Marketingstrategieën winnen het van de traditionele beschouwende recensies. Hoe relevant is de traditionele kritiek nog? Volgens Jean-Pierre Geelen, tv-recensent bij de Volkskrant, blijven scherpe, vakkundige en gezaghebbende opinies van grote waarde.

“The Independent stopt met recen­sies in de zondagskrant”, berichtte de Nederlandse avondkrant. Het papieren knipsel hangt al sinds begin augustus aan de muur van mijn werkkamer, naast het nederig stemmende, handgeschreven briefje van lezeres mevrouw Le Roux uit IJsselmuiden, betreffende ‘Een tv­recensie van de ‘heer’ Geelen’: ‘Deze man moet niet zo ouwehoeren’. Tast de economische vraatkever in de papieren krantenwereld nu ook al het recensentendom aan?

Details ontbraken in de berichtgeving – in elk geval tot aan het schrijven van dit stuk – maar duide­lijk werd dat de bijlage The Critics zou worden op geheven; de kunst­, theater­ en literatuurcritici werden bedankt voor hun diensten, evenals tv-­criticus en columnist Tom Sutcliff, tevens presentator van het BBC­-radioprogramma Saturday Review. Waar bezuiniging onontkoombaar is, is niemand heilig.

Unique selling point

Maar mij lijkt het voor een krant onverstandig te snijden in be­standdelen die tot de smaakmakers van je ‘product’ behoren. Nieuws is overal en (veelal) gratis; scherpe, vakkundige en gezaghebbende opinies blijven een unique selling point. Maar dat is aan de rekenmees­ters en marketingdeskundigen.

De vraag die de onheilstijding oproept, is: hoe relevant is de bestaande, traditionele kritiek nog? Een hoop is immers veranderd. In de literaire kritiek hebben marketing­ en mediastrategieën het allang gewonnen van de traditionele beschouwende recensies. Zeker, dagbladen en tijdschriften publice­ren nog altijd hun degelijke en soms nog altijd gezaghebbende besprekingen van de belangrijkste nieuw verschenen wer­ken. Maar de lezer vaart zijn eigen koers, en laat zich verleiden door televisie of het (soms slim georkestreerde) rondzingen op Twitter of in eigen kring.

Filmkritiek

De filmwereld heeft alles te danken aan de bereidwillige medewerking van het medium televisie, waar elke filmster wordt bewierookt en kritiek niet zozeer uit den boze is, maar eenvoudigweg niet bestáát. Zodat zich de paradoxale ironie voordoet dat Nederlandse producers hun pracht ­producten soms wekenlang schaamteloos mogen aanprijzen in alle praat­ en kout­ programma’s, zoals afgelopen jaren onder meer gebeurde rond de film Zomerhitte en Reinout Oerlemans’ Nova Zembla.

Totdat de dagbladrecensies verschenen: (vrijwel) unaniem negatief. Deerde niet: de biosco­pen zaten wekenlang vol. Zo heeft elke scheppende sector zijn eigen kritiekcultuur – en sommige niet.

Radiokritiek

Afgelopen voorjaar klonk onder sommige radiomakers de roep om serieuze radiokri­tiek in de media. Waarom bestond die niet? De vraag is terecht, en laat zich niet een­ voudig beantwoorden. Deels traditie, deels vanwege de afgenomen betekenis van radio als massamedium dat het gesprek van de dag of ‘het discours’ bepaalt.

Hoe jammer ook: die rol had radio lang geleden, maar die is voorbij. Het medium is zijn massa kwijtgeraakt – wat overigens geen rechtvaardiging is om het niet te bespreken, want dan zou menig ballet­ of toneelrecensie ook overbodig zijn.

Ja, op menig bouwsteiger schalt 100%NL uit de speakers, menig automobilist laat zich in de file bijpraten door het Radio1 ­ Journaal. En ja: er bestaan prachtige ra­dioprogramma’s, ­zenders zelfs, ­rubrieken en ­documentaires. Die moeten behouden en gekoesterd. Maar de beeldcultuur heeft het gesproken woord in de hoek gedreven, waar het voor de fijnproever overigens nog altijd uitstekend vertoeven is.

Gesprek van de dag

Waar televi­sie geregeld het gesprek van de dag is, gaat het bij de koffieautomaat zelden over die knetterende discussie in VPRO’s OVT. Hooguit een incidentje – een scheldpartij of een grap – haalt de publiciteit, buiten radio.

