Digitalisering maakt de online ontsluiting van archieven en databases mogelijk. Maar hoe verdien je de gemaakte kosten voor zulke digitaliseringsoperaties weer terug? Dat blijkt niet mee te vallen, zoals blijkt uit dit overzicht van diverse digitaliseringsprojecten in Nederland.

In 2005 werd het idee voor Beelden voor de Toekomst geboren. Het grootste digitaliseringsproject van Europa ging op 1 juli 2007 van start. Als het dit jaar wordt afgesloten zijn de 91.183 uur video, 22.086 uur film, 98.734 uur audio en 2,5 miljoen foto’s uit de archieven van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, EYE Film Instituut Nederland en het Nationaal Archief gerestaureerd, geconserveerd en gedigitaliseerd.

Het Ministerie van OCW en het consortium van archieven geloofden dat het immense project zichzelf zou terugverdienen. Op online platforms als ED*IT, Dutch Footage en Ximon konden de beoogde doelgroepen (respectievelijk het onderwijs, commerciële partijen en het brede publiek) tegen betaling gebruikmaken van het digitale aanbod.

YouTube

Eveneens in 2005 lanceerden drie jongens vanuit een garage in het Amerikaanse San Mateo een gratis online videodienst, YouTube, die binnen twee jaar ook tot de Nederlandse huiskamers en klaslokalen was doorgedrongen.

Beelden voor de Toekomst leverde een schat aan audiovisueel materiaal op, dat anders grotendeels verloren zou zijn gegaan, maar het terugverdienmodel dat aan de basis stond van het digitaliseringsproject werd in 2010 noodgedwongen losgelaten. De bereidheid om te betalen voor beeld en met name geluid bleek veel geringer dan men in 2005 voorzag.

Er zijn partijen die wel het volle pond betalen, zoals buitenlandse commerciële zenders op zoek naar bijzondere oorlogsbeelden. Maar slechts een klein deel van het archief is zo uniek dat het een hoge marktwaarde vertegenwoordigt.

Rechten achterhalen

Het grootste deel van de collectie is bovendien niet in het bezit van de archieven en kan niet zonder licenties worden ontsloten. Het achterhalen van de rechten is zo arbeidsintensief, dat de kosten onmogelijk op de consument kunnen worden verhaald.

Tom de Smet, hoofd Collecties en Beschrijving van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid: ‘In plaats van interactie te zoeken met alles en iedereen kiezen we nu voor partnerships met communities, uitgeverijen, de zakelijke markt en andere erfgoedinstellingen. Het is onze missie om ons materiaal in een gepaste context naar buiten te brengen. Waar de collectie wordt beheerd, zal de consument worst wezen. Neem WikiMedia Commons. Tik je daar ‘Mother’s Day’ in, dan krijg je een filmpje uit 1925 te zien over moederdag. Je moet alleen weten waar je moet klikken om te zien dat de bron Sound & Vision is.’

Het verdienmodel achter zulke partnerships is beperkt. In het beste geval worden de gemaakte kosten gedekt. Beeld en Geluid werkt bijvoorbeeld samen met Aangepast Lezen om de hoorspelen in de collectie beschikbaar te maken voor blinden en slechtzienden. ‘We zien dat als een onderdeel van onze maatschappelijke taak,’ stelt De Smet. ‘Dan kun je daar toch niet het volle pond gaan vragen? Tegelijkertijd moeten we vergoeding voor de rechthebbenden regelen, want ook dat is onze verantwoordelijkheid.’

Digitaal bewaren is duur

Dat een collectie, eenmaal gedigitaliseerd, geld op zal brengen blijkt dus te makkelijk gedacht. En bewaren is duur, ook van digitale bestanden. Walter Swagemakers, senior projectleider Collecties bij EYE: ‘Een filmblik kon je op de plank laten liggen, mits gekoeld en droog bewaard. Digitale media worden op servers opgeslagen, continu gemonitord, er moet overal een back-up van zijn en om de zoveel jaar vindt er datamigratie plaats naar de volgende generatie tapes en software. Door betere beeldkwaliteit worden de data steeds zwaarder.’

