De criticus wordt nogal eens voorgesteld als een kompas: hij wijst de richting naar goede en slechte producties. Volgens Jan Postma is dat een misvatting. In zijn ogen draagt de criticus kennis over en schoolt zijn of haar publiek in het kritisch denken.

Het was een curieuze zin, die Jean­-Pierre Geelen optekende aan het einde van zijn artikel op DNR over de staat van de Nederlandse ‘kritiekcultuur’. Hij schreef dat de criticus nog altijd de rol van ‘duider’ kan spelen:

“…een spiegel kan voorhouden die makers en lezers/kij­kers laat inzien waarnaar en hoe zij kijken en wat dat betekent.”

Wat doet die spiegel daar, dacht ik. Als je iemand een spiegel voorhoudt, ziet hij of zij tenslotte zichzelf. Het zou natuurlijk goed mogelijk zijn dat de ‘lezers/kijkers’ juist graag over/naar zichzelf lezen/kijken, dat dat een belangrijke reden is om een krant of tijdschrift te kopen: een zucht naar herken­ning en zelfbevestiging. Maar volgens mij heeft dat met goede kritiek niets te maken.

Duiding

En dan dat ‘duider’. Je zou denken dat met het verstrijken van de tijd de allergische reac­tie die dat modieuze woordje oproept minder ernstige vormen aanneemt, maar mijn nek­ haren schieten nog telkens overeind wanneer ik het tegenkom. Duiding is een eufemisme voor oeverloos gelul, dat wat de gemiddelde discussie in De Wereld Draait Door verbindt met de niet aflatende stroom columns die ons medialandschap rijk is. Een tijdverdrijf voor ex-­politici, gewezen spindoctors, journalisten die noestere vormen van journalistieke arbeid zijn ontgroeid en schrijvers die geen boeken schrijven.

Er zijn uitzonderingen, natuurlijk, maar de vochtplekken die hun schrijverszweet achterlaat, verdienen een betere naam. Kritiek! Met twee harde k’s die genoeg zijn om duidelijk te maken dat het ergens over gaat; dat er iets op het spel staat. Niet dat softe geouwehoer waarvan de kranten bol staan en dat de kijker van praatprogramma’s avond na avond doet toeschijnen alsof hij naar een langzaam leegbloedend dier staart. Mijn excuses, ik kon geen zinlozer beeld bedenken.

Babyboomer

En toch: na die spiegel en dat vervelende cliché volgde iets interessants. De criticus laat kijkers en lezers “inzien waarnaar en hoe zij kijken en wat dat betekent”. Laat mij een poging wagen. Ik werd gevraagd te reageren op wat Geelen schreef en al bij de eerste lezing schreeuwde alles in mij: ‘Zet je af! Vind denkfouten, Vergroot verschillen en grijp iedere gelegenheid aan om op hem in te hakken! Zie, een babyboomer met een eigen meninghoekje in de krant!’ dacht mijn hoofd.

Dat Geelen veel te jong is om babyboomer te zijn, doet er op zo’n moment kennelijk niet toe. In een polemiek draait het tenslotte niet om de feiten maar om het beeld dat beklijft.

Het zou ongetwijfeld spektakel opleveren, maar de voldoening zou gelijk die van een vet­te snack na een avondje stappen zijn en het gevoel waarmee je achterblijft een diepe en treurige leegte. De inhoud zou ondergeschikt zijn aan de vorm en de voorstelling zou het cliché niet overstijgen.

Kritiek als kompas

Laat ik in plaats daar­ van, in navolging van Geelen, iets proberen te zeggen over de waarde van kritiek. Een jaar of zeven geleden raadde de moe­der van een vriend me een essaybundel van Joseph Brodsky aan. Het was pas vorige week, toen ik ‘On grief and reason’ toeval­ lig tegenkwam in een boekwinkel (van baksteen ja!), dat ik het werkje aanschafte en las.

In de korte lezing ‘How to read a book’, buigt hij zich over de vraag hoe een lezer zijn weg moet vinden op de oceaan van drukwerk. De rol van kompas wordt volgens Brodsky traditioneel vervuld door de literaire kritiek, maar:

“Alas its needle oscillates wildly.”