Dat betekent overigens niet dat het niet zou kunnen. Juist op websites (van kranten, maar ook van anderen) moeten prachtige besprekingen te maken zijn van radio en podcasts uit de wijde wereld, met de pas­ klare links erbij – leve de digitale revolutie. Dat bestaat ook al, en zou makkelijk kunnen worden uitgebreid. Ik zou het toejuichen. De liefhebber zou er een zinvolle gids bij krijgen die hem de oren opent voor het moois (of lelijks) dat de wereld te bieden heeft.

Maar daarmee is de maatschappelijke rol en relevantie van het medium radio nog niet vergroot, en is radio nog steeds niet het gesprek van de dag.

De televisierecensent

Ook voor een televisierecensent zijn de tijden veranderd. Het idee dat de krant ver­slag doet van wat gisteravond op televisie verscheen, doet ouderwets aan. Televisie versplinterde, digitale boxen en kanalen snoepen kijkers af van mainstream tv, en ‘gisteravond’ is ook al niet meer wat het geweest is: steeds meer kijkers bepalen zelf wanneer ze iets (terug)zien.

Nog maar kort voor ik, vierenhalf jaar geleden, begon als tv-­recensent voor de Volkskrant, had ik zelf in besloten kring nog wel eens betoogd dat het niet meer van deze tijd is, een tv-­kritiek in de krant. Nadat ik begon, bleek al snel alles anders. Zo zijn er relatief veel lezers die schrijven dat ze zelden (de door mij besproken) tv kijken, maar wel graag lezen wat ze gemist heb­ ben. Óók een functie.

Traditionele televisie blijkt, ondanks Netflixen en YouTubes, nog altijd die dominante factor in het dagelijks verkeer, zeker bij groot nieuws en ‘nationale evenementen’. In weerwil van voorspellingen en digi­tale ontwikkelingen neemt de gemiddelde kijktijd van de burger op de ‘ouderwetse’ tv nog steeds toe.

Opwinding op Twitter

Sterker: wie na zessen ’s avonds op Twitter kijkt, ziet de opwinding stijgen. Het wemelt er van de instant­menin­gen, binnen enkele seconden verwoord in maximaal 140 lettertekens. Minstens 3 van de 10 ‘Trending topics’ op het medium betreffen televisieprogramma’s die op dat mo­ment worden uitgezonden.

De samenleving individualiseert, Twitter heeft ons terugge­ plaatst in een reusachtige huiskamer, waar de televisie als vanouds staat te pruttelen in de hoek en het gesprek van de dag voedt, al was het maar om de lol van het ergeren. Zomergasten? Terwijl de criticus van de ochtendkrant in de knoei komt met zijn dagelijkse deadline van 22.30 uur, wordt hij op internet links en rechts ingehaald door gelegenheidsbloggers. Kwaliteit geen bezwaar; het is vooral de snelheid die telt. Niets op tegen. Een krant zou hetzelfde kun­ nen doen, en doet dat soms ook.

Wat overeind blijft, en waar niets in zal veranderen, is de rol van de auteur, de criticus zelf. Die moet zich niet beperken tot hobbyisme, het louter lollige stukje of de hoogstpersoonlijke voorliefde voor de reeks ‘Bizarre ziektes’. Leesbaarheid is bepaald niet verbo­den, maar in alle gevallen moet hij/zij (vrouwelijke tv­-critici zijn schaars) gezag hebben of opbouwen.

Met andere ogen kijken

Zo iemand moet het geheel overzien, over langere tijd dan die ene avond. Hij moet met enige kennis van zaken bredere verbanden kunnen leg­gen en het medium aldus beschouwen als cultuurdrager en programma’s beoordelen op hun specifieke eigenschappen, hun kwaliteit of – vaker nog – hun betekenis. In het beste geval laat hij de lezer kijken met andere ogen. Of helder verwoord zien wat hij zelf al vaag dacht. Of de lezer het met het subjectieve eindoordeel eens is, doet uiter­ aard volstrekt niet ter zake.

Heeft dat (nog) zin? Zeer veel, ook al zal ons kijkgedrag de komende jaren misschien radicaal verande­ren. In elk geval niet minder dan voorheen, vermoedelijk zelfs meer. Ook daarom al moet er kritiek (in alle creatieve sectoren) blijven bestaan die ver­der gaat dan de gidsfunctie. Die niet draait op on(der)betaalde hobbyisten en gelegen­heidsrecensenten, maar aan structurele, professionele, volhardende en dus ‘nor­maal’ betaalde auteurs die er hun hoofdtaak van maken.