De collectie analoge films blijft bovendien bewaard. Zo kan er altijd worden teruggegrepen op de analoge masters. Volgens Swagemakers is niet de schijfruimte, maar het managen en het openbaar maken van content het meest kostbaar. Net als Beeld en Geluid is EYE is veel tijd kwijt met het toestemming vragen voor openbaarmaking aan rechthebbenden.

Is het dan niet beter niet zelf te zenden, maar gewoon te wachten tot de vraag zich aandient? ‘We werken al vraaggericht,’ antwoordt Swagemakers. ‘De bestanden met een hoge resolutie bewaren we in deep storage. Voor het internet gebruiken we goedkopere afgeleiden van die bestanden. De consument moet nu eenmaal kunnen browsen in je collectie. Anders weet hij niet waar hij naar op zoek is.’ Een bestand in hoge resolutie kan on demand worden geleverd.

Inkomsten

Samenwerkingen, partnerships, Europese projecten, museum- en filmbezoek, verkoop van films en fragmenten, zaalverhuur en zakelijke evenementen. Het zijn voor EYE en Beeld en Geluid de belangrijkste manieren om inkomsten te genereren. Beide participeren in Europeana.eu, het Europese portal voor cultureel erfgoed. Audio, video en tekst worden er als open data aangeboden, beschikbaar voor wie het wil (her-)gebruiken. Europa vergoedt de helft van de projectkosten.

EYE brengt het liefst zo veel mogelijk materiaal gratis openbaar, bijvoorbeeld op openbeelden.nl en op filminnederland.nl, een platform over de Nederlandse filmgeschiedenis. Maar als cultuurproducerende instelling wordt EYE mede afgerekend op het aandeel eigen inkomsten. Om die reden is het een tegenvaller dat het het video on demand-platform Ximon.nl per 29 januari 2014 is gestopt. De oorspronkelijke initiatiefnemers, waaronder EYE, onderzoeken hoe de catalogus van Ximon voor het publiek toegankelijk kan blijven.

Swagemakers vindt een abonnementsvorm, bijvoorbeeld via de bibliotheek, nog steeds het meest veelbelovende model voor het aanbieden van culturele content aan consumenten. De Smet van Beeld en Geluid is er zeker van dat consumenten steeds meer bereid zullen zijn om te betalen voor beeldmateriaal van hoge kwaliteit, zeker als het in pakketten wordt aangeboden.

Dat Ximon het niet heeft gered, is volgens hem onder andere een kwestie van schaalgrootte. ‘Het Nederlands heeft met een taalgebied van 22 miljoen een heel beperkte afzetmarkt. Er is een groeiend aanbod aan nationale en internationale VOD-aanbieders. De erfgoedinstellingen zouden gezamenlijk, met de rechthebbenden en liefst op internationaal niveau, met hen rond de tafel moeten gaan zitten.’

Knippen en plakken

Hans van Keulen is conservator en teamleider Uitvoerende kunsten binnen Bijzondere Collecties van de UvA. Volgens hem is het gevaarlijk om te focussen op datgene wat commercieel het meest interessant is. ‘Er is veel gedigitaliseerd in de afgelopen tien jaar, maar vooral datgene dat altijd al beschreven en redelijk toegankelijk was. Nu de fondsen opdrogen, blijven de achterstanden en de bijzonderheden liggen.

Voor audiobronnen is het extra lastig om fondsen te vinden. Gebruikers zijn al helemaal niet gewend om voor geluid te betalen.’ Als voorbeeld noemt Van Keulen audio-opnamen uit de collectie van het Theater Instituut Nederland, gemaakt door Theater Klank en Beeld. ‘Bijna niemand wil daar nog uren naar luisteren. Daar zou je dus extracten van moeten knippen en plakken, maar daar is geen geld voor. Daardoor missen, in het spectrum van de theatergeschiedenis, de jaren vijftig tot en met zeventig.’

