Er werkt een redacteur van 93 en de afdeling fact checking is groter dan de afdeling digitaal. Paulien Bakker bezocht The New Yorker samen met Daniel Menaker, die onlangs zijn memoires publiceerde over zijn tijd bij het beroemde weekblad.

‘Roger Angell wacht op je,’ zegt Peter Canby, hoofd fact checking bij The New Yorker, zodra Daniel Menaker op de twintigste verdieping uit de lift stapt. Daniel Menaker (72) werkte van 1969 tot en met 1994 bij het blad, eerst als fact checker, later als redacteur fictie. In 1994 stapte hij over naar Random House, een van de grootste boekenuitgevers van de VS, waar hij tot zijn pensionering hoofdredacteur was. Menaker schreef een aantal goed ontvangen boeken en vorig jaar verschenen zijn humoristische memoires, met daarin veel aandacht voor de buitengewoon perfectionistische werkwijze van The New Yorker: My Mistake

Entree van The New Yorker (foto: Paulien Bakker)

Zo beschrijft hij hoe toenmalig hoofdredacteur William Shawn op een dag de eindredacteur van een verhaal van Susan Sontag bij zich roept vanwege het woord “balls” in de zin “I stroke my delirium like the balls of the comely waiter”. Shawn tegen de eindredacteur: “I don’t want this word in The New Yorker, but I don’t think there’s any way to avoid it. Still, we owe it to our readers at least to try to find an alternative. So let’s just take a minute or two to think it over.”

11 duizend reacties op een stuk

Angell wacht in een bureaubreed kamertje aan het raam, een lange, magere man met hoog opgetrokken pantalon. Hij komt moeizaam overeind. Angell is 93 maar werkt nog alle dagen bij het blad, tot drie uur ‘s middags. Vorig jaar publiceerde hij een essay over ouder worden en het verlies van zijn vrouw. ‘Er kwamen elfduizend reacties op,’ vertelt hij glunderend aan

In de jaren dat Menaker er werkte, zaten ze in een aftands gebouw. Tegenwoordig huist het blad in een moderne wolkenkrabber van haar uitgever Conde Nast op Times Square 4. Een verdieping lager is het blad Wired gevestigd, de verdieping erboven Vanity Fair.

The New Yorker telt zo’n 110 medewerkers die werken aan de papieren uitgave, met een oplage van een miljoen, en de website, die naar verluid zo’n 100.000 abonnees telt – het precieze aantal geeft men niet vrij. Tot een paar jaar terug zaten ook alle cartoonisten op de redactie, maar nu ze woekeren met de ruimte, is hen gevraagd om vanuit huis te werken. Op de brede gang tussen de kamers in zijn extra bureaus ingevoegd.

250 fictieverhalen per week

Menaker omhelst hier en daar oude collega’s – sommige leeftijdsgenoten, sommigen ouder dan hem. ‘Ik mis vooral de kantoorroddel. Dat ik anderen en zij mij belachelijk maken. Zoals: hoe haalt die Menaker het in zijn hoofd om in spijkerbroek en op gympen langs te komen?,’ zegt hij glimlachend.

Even verderop spot hij eindredacteur Mary Norris. Norris heeft een contract afgesloten voor een nog te schrijven boek Between You and Me: Confessions of a Comma Queen en kreeg daarvoor een voorschot van naar verluid $ 425,000. Norris verdedigt al dertig jaar het gebruik van leestekens in The New Yorker op haar Page-Turner blog. Maar al doet de oude garde, zoals zij, Canby en Angell anders vermoeden, lifelong employment behoort inmiddels zelfs bij The New Yorker tot het verleden. ‘Het gebeurt tegenwoordig ook wel dat mensen het blad weer verlaten,’ vertelt Menaker, ‘omdat de wereld van de journalistiek en non-fictie nu minder gecentraliseerd is rondom publicaties als The New Yorker.’

Er staat een keurig gelakt houten bankje in de gang, bezaaid met afgedankte recensie-exemplaren. Mee te nemen voor wie wil. Het bankje gaat met iedere verhuizing mee – The New Yorker bestaat sinds 1925. Het bood in haar kleurrijke verleden een podium aan tal van bekende schrijvers, als E.B. White, Vladimir Nabokov, John Updike, Sylvia Plath, Truman Capote en Woody Allen. Het blad kreeg in Menakers tijd gemiddeld zo’n 250 fictie-verhalen per week toegestuurd, waarvan er per nummer maar twee, en slechts na uitgebreide revisie, mee gingen. Dat gold zelfs voor de verhalen van gedenkwaardige auteurs zoals Alice Munro, die eerder dit jaar de Nobelprijs voor de literatuur won.

De Muur

Op een kast dichtbij het kantoor van hoofdredacteur David Remnick ligt Het Boek. Daarin worden alle proefpagina’s geplakt. Bij iedere wijziging wordt een nieuwe pagina over de oude heen geplakt, zodat te zien is of cartoons of advertenties niet bijten met verhalen. Een medewerker houdt het boek dagelijks bij, oude boeken bewaart ze bovenop haar boekenkast en gooit ze slechts weg als haar kast het gewicht niet meer aan kan. Remnick kijkt er twee, drie keer per week in, vertelt ze trots.