Alleen zo kan deskundigheid en gezag ontstaan.

Onverbloemde agressie

Lang gold Gerrit Komrij als inspiratiebron voor de tv-­stukjesschrijver. Na het ene jaar (1976) waarin hij zijn fameuze kritieken schreef voor NRC Handelsblad (Horen, zien en zwijgen) beschreef hij zijn motiva­ tie voor zijn snoeiharde columns. Klassieke regels: televisie is ‘een indringend medi­um’, aldus Komrij. ‘Het vraagt om een nieuwe, compromisloze kritiek. De haast lijfelijke opdringerigheid van de tv dient met een niet minder persoonlijke, onver­bloemde agressie te worden beantwoord.’ En: ‘De beste manier om ons van tv te bevrijden is haar belachelijk te maken.’

Televisie is er niet minder opdringerig en indringend op geworden. Toch lijkt de wijze waarop Komrij het fileermes hanteerde mij uit de tijd. Wie zich van het medium wil ‘bevrijden’, hoeft het toestel immers alleen maar uit te zetten, of zijn weg te zoeken op YouTube of Netflix. Ook is de onverholen strijd tegen de verzuiling wel gestreden: behoudens de EO en een enkele RKK-­mis is van geen publiek programma nog de ‘confessionele’ afzender af te zien.

Het effect van beelden

Ik mag mij graag verschuilen achter de woorden van wijlen VVD-­politicus Hans Dijkstal. In een interview met Maarten van Rossem in diens egozine Maarten! blikten de twee terug op de opkomst en ondergang van Pim Fortuyn en de rol van de media. Dijkstal:

“De ontwikkeling van televisie en internet is een van die technologische ver­anderingen met grote sociaal­-culturele ge­volgen. Ik durf de stelling aan dat televisie­makers geen idee hebben wat ze doen, televisiekijkers geen idee hebben waar ze naar kijken, en degenen die beroepshalve op de televisie moeten verschijnen niet goed weten hoe ze dat moeten doen. Met andere woorden, dat de samenleving nog behoorlijk worstelt met de betekenis van beeld en het effect ervan op het menselijk gedrag en dat van politiek leiders.”

Wijze woorden, die ik van harte onder­ schrijf. Een (tv­-)criticus kan de rol spelen van duider. Hij kan een spiegel voorhou­den, die makers en lezers/kijkers laat inzien waarnaar en hoe zij kijken en wat dat betekent. Komrij’s ‘onverbloemde agressie’ is daarbij geen voorwaarde meer. Ze zou nu al snel tegenstaan en daarmee het doel voorbij schieten.

Maar een scherpe, soms schertsende toon is niet verboden – het medium en diens bevolking geven er alle aanleiding toe. Niet om de lol van de scherts, maar om de kracht van de achterliggende redenering.

Ontroerende televisie

Is dat zuur? In het geheel niet. Zeker, je mag de ogen niet sluiten voor het schone, indrukwekkende en ontroerende dat televi­sie nog altijd óók te beiden heeft – niet voor niets vergaderen de verzamelde tv-­critici jaarlijks geanimeerd over tientallen kandidaten voor de Zilveren Nipkowschijf. Maar het drassige moeras zegt evenveel over de leefwereld als het zonovergoten hemeldek.

Opnieuw biedt Komrij houvast, nu met een column die hij nog maar enkele jaren geleden schreef over de oprukkende ‘blije’ (kunst)kritiek:

“Wat heeft al het moois voor zin als je weigert je stem te verheffen te­ gen de zweren, de gedrochten en de etter? (…) Wie een kunstwerk belachelijk vindt, of hilarisch, of overschat, of stom, wordt meteen geacht alle kunstwerken stom te vinden. Terwijl hij de lachwekkende voor­beelden alleen uit de tempel dondert uit eerbied voor het reservaat van de gewel­dige kunstwerken.”

Vandaag ruk ik het knipsel over The Independent van mijn muur. En zet de te­levisie aan.


Dit artikel is afkomstig uit 609, het blad van het Mediafonds.

Wie alle artikelen van de nieuwste editie van het blad wil lezen: een pdf van 609 is te vinden op de website van het Mediafonds.nl.

Nog geen reactie — begin de discussie!