Met de gemeenteraadsverkiezingen in aantocht, wordt er weer een hoop geklaagd over de lokale journalistiek. En dan vooral het gebrek daaraan. Theo Dersjant heeft bedacht hoe de lokale pers een impuls een kan krijgen: met een ‘percentageregeling’.

Bij knooppunt Almere, daar waar de snelwegen A6 en A27 kruisen, doemen voor de argeloze automobilist plotseling de silhouetten op van vijf olifanten. De bronzen beelden van kunstenaar Tom Claassen werden gemaakt – en in 1999 onthuld – in het kader van de ‘Percentageregeling beeldende kunst’. Die regeling hield in dat een deel (aanvankelijk één procent) van de bouwsom van overheidswerken, wordt uitgegeven aan kunst. En dat al vanaf 1951.

Bij veel gemeenten en provincies wordt momenteel die ‘percentageregeling’ vanwege bezuinigingen afgebouwd. Maar een soortgelijke percentageregeling zou een uitweg kunnen bieden voor de publieke functie van journalistiek. Sjiek is het misschien niet, maar vooralsnog moet een beter model zich nog aandienen.

Bescherming en stimulering

De ‘Percentageregeling beeldende kunst’ bewees zich sinds 1951 ruimschoots. Duizenden kunstwerken werden sindsdien met overheidsgeld gefinancierd. De regeling zorgde ervoor dat kunst een nadrukkelijke plaats kreeg in het dagelijkse leven. Kunst immers dienst beschermd en gestimuleerd. Zonder de regeling zouden overheidsgebouwen saaier en de kunst minder in ons midden – de buitenruimte – zijn.

De regeling op zich was jarenlang onomstreden. Ondanks dat de overheid zich met vrije kunst bemoeide en er zo nu en dan gekrakeel onder het publiek ontstond over kunst ‘die mijn kind ook had kunnen maken’.

Niet onomstreden

De laatste jaren is er echter de klad in gekomen. Gemeenten of provincies schaffen de regeling af onder druk van bezuinigingen (en op die manier gaan er miljoenen euro’s minder naar kunstenaars, maar dat terzijde). Zo had de provincie Gelderland een ton in kas toen het fonds werd opgeheven. Diverse gemeenten sneden eveneens in hun percentageregeling. Een stad als Venlo telde anderhalve ton in de kunstpot toen de regeling in 2012 werd opgeheven en de euro’s werden doorgesluisd naar ‘algemene middelen’.

Toegegeven: sommige kunstwerken zorgden voor ophef en reuring. Commissies die beslisten welke kunstwerken werden aangeschaft (de overheid gaf dat doorgaans in handen van specialisten) maakten niet altijd onomstreden keuzes. Maar wat resteert is dat onze straten, pleinen of rotondes er door de regeling minder saai van werden.

Percentageregeling voor de pers?

Waarom geen ‘Percentageregeling voor de pers’? De analogie met kunst ligt immers voor de hand. Sterker: er zijn misschien nog meer argumenten denkbaar om onafhankelijke journalistiek via een percentageregeling te steunen, dan de kunsten. Zonder vrije journalistiek – op alle niveaus – is een democratie immers niet mogelijk. En juist daar is de afgelopen jaren zand in de motor gekomen. Bestuurders zagen steeds minder reporters op de publieke tribunes van gemeenteraden of  provinciebesturen.

Bij regionale dagbladen is ‘schaalvergroting’ jarenlang het antwoord geweest voor het afkalven van zowel het lezerspubliek als de inkomstenstroom via advertenties. Lokale media als huis-aan-huisbladen konden niet in de lacune voorzien, want moesten het zelf ook met minder middelen doen. Hyperlocals doen het soms aardig, maar komen vanwege de financiering niet of nauwelijks op professioneel niveau. Uit onderzoek van het Stimuleringsfonds voor de Pers bleek in september 2013 nog dat politieke verslaggeving vrijwel geheel ontbreekt in gemeenten die minder dan 50.000 inwoners tellen.

Journalisten op de perstribune

En dat de nood langzaam ook hoog wordt in grotere gemeenten, blijkt in de huidige verkiezingscampagne, waar menig lokaal bestuurder pleit voor meer aandacht van de plaatselijke journalistiek. De Haagse wethouder Baldewsingh kondigde nog afgelopen week in Nieuwsuur aan dat de gemeente Den Haag overweegt een eigen tv-journaal te beginnen omdat de Haagse journalistiek gaten laat vallen. Er zouden nauwelijks journalisten meer op de perstribune zitten bij commissie- en raadsvergaderingen. Vooralsnog is er binnen de Haagse politiek weinig steun voor het plan van de wethouder en dat is waarschijnlijk ook maar goed ook.