Van Keulen spreekt uit hoofde van de kleinere organisaties, die veel audio en video in het archief bewaren, maar financieel niet in staat zijn om alles zelf te digitaliseren. ‘We zouden de audiovisuele collecties kunnen overdragen aan Beeld en Geluid,’ zegt hij. ‘Bij veel kleine instellingen bestaat daar echter weerstand tegen. Waar je voorheen als onderzoeker in je eigen bibliotheek naar een VHS kon kijken, moet je dan een dure viewingruimte bij Beeld en Geluid huren om de digitale versie te bekijken.’ Volgens De Smet is dat een achterhaald beeld. ‘Onderzoekers kunnen veelal gratis in de viewingruimtes terecht. Voor gedigitaliseerd materiaal hoeven ze de deur niet eens meer uit.’

Auteursrecht

Gevraagd naar het belangrijkste struikelblok voor het ontsluiten van archieven, noemt iedereen het auteursrecht, dat niet aansluit bij de eenentwintigste eeuw. Er is een oplossing: er zou een uitzondering moeten komen op het auteursrecht voor non-profit- en erfgoedinstellingen. ‘Houd per digitaliseringsproject een vast bedrag achter voor rechthebbenden. Spreek af dat de rechten daarmee zijn afgekocht,’ stelt Van Keulen voor. ‘Het is zo jammer om miljoenen te investeren in digitalisering en er vervolgens bijna niets mee te kunnen.’

Er geldt al een uitzondering op het auteursrecht voor bibliotheken en musea. EYE zou graag zien dat er een meer algemene uitzondering voor archieven en musea komt, die ook online ontsluiting van de collectie mogelijk maakt. Dat zou moeten worden gezien als een verlengstuk van de fysieke bibliotheek, waar bezoekers de gedigitaliseerde beeldcatalogus kunnen raadplegen.

Het besluit van het Rijksmuseum om de hele collectie in hoge resolutie online te zetten wordt door meerdere geïnterviewden aangehaald als het ultieme voorbeeld van hoe een collectie zich tegenwoordig uitstrekt voorbij de fysieke grenzen. Maar het Rijksmuseum heeft met zijn oude collectie dan ook geen last van het auteursrecht.

Publiek-private samenwerking

Om kwesties rond het auteursrecht te omzeilen, richt de Koninklijke Bibliotheek zich bij de digitalisering van de collectie op werken van vóór 1870. Al vanaf de jaren negentig is de KB betrokken bij verschillende digitaliseringsprojecten. Hiermee is onder meer Het Geheugen van Nederland gerealiseerd, een beeldbank van gedigitaliseerd erfgoed.

‘Metamorfoze’, het nationale programma voor conservering van papieren erfgoed, wordt gefinancierd door het ministerie van OCW. De ambities van de KB zijn flink: alles voor en over Nederland wordt gedigitaliseerd. Dat zijn ongeveer 720 miljoen pagina’s. Ongeveer tien procent is nu gerealiseerd.

Google Books digitaliseert de collectie van 1700 tot 1870. Het Brits-Amerikaanse bedrijf ProQuest maakt de digitalisering van oudere en unieke materialen mogelijk. Beide bedrijven bieden hun diensten gratis aan, al maakt hoofd Marketing en Diensten Mireille Kok van de KB daar meteen een kanttekening bij. ‘We moeten de collectie voorbereiden voordat het naar Google kan. Daar hebben we een heel distributiesysteem voor opgezet, dat ook mankracht kost.’

Gratis beschikbaar stellen

Door de publiek-private samenwerkingen is de KB in de positie om al het digitale materiaal gratis aan alle Nederlanders beschikbaar te stellen. ‘Het zou mooi zijn als de creatieve industrie er nieuwe producten of diensten mee kan creëren,’ zegt Kok. ‘Daarvoor kunnen ze wat ons betreft wel geld vragen.’