Noord en zuid zijn niet voor iedereen gelijk, je weet nooit of de criticus een hack is, en net zo weinig ver­stand van zaken heeft als jijzelf, of dat hij of zij bevooroordeeld of belanghebbende is.

“In any case, you find yourself adrift in the ocean, with pages and pages rustling in every direction, clinging to a raft whose ability to stay afloat you are not so sure of.”

Brodsky raadt de lezer van proza aan zich enige tijd te verdiepen in de beste poëzie van een taalgebied, om zo een eigen richtingsgevoel te ontwikkelen. Lees Nijhoffs ‘Awater’, zo schrijft hij, en daarna weet je snel of een Nederlands prozawerk de moeite waard is of niet.

Sluw aangewakkerde hypes

Ik denk dat het deze rol van kompas is die de kritiek op veel gebieden dreigt te verlie­zen of reeds lang kwijt is. Mensen varen voor tv-­series op het licht van hun Twitterstream, laten zich boeken aanraden door Amazon en Goodreads en films door YouTube en Apple.

Het zijn, zoals Geelen schrijft, de slim georkestreerde campagnes en sluw aange­wakkerde hypes die de agenda’s van lezers, kijkers en luisteraars (en veel van degenen die over deze zaken schrijven) bepalen.

Is dat spijtig?

Misvatting

Als je Brodsky mag geloven, was de kritiek toch al niet fantastisch in het vervullen van die taak. Maar belang­rijker: ik denk dat de kritiekcultuur alleen iets te vrezen heeft van de misvatting dat dit – noem het cureren, selecteren, uit­ vlooien, of hoe je wil – de belangrijkste taak van de criticus is.

Het is deze mis­vatting die kranten en tijdschriften ertoe verleidt oplagedalingen tegen te gaan door ballen of sterren naast een recensie te plak­ken, alsof je een samenvatting van de ver­zamelde prospectussen met een eindoor­deel van de culturele consumentenbond presenteert. De functie van kritiek is niet het vellen van een oordeel of het verstrek­ken van een koopadvies. Kritiek is geen journalistiek­-met-­een-­mening.

A Critic’s Manifesto

Een van de meest verhelderende bijdra­gen aan het debat over de rol die kritiek vervult, werd eind vorig jaar geleverd door Daniel Mendelsohn. Op de website van The New Yorker publiceerde hij zijn ‘A Critics’s Manifesto’, waarin hij haarfijn uitlegt wat het werk van critici uit voorgaande generaties voor hem had betekend, en met welke insteek hijzelf kritieken schrijft.

Terwijl hij als jonge lezer het werk van bijvoorbeeld Helen Vendler (over poëzie) en Pauline Kael (over film) verslond, had hij geen moment het idee dat hij werd geacht zelf een bepaalde bundel te kopen of naar de bioscoop te gaan.

“I thought of these writers above all as tea­chers, and like all good teachers they taught by example; the example they set, week after week, was to recreate on the page the drama of how they had arrived at their judgements.”

Ze schreven met een enorme kennis van zaken die voortkwam uit liefde voor een on­derwerp, op basis van een idiosyncratische smaak of gevoeligheid.

“The glimpses these writers gave you of their tastes and passions revealed what art and culture are supposed to do for a person.”

Kritisch leren denken

Het open en bloot tonen van hoe ze tot een oordeel waren gekomen, impliceerde dat de lezer op een gelijksoor­tige manier tot zijn of haar eigen oordeel kon komen. Ze leerden je kritisch te denken.

Dit alles kan evenzeer gedaan worden in korte mediacolumns of lange boekrecen­sies, maar de kritiekcultuur staat of valt met het besef dat dit (en niet het spelen van poortwachter of culturele gids) is waar het om gaat: de criticus draagt kennis over en schoolt zijn of haar publiek in het kritisch denken.

Misschien was dat beeld van die spiegel toch niet zo’n slecht keuze van Geelen. Als je het ding in een goede hoek opstelt kun je tenslotte iemands blikveld flink verruimen. Dat lijkt me een goed begin. En nu ga ik wat kritieken lezen.


Dit artikel is afkomstig uit 609, het blad van het Mediafonds.

Wie alle artikelen van de nieuwste editie van het blad wil lezen: een pdf van 609 is te vinden op de website van het Mediafonds.nl.

Al 2 reacties — discussieer mee!