Dat een steeds groter deel van het openbaar bestuur geen journalistieke ogen op zich weet gericht, is een democratisch probleem van formaat. Weliswaar is de gemeenteraad in het duale bestel de eerst aangewezene om de ‘machthebbers’ (het college) te controleren. Maar omdat daar politieke afwegingen een rol spelen, is het een meerwaarde (voorwaarde) voor iedere democratie wanneer ook een vrije pers toeziet op het proces (de doelmatige besteding van belastinggeld).

Een kind kan uitrekenen dat de lokale en regionale journalistiek voorlopig financieel niet in staat zullen zijn om die democratische taak waar te maken. Een verdienmodel ontbreekt vooralsnog, heet het dan.

Doelmatige besteding

Bestuurders van gemeenten, provincies of waterschappen die graag weer onafhankelijke reporters in de vergaderzalen willen zien, kunnen daarvoor zelf initiatieven nemen: denk aan een ‘Percentageregeling voor de pers’. Dat kan op verschillende manieren. Analoog aan de kunstregeling zou een percentage van de uitgaven aan infrastructurele werken in een persfonds kunnen vloeien. Dat geld wordt vervolgens beschikbaar gesteld aan persorganen (waarover straks meer). Dat is ook geen vreemde gedachte. Het betreft hier immers de uitgave van belastinggeld. Een deel daarvan mag worden gereserveerd voor controle op de vraag of dat geld wel doelmatig wordt besteed.

Een gemeente kan ook een fonds vullen door een percentage van binnenkomende leges (marktkooplieden, kermisgelden, paspoorten, bouwvergunningen) in een fonds te doen. Het betreft hier de gemeentelijke inkomsten. Ook daarvan is het goed om erop toe te zien hoe die vervolgens weer worden besteed. Ook daarom zou het niet vreemd zijn om een deel van die inkomsten te reserveren voor vrije plaatselijke pers.

De VNG zou zich kunnen inspannen om een ‘modelregeling’ te ontwikkelen, net als de VNG ooit deed bij de percentageregeling voor de beeldende kunst. Het IPO zou datzelfde kunnen doen voor provincies.

De verdeling van het geld

Ingewikkeld wordt het model als het gaat om de vraag hoe dat geld dan onder media verdeeld moet worden. Uiteraard moet de overheid dat niet zelf willen doen. Net als bij de ‘Percentageregeling beeldende kunst’ kunnen er lokale mediaspecialisten in een commissie gezet worden die beslist over toewijzing. Maar er kan ook een landelijke commissie (wederom: VNG, IPO) worden geformeerd. Binnen randvoorwaarden beslist zo’n commissie over de inzet van de middelen.

Persorganen (huis-aan-huiskranten, regionale dagbladen, regio-omroepen, kabelkranten, websites, burgerinitiatieven, hyperlocals, twitteraars, etc.) kunnen vervolgens via openbare aanbesteding een plan deponeren. In dat plan beschrijft het persorgaan hoe het de plaatselijke gemeenschap, inclusief het publiek bestuur, de komende jaren denkt te gaan volgen. En hoeveel geld daarvoor nodig is.

De commissie wijst vervolgens het geld toe aan de partij met het beste plan (of de laagste kosten). Op die manier kunnen plaatselijke initiatieven het hobbyisme ontstijgen en zelfs concurrerend worden voor de traditionele pers in een gebied.

Belastingcenten

Toegegeven: ideaal is het allemaal niet. De overheid als financier van journalistiek die het eigen functioneren moet controleren. Maar het kan ook anders worden gezien: de belastingbetaler die een deel van zijn belastingcenten in een pot laat vloeien om de partij die het gaat uitgeven, te controleren. Aldus gaat het niet om geld van de overheid, maar om een bijdrage van de belastingbetaler.

Nieuw is zo’n model niet. Regionale omroepen worden door de overheid gefinancierd (aanvankelijk zelfs rechtstreeks door de provincie). De landelijke publieke omroep eveneens. Zowel landelijk als regional draagt de ‘belastingbetaler’ dus al bij aan publieke omroep. Het is dus geen vreemde gedachte om dat financieringsmodel door te trekken naar het lokale. Eigenlijk komt een ‘Percentageregeling voor de pers’ neer op het creëren van publieke pers op lokaal en regionaal niveau. Omdat de vrije markt steken laat vallen.

Politieke wil en moed

Nogmaals: er zijn nogal wat argumenten te bedenken waarom dit model niet wenselijk is. Maar tot zich een beter financieringsmodel aandient, is een ‘Percentageregeling voor de pers’ wellicht een gedachte die meer voor- dan nadelen heeft.

Politici die in deze campagnetijd dus snerende opmerkingen maken omdat de journalistiek steken zou laten vallen: neem zelf het initiatief voor een regeling die dat probleem oplost. Want voor alles is voor een ‘Percentageregeling voor de pers’ politieke wil en moed nodig.

Theo Dersjant

Theo Dersjant is een Nederlandse journalist en docent aan de Fontys Hogeschool Journalistiek.
Profiel-pagina
Al 6 reacties — discussieer mee!