The New Yorker is een instituut en haar medewerkers, vooral de oude garde, spreken over het blad met het grootste respect. We staan inmiddels bij De Muur, waar alle printjes van pagina’s van het komende nummer ook nog eens worden opgehangen.

Foto: Paulien Bakker
Daniel Menaker (rechts) bij De Muur (Foto: Paulien Bakker)

Auteurs afkopen

William Shawn leidde het blad met ijzeren hand van 1952 tot en met 1987 (hij was tachtig toen hij vertrok).‘Hij was altijd bang dat hij niet genoeg goede artikelen zou hebben, en zette daarom veel meer artikelen uit dan er konden worden afgedrukt,’ vertelt Pat Keogh, hoofd van de Makeup Department (vormgeving). Menaker hield een tijdlang de voorraad stukken bij voor het blad. Ieder half jaar stonden er wel veertig tot vijftig verhalen op de lijst, schrijft hij in zijn memoires, en kreeg hij de opdracht om de helft ervan van de lijst te halen.

De auteurs werden afgekocht. En dat terwijl literaire non-fictie auteurs als John McPhee soms wel een jaar aan een verhaal werkten. Onder de huidige hoofdredacteur, David Remnick, gaan vrijwel alle stukken binnen drie tot vier weken mee. ‘Hij verandert ook gemakkelijk op het laatste moment nog de cover,’ vertelt Keogh. Remnicks voorganger Tina Brown halveerde in de jaren negentig al de lengte van de stukken – tot die tijd stonden er halve novelles in het blad.

It would destroy the magazine

Menaker beschrijft het perfectionisme van Shawn op hilarische wijze in zijn memoires. Als op een dag een Talk of the Town-stuk van Menaker meegaat, staat Shawn erop dat de afsluitende alinea eruit gaat. Menaker onderneemt een poging om de laatste alinea te behouden, waarop Shawn hem uitnodigt op zijn kantoor.

“Mister Menaker, I see that you would like to restore the (pause) pun at the end of this Talk piece.”

“Yes,” I say. “It seemed to me to rise above the usual objection.”

“I see,” Shawn says. “Well, and I don’t mean in any way to criticize you; you must believe me that this is not a judgement of you – you probably don’t and can’t understand why we can’t do this. I really mean that – I don’t expect you to know the full extent of the mistake this would be. You probably just aren’t aware of it. But if we were to run the ending of this piece the way you’re asking us to, it would destroy the magazine.”

Zoenende Joodse man

Een idee pitchen bij het blad gaat dan ook niet zomaar. De meeste non-fictie schrijvers hebben lange of nauwe banden met het blad of werken op contractbasis. Nieuwkomers pitchen hun voorstel meestal via hun agent aan de hoofdredacteur. Jongere schrijvers beginnen met een stuk voor The Talk of the Town, stukken van minder dan een pagina.

Covers van The New Yorker (foto: Paulien Bakker)

Aan de muur hangen alle covers die gemaakt zijn sinds de komst van Tina Brown in 1992. Menaker kijkt naar de cover van een Joodse man die een Mexicaanse zoent. Hij vertelt aan zijn oude vriend Canby: ‘Tina vroeg me om advies. Ze zei dat ik de enige Jood was die ze kon vinden. Ik heb haar nog uitgelegd dat ik maar half Joods ben, en technisch gezien telt het niet, mijn vader was Joods. Ze vroeg of ik dacht dat er problemen zouden komen met de cover. Ik dacht van niet. Een paar dagen later stonden ze buiten te demonstreren

Drie fact checkers tegelijk

Op de afdeling digitalisering – wie een los digitaal abonnement neemt, ontvangt ook extra artikelen die niet in het blad verschijnen – zitten een stuk of acht dertigers. De afdeling fact checking is met zestien medewerker twee keer zo groot. Peter Canby zwaait er de scepter. Hij is zelf ook een verdienstelijk schrijver. Als een artikel laat binnenkomt, bijvoorbeeld 48 uur voor sluiting van het nummer, worden er tot wel drie fact checkers tegelijk op gezet. ‘We krijgen alle aantekeningen van schrijvers en doen in feite de interviews nog eens over,’ vertelt Canby. ‘Een stuk krijgt daardoor meer details, meer diepgang.’

Menaker vertelt Canby dat in Nederland nauwelijks de ‘ik’ wordt gebruikt in journalistieke stukken. In vrijwel alle stukken in The New Yorker komt de auteur nadrukkelijk zelf voor – het is kenmerkend voor de stijl van het blad. Canby mijmert: ‘Het gebruik van de “ik” geeft je als schrijver meer ruimte om te verkennen.’ Ze staan op het punt om een lange discussie aan te gaan, maar dan zegt Menaker: ‘Je moet weer aan het werk, we gaan.’

Daniel Menaker is een van de sprekers op de conferentie voor verhalende journalistiek, op 15 en 16 mei in Amsterdam. Op 15 mei geeft hij een masterclass aan boekenredacteuren bij het Letterenfonds.

Stukken van Daniel Menaker in het archief van The New Yorker (alleen toegankelijk voor online abonnees):

Al 2 reacties — discussieer mee!