de deur voor dergelijke plannen vaak gesloten.

Voorbeelden van experimenteerdrift

Het ontbreken van inhoudelijke of filmische brutaliteit is het probleem, niet de aan omroepen toegeschreven afkeer van experimenteerdrift. Dit wil ik onderbouwen met drie voorbeelden.

1. Poule des Doods

Regisseur Astrid Bussink maakte vorig jaar Poule des Doods; over een dichterscollectief dat poëzie voordraagt op uitvaarten zonder bezoekers. In het huis van de overledenen projecteerde zij ogenschijnlijk willekeurige amateurfilmpjes. Op papier was het plan raadselachtig, maar Bussinks talent en eigenzinnigheid betaalden zich uit in een gelaagde filosofische film. Inderdaad, zij toonde een “andere wereld, met een eigen sfeer en logica”.

2. Bloot

Ook Paul Cohen en Martijn van Haalen kozen in Bloot – een film over acteren (een documentaire over Toneelgroep Amsterdam) een eigen weg. De acteurs wisten nooit wat en wanneer er werd gefilmd. Juist in dit audiovisuele doolhof kreeg ieders zoektocht (van zowel protagonisten als makers) de gewenste ‘naaktheid’ en vervreemding.

3. A.L. Snijders

Kunstenaar Joost Conijn kwam bij ons met uitsluitend een idee: een heel persoonlijke film over zijn relatie met auteur A.L. Snijders. Hij had geen script en geen producent en wilde dat zo houden. Hij zocht het experiment en dat was het ook voor ons als omroep, die de volledige financiering op zich nam. Het pakte goed uit, maar anders dan Marc Schmidt vermoedt, mocht het ook mislukken.

Keurslijf

Genoemde voorbeelden kunnen moeiteloos worden aangevuld door collega-omroepen. Ze vormen het bewijs dat het klimaat voor documentairemakers in Nederland wel degelijk mogelijkheden biedt om avontuurlijke films te maken. Het probleem zit hem dan ook niet, zoals verondersteld, primair in de filmcultuur, maar in het beschikbare talent. In ons kleine taalgebied is het aantal makers dat de nadruk legt op “filmische stijl en vorm boven taal en logica” beperkt.

Natuurlijk moeten ook zij strijd leveren om hun plannen te realiseren (waar niets mis mee is), maar naar mijn overtuiging is voor een goed plan altijd financiering en distri- butie te vinden. De quintessence is steeds de vakmatige kennis en het artistieke talent van de maker.

Vaal wordt gerept over een door de omroepen opgedrongen keurslijf waarin uit angst voor tegenvallende kijkcijfers “op zeker moet worden gespeeld”. Hier passen geruststellende woorden. In de drie jaar dat ik de documentaire-afdeling van de NTR leid, ben ik door netmanagers niet één keer op kijkcijfers aangesproken. We hebben talloze documentaires in productie genomen waarvan het op grond van inhoud en/of vorm evident was dat ze geen groot bereik zouden vinden. Kijkcijfers zijn niet onbelangrijk voor de continuïteit, maar in de selectie en ontwikkeling van projecten spelen ze een beperkte rol. Ik ben er bijna zeker van dat dit voor de meeste binnen het documentaire-genre actieve omroepen geldt.

Uitgever

Omroepen zijn alleen aan de voorkant dominant aanwezig; bij de selectie van projecten. Daar besteden we veel tijd aan. Ieder plan wordt door meerdere ogen gezien en we hechten eraan makers zoveel mogelijk een inhoudelijke reactie te geven. Bij de voortgang is de rol van omroepen vooral het stellen van vragen. Die bestrijken een breed terrein: van de relevantie/urgentie van het onderwerp tot de visie en betrokkenheid van de maker, van de mogelijke ontwikkeling binnen het verhaal tot de filmische aanpak. Let wel: het zijn vragen. Geen moment is er de gesuggereerde behoefte “principiële, filmische inbreuk te plegen”.

De stelling dat omroepen dwingend ingrijpen in de vormgeving van documentaires komt me dan ook surrealistisch voor. De rol van de omroep is vergelijkbaar met die van de literaire uitgever. We begeleiden een project door veel te praten met de schrijver/filmer, reflecteren op montages en doen incidenteel suggesties. Maar de finale keuze is altijd aan de maker.

Als er werkelijk sprake is van auteurschap, dan zijn we daar als omroep dienstbaar aan. Om die reden laten wij – anders dan bij fictie – bepaalde vragen achterwege. Want ook wij vinden het belangrijk dat de makers tot het eind van de montage op zoek blijven. Iedere documentaire houdt door zijn noodzakelijke onvoorspelbaarheid risico’s in zich. Juist dat maakt het genre spannend en aantrekkelijk.

Initiatieven

Laat er geen misverstand over bestaan: ook omroepen kijken jaloers naar ontwikkelingen zoals in Denemarken. Het debat over gewenste vernieuwing heeft inmiddels meerdere initiatieven voortgebracht:

1. Het Filmfonds kent sinds enige jaren de Wildcard (40.000 euro en totale vrijheid).

2. Vorig jaar is DOC25 gestart. In samenwerking met het Mediafonds hebben zeven jonge talenten 60.000 euro gekregen om een documentaire van 25 minuten te maken. Op het recente NFF was de eerste, veelbelovende oogst te zien en de tweede lichting is onderweg.

3. Tegelijk is ook het project TeledocCampus gestart (hier zijn CoBO en Filmfonds partner van de omroep en andermaal is het parool het ontwikkelen van eigenzinnig talent).

Voeg hierbij de IDFA-Mediafonds Workshop en het Filmlab (waar de omroepen actief in participeren) en het zal duidelijk zijn dat talloze inspanningen worden geleverd om de Nederlandse documentaire naar een hoger plan te tillen.


Dit artikel is afkomstig uit 609, het blad van het Mediafonds.De nieuwste editie is gewijd aan IDFA.

Wie alle artikelen van de nieuwste editie van het blad wil lezen: een pdf van 609 is te vinden op de website van het Mediafonds.nl.

Nog geen reactie — begin de discussie!