De KB levert ook gedigitaliseerde collecties en metadata aan Europeana.eu. Zelf ‘zenden’ doet de bibliotheek minder. ‘We concentreren ons op het leveren van de basisvoorziening. Dat is al een enorme stap.’ Samen met partners, zoals de universiteitsbibliotheken ontwikkelt de KB diensten voor de wetenschap. Op Delpher.nl staan ongeveer 30 miljoen doorzoekbare pagina’s aan gedigitaliseerde kranten, boeken en tijdschriften. Gratis, want tot stand gebracht met publiek geld.

Digitalisering in de kinderschoenen

De digitalisering van grote delen van het Nationaal Archief staat nog in de kinderschoenen, al zijn ook hier de ambities groot. Samen met de regionaal-historische centra startte het NA recent een programma om tien procent van de Rijkscollectie te digitaliseren, met name de meest geraadpleegde archieven. ‘De archieven die door de ministeries worden overgebracht zijn nu nog hybride,’ vertelt Irene Gerrits, directeur Collectie en Publiek van het Nationaal Archief, ‘maar vanaf 2016 produceren de beleidsdepartementen geen papieren archief meer. Alles is vanaf dan born digital archiefmateriaal.’

Het NA vraagt geld voor digitale scans. Gerrits: ‘Met scanning on demand leveren we een service. Vanwege de aard van het materiaal, dat vaak kwetsbaar en daardoor lastig te ontsluiten is, is er soms meer onderzoek nodig, maar de tijd die dat kost berekenen we slechts ten dele door aan de aanvragers. We proberen kostendekkend te werken, maar als iemand een aanvraag doet voor één archiefstuk, scannen we meteen de hele doos. Voor ons is dat een investering, waarvan andere klanten kunnen gebruikmaken.’

Krenten uit de pap

Mocht de politiek de erfgoedinstellingen in de toekomst ooit dwingen volledig zelfbedruipend te worden, dan heeft De Smet heeft nog wel een voorstel: ‘Je kunt best snoeien in het collectiebeleid. Dan is de collectie niet langer vlakdekkend, maar wel representatief. Maar dan moet de wettelijke taak van al die instellingen wel opnieuw worden bekeken. Zijn we als maatschappij bereid om bewust lacunes in ons erfgoed te laten ontstaan? Dan zou er, in combinatie met partnerships en de toegenomen bereidheid van consumenten om te betalen voor content, een kostendekkende situatie kunnen ontstaan.’

‘Je kunt businessmodellen ontwikkelen voor bepaalde gebundelde collecties,’ zegt Keller, vicevoorzitter van Kennisland. Kennisland experimenteert samen met de erfgoedinstellingen met nieuwe vormen van online toegankelijkheid. ‘Musea doen dat al veel langer. Niemand koopt een totale museumcatalogus, maar voor een mooie ten toonstellingscatalogus is genoeg interesse.’

‘Een archief bevat dingen die op de markt hebben gefaald. Het zijn boeken die niet meer worden uitgegeven, films die niet meer worden vertoond, beelden die niet meer op de televisie te zien zijn. Waarom niet? Omdat er niet genoeg vraag naar is. Dat een archief opeens digitaal beschikbaar is, wil niet zeggen dat het daardoor wel commercieel rendabel wordt.’

Keller zoekt samen met de instellingen de krenten uit de pap en bedenkt nieuwe manieren om die voor het voetlicht te brengen. Een groot deel van de fotocollectie van het Nationaal Archief kreeg in het kader van Beelden voor de Toekomst bijvoorbeeld een tweede leven op Wikipedia. Daardoor werden ze 17.000 keer meer gezien dan wanneer de beelden alleen op de eigen website waren vertoond.


Dit artikel is afkomstig uit 609, het blad van het Mediafonds. De nieuwste editie is gewijd aan radio.

Wie alle artikelen van de nieuwste editie van het blad wil lezen: een pdf van 609 is te vinden op de website van het Mediafonds.nl.

Al 4 reacties — discussieer mee!